XVIII.
Er ging bepaald iets vreemds om in Idée. Juffrouw Josephine zag haar somtijds verwonderd aan; dikwijls betrapte zij het meisje er op dat zij haar onderzoekend aanstaarde en zoodra zij merkte dat Josephine het voelde, keerde zij 't hoofd om en werd vuurrood.
[128:]
Zij zat dikwijls
genoeg over haar boeken te suffen en schrikte op als er iemand binnen
kwam.
Eens kwam zij bij Josephine, die vlug en reê als altijd, bezig
was den ontbijtboel klaar te zetten en onderhand 't een en ander afwaschte.
"Mag ik dat van u leeren, juffrouw?"
Josephihe lachte.
"Jij kopjes wasschen? Is dat nu iets voor een candidaat in de klassieke
talen?"
Idée lachte verlegen.
"Een meisje moet dat immers ook kunnen."
"Dan ben je zoo goed niet af als je mannencollega's, daar vergt
niemand het van."
"Ik wou zoo graag - zoo graag "
"Nu wat dan?"
"Meisjesachtige dingen leeren. Naaien, koken, de boel in orde houden."
"Kousen stoppen, verstellen?"
"Ja, ik zou alles willen kennen wat u kent."
Haar stem klonk ernstig, bijna heftig.
"En waarom dan? Om mij te kunnen missen?"
Josephine vroeg het schertsend, maar Idée scheen de scherts niet
op te merken.
"Dat weet u beter. - Wij waren zoo ongelukkig, dat herinnert u
zich wel, vóór dat u kwam en vooral Vader ontbrak het
aan zoo veel. Ik voelde het en ik kon 't hem niet geven. o het was zoo
hard hem te zien ontberen."
"Maar kindjelief! Dat was toch zijn eigen wil."
"Och wij Indischen zijn zoo onbehouwen als wij pas in Holland komen.
Wij zien tegen de soesa op en behelpen ons dan liever, maar ik zou nu
zoo graag een flinke huisvrouw worden."
"En zou je Pa dat goedvinden?"
Idée kleurde, maar antwoordde niet.
"Hij, voor wien je wetenschappelijke loopbaan alles is, zou het
mij nooit vergeven als ik je leerde koken
[129:]
en kopjes wasschen
en kousen stoppen. Daarvoor moet je je vader te goed kennen."
Josephine merkte dat Idée meer op 't hart had, maar het niet
kon of wilde uiten.
"Juffrouw," begon ze na een poos weer, "vindt u Vader
niet veranderd?"
"Veranderd, hoe bedoel je dat?"
Josephine haalde juist het koffieblad uit de kast en Idée kon
haar gezicht dus niet zien.
"Hij is veel spraakzamer en levendiger geworden en toont meer plezier
in gewone dingen. Zelfs kan 't hem nu plezier doen wat hij te eten krijgt."
Josephine lachte wat gedwongen.
"Wel, een bewijs dat het eten hem smaakt."
"En dan - en dan. . ." haar stem stokte telkens; "'t
is of het Vader niet meer zooveel schelen kan of ik hard studeer."
"Vader is geruster nu je je candidaats hebt gedaan, zou ik denken."
"O neen! Vader haast mij niet meer zooals vroeger. Hij kon 't vroeger
niet aanzien als ik een oogenblikje niet studeerde; altijd jaagde hij
mij achterna. . ."
"Vervelend voor je!"
"Ja, dat dacht ik toen ook, maar nu - nu wou ik dat Papa het weer
deed."
Die laatste woorden kwamen er met moeite uit; Idée's gezichtje
gloeide, haar oogen stonden vol tranen, haar lippen trilden.
"Idée, wat scheelt je?"
"Niets, niets! o ik ben zoo ongelukkig, ik kan mijn gevoelens niet
verbergen, ik... kan het toch niet zeggen, vooral u niet. . ."
"Maar waarom juist mij niet?"
"Omdat die verandering door u is gekomen, door dat u alles zoo
gezellig, zoo prettig heeft gemaakt rondom ons en nu . . ."
