[173:] XIX.
- Lucy, Lucy! waar ben je, waar blijf je! riep Agnes' harde stem in
de gang en toen geen antwoord hoorend, opende zij de deur - 't is al
acht uur, dadelijk komt de tuf-tuf van moeder Ameland, pruttelde ze
binnenkomend.
Hoog stond zij daar in haar costuum van nachtkoningin, zwart bijna dreigend,
gouden sterren op het hoofd en de borst, het masker in de hand. Zij
zag Lucy niet dadelijk.
- Waar ben je nu? Wat! nog niet gekleed!
Het kind lag gedoken in een hoek van den divan, bleek, hijgend, ontdaan.
- Wat scheelt je?
- Ik weet het niet, ik be~ zoo onwel - benauwd - ik stik.
- Wat 'n kuren! Kleed je gauw aan. Verbeeld je, als de auto wachten
moest! Zoo'n gezeur!
- Ik kan niet, ga maar alleen!
- Je bent gek! Kom, ik zal je helpen!
Zij greep haar arm, maar Lucy rukte zich los.
- Neen, ik kan onmogelijk! Zeg 't aan tante en aan mevrouw Ameland -
O God! geef, mij lucht!
- Probeer het maar eens!
- Och! laat mij toch liggen, ik ben zoo moe en zoo ziek.
- Malle streken! 't Is alleen omdat Bruno er met...
Bij het schelle, harde electrische licht scheen Lucy's gezicht ineen
te krimpen, vaalblauw werd het en de oogen glommen onnatuurlijk als
zwarte sterren. Zij antwoordde niet meer, hijgde steeds heviger, nu
werd Agnes toch ook ongerust.
- Tante, tante Pia, riep zij naar buiten gaande, over
[174:]
de leuning der trap - kom eens boven! Lucy is niet goed.
Pia kwam dadelijk; beiden gingen naar de kamer. Lucy was opgestaan,
zij voelde zich iets beter, de kramp verminderde.
- Ik zal eens probeeren, - zeide zij lachend, of liever met een zwakke
poging tot een lach - help je mij, Agnes?
- Neen, beval Pia, er komt niets van, je gaat naar bed onmiddellijk
- ik zal je kleeren los maken. . .
Met de grootste gedweeheId, gehoorzaamde Lucy. Onder het uitkleeden
moest zij telkens tegen Pia aanleunen, zoo zwak voelde zij zich.
- Is oom thuis?
- Hij is in de spreekkamer, er is iemand bij hem.
Pia legde haar in bed.
- Agnes, maak je mijn excuses? vroeg zij nog.
Agnes zag haar tante vragend aan.
- Zal ik thuis blijven misschien? kwam er weifelend uit.
- Wel neen! antwoordde Lucy, ga gerust hoor! Er is al drukte genoeg
om mij gemaakt. Daar hoeft niets meer bij.
- Ik vind het ook maar beter dat je gaat, zei Pia, die hoe minder beweging,
hoe beter voor de zieke vond.
- Daar hoor ik juist de patiënt heengaan. - Wil je oom zeggen Agnes,
dat Lucy niet wel is en of hij even naar haar wil kijken.
Agnes ging heen, blij uit de ziekenkamer te komen.
- Lucy niet wel, barstte Gerard uit, en zij was zoo vroolijk aan tafel.
Wat is er aan de hand?
- Och, ik weet het niet! Overspanning, zenuwen, ik kan geen diagnose
maken, dat moet u doen. .
Juist tufte de auto er aan. - Agnes sloeg haar avondmantel om en wipte
weg. Gerard ongeruster dan hij wilde laten blijken, ging naar boven.
-- Wat is er mijn lief meisje, mijn vogeltje? vroeg hij en nam haar
hand om den pols te voelen.
- Och, niets oom, niets, ik ben zoo moe, zoo benauwd.
Maar hij werd doodsbleek, liet de hand vallen, maakte een beweging om
de dekens weg te slaan en haar te onderzoeken, toen bedacht hij zich.
[175:]
- Neen - en zijn stem klonk schor en onzeker, ik kan, ik wil het niet
doen, ik zal dokter van Dam telefoneeren, hij moet dadelijk komen.
- Wat is oom onzeker, - hij, die toch alles zoo dadelijk weet van anderen.
. .
- Hoe voel jij je nu?
- Goed, alleen maar benauwd en dat kloppen zoo wild... oom voelde het
aan de pols - dat maakte hem zoo angstig... en een oogenblik later,
ik geloof dat ik ernstig ziek ben.
- Wel neen! je hebt je te veel vermoeid.
Hij ging de kamer uit. Met gesloten oogen bleef zij een poos liggen,
toen voer zij heftig in de hoogte, hijgend, snakkend naar lucht. . .
- Tante, tante, snikte zij, ik ben zoo bang.
- Maar waarvoor toch?
- Voor het leven. .. niet voor het sterven. .. zou ik werkelijk dood
gaan, tante? Laat dan den pastoor komen.
- Maar kind! daar is geen quaestie van, wind je zoo niet op.
Zij wierp de dekens onrustig weg.
- Ik kan zoo niet voortleven. .. ik heb te veel van mijzelf gevergd
en het moest toch - o die twee paarden. . .
- Wat bedoel je met paarden.
Zij lachte even.
- Dat begrijpt u niet, later zal ik het u wel vertellen. Nu kan ik niet
zulke novellen van langen adem opzeggen.
