VII.
In de fraaie kamer
boven tante Cato's woning zat eenige weken later Agnes' geleider alleen
te mijmeren. Het vertrek was met alle chic gemeubeld, die een gehuurd
kwartier kan versieren, zonder er echter den stempel op te drukken,
dien elke bewoner geeft aan zijn naar eigen smaak ingerichte kamer.
De vreemdeling zat voor zijn bureau, het hoofd in beide handen; zijn
geest zwierf verre van daar in andere werelddeelen, maar bemoedigend
schenen hem die zwerftochten niet. Hij was gebogen onder een last van
bittere gevoelens, van treurige herinneringen, van eenzaamheid vooral.
Alleen was hij, altijd alleen!
Wat baatten hem zijn rijkdom, wat zijn werk?
Hij had geen lust meer in 't leven, dat doelloos en koud voor hem lag.
Niemand stond hem nabij, noch in vriendschap, noch in bloedverwantschap.
Vrienden kon hij krijgen, dank zijn goed gevulde koffers; familie desnoods
ook, maar welke waarde zou hij hechten aan gekochte liefde, gekochte
belangstelling?
Sinds jaren had het geliefde vaderland den eenzamen balling; als een
liefelijk vizioen voor den geest gezweefd, hij droomde van dat vaderland
in die lange nachten onder den blooten hemel of onder een schamel dak
doorgebracht. De tranen hadden soms in zijn oogen getrild bij de gedachte
aan de witte duinen en de door iepen omzoomde grachten van zijn geboortegrond.
Geen landschap, hoe trotsch ook in zijn exotische schoonheid, had de
herinnering weg kunnen wisschen aan den vlakken, waterachtigen grond,
met zijn blauwgrijze lucht, zijn verdoezelde vergezichten, zijn kanalen
en vaarten, zijn hooge gevelhuizen en zijn onovertroffen zindelijkheid.
Hij was verheugd geweest als een kind, toen hij eindelijk zich kon Inschepen
naar het geliefde vaderland, hij telde de dagen en later de uren; nooit
te voren was de tijd zoo voortgekropen.
Eindelijk zette hij voet aan wal; niemand was er, die hem welkom heette,
niemand die zijn hand met blijdschap drukte naar zulk een lange scheiding;
men merkte hem niet op, alleen aan zijn geld werd eer bewezen. Geen
was er, die zich bekommerde om zijn verleden, om den zwaren, moeilijken
strijd, dien hij vijftien jaar lang doorworsteld had, geen, die naar
zijn plannen belang
[24:]
stelling toonde;
niets dan koude onverschilligheid wachtte hem nu, morgen, altijd.
Wat zou hij nog langer in deze wereld doen? Wat belette hem van de aarde
te verdwijnen? Niemand zou over hem treuren, zijn geld, waarvoor hij
geen bestemming wist, zou misschien anderen ten goede komen, die er
gelukkiger door konden worden.
Er was immers niets, waarvoor 't der moeite waard was, te leven; de
genoegens dder beschaafde wereld was hij ontgroeid, reizen boezemde
hem geen belangstelling meer in, hij had reeds zooveel gezien; alle
andere vermaken verveelden hem onmiddellijk; werk had hij hier niet.
Daar in Amerika had hij nog zijn zilvermijn, zijn woning en zijn bedienden,
die hem wachtten, maar daarheen trok hem zijn hart nog minder; dat eenzame
leven weer te beginnen tusschen menschen, die hem niet begrepen, zijn
taal niet spraken, schrikte hem meer dan ooit af.
Hij smachtte naar iets onbekends, naar sympathie, naar vriendschap,
naar een eigen haard misschien; 't werd tijd dien te stichten, want
reeds namen zijn haren een flauw grijze tint aan, maar hij wanhoopte
er aan ooit dit voorrecht te verkrijgen.
Neen, hij was veroordeeld eenzaam en stil door het leven te gaan, het
leven dat misschien nog jaren en jaren zou duren; elk jaar zou hij zien
terugkomen als eenzame zwerveling, totdat hij ging sterven, onbeweend,
zelfs onbekend. Eens moest dit toch gebeuren, waarom het oogenblik niet
verhaast? Daar lag een revolver in zijn kastje; 't was geladen, één
trek en dan...
Een
kindeken is ons geboren,
In het midden van den nacht,
Veel schooner als te voren
De wereld had verwacht.
Uit de verte, zacht
en vaag als een melodieuze verzuchting, stegen de tonen van het oude,
zoete Kerstlied tot hem op. Hij hief 't hoofd op; was het een droom,
een herinnering uit lang vervlogen jaren, als zijn moeder voor de piano
gezeten dit lied zong met haar liefelijke stem, terwijl hij, met gevouwen
handjes naast haar staande, mee neuriede en mee bad?