[130:]
Zij snikte het
uit, maar streek snel de wilde tranen uit het gezicht.
"Ik moest het niet zeggen, ik moest het niet zeggen, 't is zoo
dom, zoo dom - maar o, 't knijpt me al zoo lang daar. Ik heb geprobeerd
mij te verzetten, ik heb voor die arme menschen gezorgd, ik dacht: dat
zal 't misschien wegnemen. . ."
"Wat wegnemen?"
"Dat nare leege gevoel, hier! Maar 't helpt niets, 't blijft er
altijd."
"Ik begrijp je niet."
"En ik kan 't ook niet uitleggen, 't is zoo wonderlijk, 't is uw
schuld niet, juffrouw Josephine, of eigenlijk is 't wel uw scbuld, maar
toch kan en mag ik 't u niet verwijten, ik moest u er voor danken."
Erbarmelijk schreiend drukte zij het gezicht in haar beide handen.
Josephine stond radeloos.
"Maar waarom ben je zoo bedroefd? Daar heb je toch geen reden voor.
Je bent toch geen kind meer dat maar huilt voor zijn plezier."
"Ik ben zoo bedroefd omdat - omdat mijn vader mij niet meer noodig
heeft voor zijn geluk."
"Wat zeg je? Jou niet meer noodig hebben. Hoe kom je daar aan?
Wie vertelt je dat ?"
"Ik heb 't al lang gevoeld, maar nu weet ik 't." "En
hoe dan?"
"Ik weet 't het en u weet het ook! Ik ben niet jaloersch op u -
O neen, ik ben u dankbaar - maar ik weet dat u op 't oogenblik meer
doet voor Vaders geluk dan ik."
"Kind! Dat is onzin. Je bent overspannen."
"Neen, neen! Ik weet beel goed wat ik zeg. Vroeger was Pa reeds
meer dan tevreden als ik goed studeerde - als wij samen lazen en vertaalden
en over alles spraken - o die heerlijke jaren in Indië, toen was
alles zoo'n genot, met hem praten en bij hem
[131:]
leeren - toen gingen
wij naar Holland en ik kwam aan de Akademie, daar begon de studie mij
een beetje te vervelen."
"Natuurlijk omdat je andere dingen zag en hoorde en meer menschen
sprak."
"'t Ging alles nog totdat wij in de Kreeft logeerden en na dien
tijd is alles anders, heel anders geworden."
"Maar wie is daar nu oorzaak van?"
"O van alles, mijn kennismaking met jonge meisjes en jongelui,
de dood van Baboe, uw komst hier; uw handigheid - ik weet niet, alles
wat u voor Vader en mij doet!"
"Ik dacht dat ik jullie goed deed, ik heb er mijn best voor gedaan
en ik begrijp niet dat je er door aan 't huilen raakt."
"U weet, ik ben zoo'n raar schepsel. Ik hoor op ons eiland thuis
en niet onder beschaafde menschen, in een hollandsch interieur."
"Men zou 't haast zeggen als men je hoorde."
"Kan u er niet in komen, wat ik voel?"
"Jawel, een beetje begin ik te begrijpen. Zal ik je zeggen, waar
je de schoen wringt. Je bent jaloersch, niets anders."
"Jaloersch! O foei juffrouw Josephine, dat meent u niet. Jaloersch
is zoo iets leelijks."
"En dat ben je toch, zonder het te weten misschien! Je kunt niet
verdragen dat ik het je vader aangenaam en gezellig maak, dat bij zich
begint te wennen aan hollandsche gezelligheid en hollandsch leven, dat
hij niet meer een indische - een indische. . ."
"Wildeman is!"
"Dat zou ik niet zeggen, maar 't heeft er iets van. Je vader was
zonderling, eigenaardig, niet het minst in zijn opdrijven van jou geleerdheid.
En nu hij veranderd is ten zijnen gunste, nu hij weer mensch wordt,
vindt zijn dochtertje dat niet goed, en huilt er om."