Gerard kwam terug met een glaasje, waarin hij een kalmeerenden drank
had gereed gemaakt; hij zag er bleek en bestorven uit.
- Drink, lieveling! drink! zeide hij met trillende stem.
Alweer moest zij lachen.
- Wat ziet u er vreemd uit, oom! Als u bij al uw patiënten zoo'n
gezicht trekt, zouden zij zeker ongerust worden.
Terwijl zij dronk, klapperden haar tanden tegen het glas. Gerard nam
weer haar pols, drukte zijn handen tegen haar slapen, Pia merkte, dat
hij er altijd meer bekommerd uitzag.
[176:]
- Ik moet ijs hebben - waar krijg je het?
- Laat Lize het halen bij den banketbakker.
- Och, neen! lijnpap is misschien beter, - wacht ik zal het bestellen.
- Lize moet het maken - of zal ik wachten totdat van Dam er is. . .
?
Hun oogen ontmoetten elkander even. Pia wist genoeg, Lucy was erg, heel
erg ziek; zij wenkte hem heen te gaan, zijn tegenwoordigheid werkte
opwindend.
- Is oom weg? vroeg Lucy een poosje later.
- Ja, hij wacht op dokter van Dam.
- Laat hem niet meer binnenkomen, ik schaam me zoo.
-Waarom?
- Omdat - omdat... ik kan het u niet zeggen, u zijn eigen zuster.
Toen boog Pia zich over haar heen en met haar rustige, bedarende stem
fluisterde zij.
- Je mag het mij gerust zeggen, ik heb het al lang geweten, je voelt
dat je engagement een vergissing is, je wilt het afbreken.
- O neen, en weer flikkerden haar oogen vreemd, haast griezelig. ..
ik wil het niet, ik mag niet. . .
- Een ding alleen mag je niet, je zelf en hem ongelukkig maken, - als
je beter wordt, dan komt alles in orde, laat je dat nu rustig stemmen
en denk er niet meer aan.
- Ik zal u alles zeggen, zoodra ik kan, fluisterde zij.
Tante, leg nu uw handen op mijn hoofd. - Zoo heerlijk zoo koel... ó
dat dansen dien avond, ik vergeet het nooit, en toen voelde ik het ook
al zoo ~ hier.. .
Zij bleef een oogenblik rustig liggen.
- Gek, de eene mensch stemt je rustig, de andere jaagt je zoo aan; dat
doet Agnes - wat, 'n verschil met Mia, hè!
- Ja, zij is mijn charme ook niet.
- Ik wel! hè tante? Ja, ik zal aan niets meer denken, eerst beter
worden - en dan - dan - zoo 't erger mocht worden, spaart u mij niet,
dan kan ik mij voorbereiden - zoo uit de wereld, zoo vóór
God, 't is verschrikkelijk - en toch, toch, ik geloof niet dat ik veel
[177:]
heb gezondigd in mijn kort leven. .. maar ook weinig goed gedaan.
- Stil toch, kind! blijf bedaard.
Er werd gescheld, zij schokte over al haar leden.
- Dat is van Dam, zuchtte Pia verlicht.
Gerard bracht den dokter tot aan de kamerdeur, hij liep door de gang,
zoolang als het onderzoek duurde te ijsbeeren - hij moest uit, maar
hij dacht er niet meer aan.
Met groote zorg consulteerde Dr. van Dam het patiëntje, hij was
een niet zoo heel jong, bedaard en kalm man; hij deed haar allerlei
vragen, of zij aan flauwten leed, of zij meer hartkloppingen had, of
zij veel emoties had doorleefd.
- O ja, het laatste jaar, heel veel, antwoordde zij oprecht.
Hij gaf eenige wenken aan Pia voor de behandeling, schreef volkomen
rust voor, en zocht toen zijn collega op.
- Ernstig, vroeg Dr. van Berneme haast ademloos.
De andere haalde de schouders op.
- Hoogst zenuwachtig! Hoe het hart werkt, kan ik nog niet dadelijk zeggen,
wat dunkt je, als wij morgen Jeurissen er bij haalden?
Jeurissen was de professor, specialiteit voor hartsziekten.
- Morgen? neen van avond nog! Ik telefoneer. . .
- Geen overdrijving, zoo erg is 't niet. Als zij jouw aanstaande niet
was - zouden wij het kalmer aanzien - maar nu - vind ik het beter..
.
- Zie je het ernstig in?
- Heel ernstig of niemendal. Jij was er ook niet dadelijk gerust op.
- Bij mij is het iets anders. 't Is beroerd, zoodra het een familielid
van mij geldt ben ik niets waard en - en ik houd ontzaggelijk van dat
kind.
Dr. van Dam vond dat zijn collega er oud en zorgvol uitzag, bijna als
de grootvader van het teere, tengere meisje daarbinnen, volstrekt niet
als haar aanstaande bruidegom.
Gerard wrong hem de handen.
- Doe alles om haar gauw op te knappen, maar zij bevalt mij niets...
.
[178:]
- Mij eigenlijk ook niet, en hij sprak nu in vaktermen over Lucy's
ziekte.
Gerard luisterde, nauwelijks, knikte maar verstrooid.
- Ja - ja - 't kan zijn...
En in zijn ziel rees een duister voorgevoel op; het klemde zich vast
in zijn geest met scherpe klauwen. Reeds van het begin van hun verloving
had hij de sensatie gehad of hij een brandende kaars moest dragen, hoog
boven zijn hoofd door een nacht van wind en storm.