Veertien dagen bleef
Willem Oudelink weg. En hij kwam thuis, onverwacht, om zijn vrouw des
te meer te kunnen verrassen met den "zak vol prettig nieuws"
die hij meebracht. Hij liet den reiswagen vóór bij het
hek stilhouden, liep den voortuin door, de trap van de voorgalerij op
en op de teenen ging hij door de binnengalerij. Bij het schutsel voor
de deur van de achtergaleij bleef hij staan, gluurde er om heen...,
toen fronsde hij de wenkbrauwen: droomde hij, waren de oude tijden teruggekeerd!
Bij de etenstafel stond de oude welbekende hooge kinderstoel en daarin
een teer broodmager bleek kindje... maar niet vlasblond, zooals de arme
Njotoje was geweest. En even als vroeger, voerde zijn vrouw het kind
de rijstpap. Daar was in dat tafereeltje alleen dut verschil: als de
lepel het mondje van het kind naderde werd hij niet afgewezen zooals
vroeger bij Njootje, maar dit kind hapte er in met den gragen gezonden
eetlust, herstellenden eigen. Marie kon nooit vlug genoeg den lepel
weer vullen.
"Vrouw!"
"Wim... ! Jij...! Hoe heerlijk!"
Met een kreet vloog zij op, wierp den paplepel neer in het bord, stralend
van blijdschap kwam zij hem tegemoet. Hij staarde haar verbaasd aan,
hoe vroolijk, hoe goed zag zij er uit. Zij had weer een van haar geborduurde
kabaais aan en de haren keurig gekapt.
"Man, heerlijk dat je eindelijk terug bent! Het was zoo stil zonder
jou!"
"A la bonne heure! Je heer en meester heeft dan toch nog eenige
verdienste...! Je ziet er, goddank, patent uit en ik behoef niet te
vragen hoe het die jonge spreeuw daar gaat!"
Hij wees naar het kind in de tafelstoel, dat nu zonder toezicht, leukweg
de nassie-tim pot naar zich had toegetrokken en met haar lepeltje daarin
begon te visschen naar de kippenkluif, haar liefste hapje.
Marie lachte: "O, ze is niet te verzadigen! Ik heb wat spul met
haar gehad, de eerste dagen, toen de eetlust terugkwam en zij dreinde
en schreeuwde van den honger, terwijl de dokter nog de grootste voorzichtigheid
had aangeraden. Nu kan het echt geen kwaad meer... en zij eet... heerlijk,
zoo echt jong en gezond!"
"Zoo, dus ze is helemaal beter?"
"O, zeker, alleen maar nog wat voorzichtigheid tot ze geheel is
aangesterkt."
"Zoveel te beter, je hebt deze nieuwe plicht en zorg kranig er
af gebracht. Nu, dat is maar goed ook, want... zeg... vrouw! Tanah Kaja
zit nu in mijn zak!" Hij sloeg zich op den borstzak van zijn wit
jasje en hij grinnikte van blijdschap±
"Regel de vendutie, pak je koffers, meidlief!" riep hij opgewonden
"Volgende maand gaan wij de reis om de wereld aanvangen Singapore,
Hongkon, Japan, Amerika... je weet er alles van!" Weer sloeg hij
zich op den bortszak :"Het kan er af hoor...! Zeg, en je moet maar
eens gauw schrijven naar die mevrouw, op Batavia, de zuster van je schoolkennis,
over de plaatsing van het kind in het Parapatan weeshuis, dan kun-je
zelf haar daar afleveren, als wij Batavia als eerste halte op de wereldreis
aandoen!"
Marie, met een kleur als vuur, zag half ernstig, half lachend, van haar
opgewonden man naar het kind in de tafelstoel, dat rustig zich te goed
deed. Haar hart popelde wel, nu zij den beslissenden slag ging slaan:
"Neen, Wim, ik denk niet dat ik er toe komen kan dien brief te
schrijven, en veel minder nog, het kind achter te laten in zoo'n groot
gesticht en dan weg te gaan... voor goed! En Wim... zoo´n lange
reis met een kind van nog geen vier jaar... zal ook niet gaan, vrees
ik!"
"Marie... je wilt toch niet... maar dat is onmogelijk!"
"Waarom, Wim, als ons eigen kind was blijven leven, waren wij toch
ook met z'n drieën geweest!"
Wim sloeg zijn oogen ten hemel, de handen in elkaar: "Hoor me nu
die vrouwelijke logica! Als ons kind was blijven leven, waren wij natuurlijk
via Genua naar Holland vertrokken, maar nu wij twee vrije menschen zijn
geworden, zonder zorgen...!"
"Ja juist! O, Wim, dat zorgelooze is juist zoo vreeselijk! Mijn
armen zijn zoo leeg geworden..:!" zei ze hartstochtelijk de armen
uitbreidend. "En ik heb een dubbel recht op dit kind! Het staat
nu geheel alleen op de wereld en haar moeder gaf haar mij als petekind,
en ik heb het van den dood gered... O, ik weet wel, het is niet mijn
eigen teere zwakke lieveling, waaraan ik verknocht was, juist om zijn
hulpbehoevendheid..., dit bezit
[805:]
zal anders zijn...,
maar toch beter dan niets, ik kan die kinderleegte om mij heen niet
verdragen, Wim...!"
"Mammie...!" Het kind in de tafelstoel, verzadigd, strekte
de armpjes uit naar haar verzorgster. Marie ijlde op haar toe, tilde
haar uit de stoel:
"Nu moet Marietje zoet gaan slapen, hè schat!"
"Mammie dan eerst vertellen van Njootjie=" dwong "Marietje"
lief, beide armpjes om den hals van Marie.
"Ja, van arme lieve Njootje, die niet praten kon en niet loopen...,
maar die nu in den hemel van Onzen Lieven Heer een heel lief stemmetje
en een gezond lichaampje heeft gekregen. Hij kan nu loopen, zoo vlug...
zóó vlug... als Marietje eens!"
Het kind vertoonde in een vroolijke lach haar witte tandjes:"Ja,
hè, mammie, en dan wil hij spelen met Nonnie en dan hij roepen:"Eh...
eh... eh...!"
En het kind op Marie's arm zichoverbuigend, graaide met de slappe vingertjes,
meesterlijk stem en gebraren van het wezenlooze ventje nabootsend.
"Ja, schat, Mammie en Marietje, dan waren de eenige die van Njootje
hielden..." En Marie drukte een kus op het mondje van het kindm
dat zij naar binnen droeg om het te bed te brengen.
Wim stond verbluft het scènetje aan te zien, de baardige kind
in de hand.
"Hm...!" stootte hi jeindelijk uit: zijn blik vloog naar de
bendyzweep die nog altijd aan dezelfden spijker hing, vlak naast de
divan, en daarop oogde hij de gestalte na van zijn vrouw, zooals zij
daar ging naar binnen, op haar arm het kind, dat me tbeide armpjes om
Marie´s hals, het donkere kopje aanvleide tegen het blonde hoofd
avn haar nieuwe "Mammie!
"Hm, leer vrouwen nu ooit begrijpen...! Enfin, dan maar via Genua!"