[132:]
"O neen, daarom
niet!"
"Ik moet zeggen dat je wel de ware, zelfopofferende liefde, de
echte vrouwelijke liefde bezit. Neen, Idée, je houdt niet van
je vader; je bent zelfzuchtig en dat had ik niet van je gedacht."
"Wat is u streng!" huilde zij hartverscheurend.
"Als men u hoort, is er niets goeds in mij. Ik ben jaloersch, zelfzuchtig,
onverstandig. O wat voel ik mij ongelukkig! Waarom ben ik geen gewoon
meisje? Waarom kan ik voor mijn vader niet doen wat u doet?"
"En dan kon ik heengaan?"
"Ik zal 't nooit leeren, al doe ik ook zoo mijn best," verklaarde
zij zoo nederig, dat Josephine diep medelijden met haar kreeg - "en
dat maakt mij zoo bedroefd, anders niets. Is dat egoisme, juffrouw Josephine?
Dat had ik nooit gedacht."
"Jij wil je vader voor je alleen hebben, je kunt niet velen dat
hij anderen waardeert."
"Ik zal 't misschien leeren," zuchtte zij haast onhoorbaar,
"ik was het niet gewoon en 't komt mij dus vreemd voor. Vroeger
durfde ik mijn boeken niet verlaten, omdat Vader het niet wilde, al
verveelden zij mij nog zoo, en nu - nu - zou ik alles willen doen wat
u doet, omdat hij 't niet meer missen kan."
"En als hij 't niet goedvindt. . ."
"Dan - dan - ja dan weet ik het niet."
"Vraag het hem maar eens, wat hij liever wil een dochter, die zijn
kousen maast en zijn eten kookt of wel die Doctor is in de Oude en Nieuwe
talen. Van 't eene soort gaan er dertien op een dozijn, het tweede te
worden kan nog niet een meisje op de tien duizend."
"Ik heb toch wel gehoord dat er geleerde vrouwen te veel zijn,
maar huishoudsters niet. Toch zal ik altijd, al is mujn wil nog zoo
goed een kruk blijven, in 't huishouden."
[133:]
"En anders
de glorie van je land!"
"Als u wist hoe koud mij dat laat! - zoo ik er niemand mee gelukkig
kan maken."
De heer Sonerius kwam juist binnen en nu trof het ook Josephine hoe
goed en opgewekt hij er uitzag; bovendien keurig gekleed en met een
gezonden tint.
"Dag dames! Hoe gaat het? Een gezellig morgentje gehad? De koffie,
klaar? Ik rook ze al op den gang. Of ik een kopje vooruit wil hebben?
- Heel graag! -Jij niet Idée? Kom kind, je moet het goeie van
de aarde wat meer leeren genieten. Altijd hoog denken maakt den mensch
flauw."
Idée deed haar best te lachen, maar het gelukte haar niet.
"Vader! zeide zij, "zal ik een vrijen cursus, in oostersche
literatuurgeschiedenis van Professor X bijwonen? Wat dunkt u er van?"
"Ik geloof, dat je je te veel vermoeit. Juffrouw Kleiberg, - waar
is ze?"
Josepbine kwam binnen met een kliekje opgewarmde zuurkool, die een pittige
lucht in den neus van mijnheer joeg.
"Riep u mij, mijngeer?"
"Ja, ik wou u vragen, of u niet vindt dat Idée zich veel
te druk maakt. Zij ziet er slecht uit, zulke roode randjes om de oogen
alsof zij gehuild heeft. Wat heeft u daar, zuurkool, heerlijk! 't Is
of het den volgenden dag nog lekkerder smaakt dan den eerste, er gaat
niets boven hollandsche kost. - Wat zei ik daar ook weer? O ja. Idée
moet het wat kalmer aanleggen met haar studiën, zij is nog zoo
jong. . ."
"Dat heb ik altijd gezegd, mijnheer."