Kerstavond was 't en hij had er niet meer om gedacht; vergeten en verloren
was die herinnering, als zoo vele andere; een tijdperk van zonde en
schuld lag er tusschen, daarna een ander van louterenden, maar zwaren
arbeid, die hem geen tijd meer toeliet voor 't geen hij, half minachtend,
gevoelszaken noemde.
Het gezang echter ging teeder en zoet voort, met accompagnement van
een oude valsche piano, maar innig vroom, innig teeder; het hart der
zangeres bad mede, wat haar stem zong.
Onwillekeurig vouwde de eenzame zijn handen en zeide het haar na:
[25:]
En dan zongen al die engelkens,
En dan zongen al die herderkens,
Met eene zoete stem:
Haast u naar Bethlehem,
Haast u naar Bethlehem!
"Ja, alles
juicht omdat het Kerstdag is, het schoonste der feesten, maar welke
beteekenis heeft het voor mij? Is er voor mij nog redding, nog hope
mogelijk? Of is 't de stem van mijn moeder, die na jaren den zoon, wiens
gedrag haar het leven verbitterde, toeroept, dat hij niet alleen op
de wereld is, dat zij uit den Hemel over hem waakt, dat zij de hand
weerhoudt, die hij wilde oplichten om zichzelf te..."
Het gezang was verstomd, het lied geëindigd, maar de gedachten
aan zelfmoord, aan levensmoeheid bij den eenzame hadden plaats gemaakt
voor een diepen weemoed, die niet van zoetheid vrij was.
Hij dacht aan voorheen, toen hij nog bidden kon, toen hij zoo vast vertrouwde
op den Vader, die hem, den vaderlooze, beschermen zou; dat was lang,
zeer lang geleden.
Daarna was er veel gebeurd; maar toch leefde dat vertrouwen, dat geloof
nog in 't diepste van zijn hart en een gezang uit zijn kinderjaren was
voldoende om de sluimerende vonk op te wekken en hem de lessen zijner
moeder te doen herdenken.
"Niets meer voor mij te doen, niets, nu ik geen gelegenheid heb
om de taak, waarvoor ik werkte, te eindigen? Heb ik genoeg gezocht naar
de gelegenheid om mijn oude schuld af te doen? Waar is mijn geestkracht
gebleven, waar mijn vaste wil? Val ik weer in mijn oude fout, die ellendige
zwakheid? Neen, zal ik eens van Hem, Dien ik vergat, volledige vergeving
verkrijgen, dan moet ik niet rusten voor ik mijn plicht heb vervuld.
Morgen zal ik zoeken en niet rusten, vóór ik gevonden
heb; en ik had een oogenblik te voren nog de zondige lafheid mijn hand
uit te strekken naar een moordend wapen?"
Hij scheen geheel veranderd, zooals hij nu, hoog opgericht door het
vertrek ging en niemand zou het aan hem gezegd hebben, dat hij eenige
minuten te voren ter aarde gebogen was, door de wreedste aller kwalen:
levensmoeheid.
"Geluk, ik zocht naar geluk," mompelde hij verder, "heb
ik dan nog wel recht op geluk? Heb ik mijn recht daarop niet verbeurd?
Anderen kunnen werken om die schoonen droom, waarnaar we allen jagen,
meer of minder tot waarheid te maken. Mijn levensdoel is anders, ik
ben een.... O Mijn God, waarom is het verleden niet uit te wisschen,
zelfs niet door een leven vol ontberingen arbeid! Maar ik zal voor goed
afgerekend hebben met het verledene, als ik dien plicht heb vervuld,
als de hand van dien eerlijken man de mijne gedrukt heeft, met de verklaring
dat de schuld is afgedaan. Misschien mag ik dan nog wel denken
[26:]
aan mijn eigen
toekomst, misschien kan ik die nog eenigszins verzoeten, misschien!"
Hij schudde glimlachend het hoofd.
"Hoe dwaas! wat eenige woorden op zingenden toon uitgesproken een
man van ondervinding kunnen storen in zijn gedachtenloop! Ben ik nog
dezelfde wanhopende mijmeraar van zooeven? lk ben veranderd en aan wie
heb ik het te danken? Niet aan de dochter van mijn hospita; misschien
aan mijn beschermeling; van een paar weken geleden, aan dat eenvoudige
meisje, dat aan de groote stad verweet, de reine sneeuw te bevlekken?
Ik moet weten, wie de zangeres is en zal morgen aan mijn onderbuurvrouw
een bezoek brengen; dit is toch burenplicht."