"Heel verstandig van u. U moet wat met haar wandelen, met haar
uitgaan, naar de komedie of naar Tivoli. Wat zou u zeggen, nu de lente
al zoo nadert eens een dagje naar Den Haag of Arnhem?"
[134:]
"Dan verzuim
ik zooveel, Vader!"
"Nu ja, wat je aan geleerdheid verliest dat win je aan gezondheid
en levenslust. Een mensch is niet alleen op de wereld om te jakkeren."
"Vroeger dacht u zoo niet. . ."
"Men is nooit te oud om verstandig te worden en te leeren."
Hij at met smaak het kliekje op en roemde de heerlijke koffie.
"Zoo heb ik ze zelfs in Indië nooit gedronken,"
verklaarde bij en dwong Idée om ook te eten, maar zij had geen
eetlust; alles kropte haar in de keel.
Josephine trachtte gewoon te doen, maar of zij wilde of niet, zij was
geheel onder den indruk van het gesprek van zóó straks.
Toen zij weer alleen waren, zeide zij tot Idée:
"Hoor eens, Idée, ik heb goed nagedacht, over wat je mij
zooeven zeide en nu geloof ik, dat ik het wel onder woorden kan brengen
wat je eigenlijk bedoelt."
"Zou u dat weten?"
"Ja, ik geloof 't wel. Jij kunt het niet goed verdragen dat ik
hier het werk doe wat eigenlijk aan de dochter des huizes toekomt. Je
vindt dat het jou plicht is en zou 't willen kennen opdat je mij dan
niet meer noodig hebt."
"Foei, zegt u dat niet," en Idée vloog Josephine om
den hals en kuste haar hartelijk, "dat moet u niet denken, ik ben
u zoo dankbaar. Alleen zal ik 't nooit kunnen wat u doet. Ik weet zelfs
niet of ik het ooit zal leeren, evenmin als ik dansen en fietsen en
schaatsen kan leeren. Ik ben zoo dom."
"In die dingen althans."
"Och dat andere, reken ik zoo bitter weinig, 't heeft alleen waarde
voor mij, omdat Vader er zoo aan hechtte, maar nu hij er onverschilliger
voor wordt, nu is ook voor mij de prikkel weg."
"Ik heb nu wat bedacht Idée, ik zal je alles leeren
[135:]
wat ik zelf ken;
je bent intelligent en verstand dient ons in alles. Dus moet je je toeleggen
op allerlei huishoudelijke dingen, en zoodra ik zie dat je er je in
gewerkt hebt en ik het aan je kan overlaten, ga ik heen."
"O neen! Dat wil ik niet!"
"Ik zal het moeten doen. Wanneer je werkelijk je plaats wilt innemen
in het huis van je vader, dan moet je je studies laten varen en ernstig
je toeleggen op de taak van huisvrouw."
Bedremmeld zag Idée haar aan.
"Zoo bedoelde ik het niet," stotterde zij.
"Je bedoelde het wel, maar wist het niet. 't Is kiezen of deelen.
Of je gaat door met je hoogere studiën en laat mij het huiswerk
over of je laat ze varen en wordt een gewoon meisje."
"Dat is mij ondenkbaar zuchtte zij, en Vader?"
"Dien moet ik je ook raadplegen. Dus denk nu maar ernstig na."
"Zou u dat Papa niet willen zeggen?"
"Wat hem gelukkiger maakt dat ik hem zijn leven veraangenaam zooals
u dat nu doet - Maar och neen! Dat zal ik niet kunnen - al leer ik ook
tien jaar. Het moet maar blijven zooveel 't is juffrouw Josephine, ik
zal mijn best doen er mij in te schikken, als dat akelige leege gevoel
in mij maar wegging. Die letters maken mij zoo duizelig."
Josephine zag haar medelijdend aan. Arm kind. Zij was uit haar sfeer
gerukt en nu liet de natuur haar rechten gelden, haar natuur van liefhebbende,
teere vrouw.
"'t Is of het steenen zijn in plaats van brood. Ik voel zoo'n geestelijken
honger en geen boeken kunnen mij verzadigen."