VII.
Maar Mientje was
nog veel meer over neefs engelachtigheid verrukt en verbaasd toen hij
om twee uur kwam, gevolgd door twee baboes Alima en Fatima, die elk
een reusachtige doos met zwart zeildoeken deksel aan een riem vasthielden
en die in de kamer neerzetten.
Op een teeken van hun meester verdwenen ze als
[45:]
schimmen en hurkten
geduldig neer in de keuken, schoon Jans hun wel tienmaal in het Hollandsch
(dat ze niet verstonden) te kennen gaf, dat er stoelen waren om op te
zitten.
"Kijk eens grootvader en grootmoeder en Mientje, wat ik hier heb,
of liever raad eens?"
Ze konden het niet raden en daarom zei hij het maar. Het waren hoeden
en mantels voor Mientje, op zicht. "Maar ze heeft niets noodig!"
riep grootmoeder.
"Jawel grootmoeder, eigenlijk wél!" riep Mientje, rood
en bleek wordend, en neef aanbiddend aanziend. Neef knikte haar maar
weer vriendelijk toe. "Ga eens zitten, met je rug naar mij gekeerd,
Mientje." Mientje deed 't. Had hij haar bevolen op heur hoofd te
gaan staan, zou ze het eveneens gedaan hebben. "Is me dat een kapsel,
bah! En ze heeft p ra c h t i g haar! Je hadt mijn vrouwtje moeten gekapt
zien en mijn schoonzusters te Batavia. Gauw weg met dien leelijke knoedel!"
Dit zeggende trok hij al de dikke, groote haarspelden, ongeveer twee
dozijn, waarmee de knoedel in elkaar was gemetseld, er uit en het prachtige,
dikke haar golfde welig over Mientjes rug. "Ja, dat is mooi!"
betuigde grootvader, die het haar nooit uit elkaar gezien had, "maar
zóó kan ze 't toch niet dragen." "Neen zoo niet,
maar los, chique, volgens de nieuwste mode. Ga jij maar eens naar boven,
Mientje en kom gemetamorphoseerd terug, ja? Maar laat die scheiding
en de geplaktheid achterwege. Sluit een meisje op in een onderaardschen
kerker en ze zal heur haar volgens de mode weten te doen, dus jij kunt
't ook. Nu vooruit maar!" Blozend liep Mientje
[46:]
weg om tien minuten
later sierlijk gekapt te voorschijn te komen. "Kijk eens aan, brani,
hoor!" riep neef. "Je hebt je best gedaan. Hoe vinden de grootouders
't ?"
Nu zij konden niet anders zeggen dan dat ze 't mooi vonden, en ze kregen
een ferm standje van neef, dat ze Mientje zoo leelijk gekleed en gekapt
lieten gaan. Pas nu eens een mooi hoedje op!" voegde neef er bij.
"Neen, geen zwart", neerknielend bij de open doos. "Een
donkerblauwtje."
Mientje zette het bevend van vreugde op, en allen schreeuwden het uit,
zoo lief stond 't haar. Jans stond de glazen in de keuken te zeemen,
maar Dammers trok haar van de trapleer, en zij moest mee komen om te
kijken. "I s ze dat!" riep ze, "gunst, ze is een d a
m e!"
"Dat is ze ook, ja? Geen kind uit een gesticht!" riep neef,
die dikwijls een stoet weesmeisjes zijn hotelraam zag passeeren, en
er dan innig mee te doen had. "Nu een mantel ook, ja?"
De mantel werd ook aangedaan en het bruine laken kleedde uitstekend
bij het blauw fluweelen hoedje.
Grootvader en grootmoeder liepen opgetogen om Mientje rond en Mientje
had wel willen dansen.
"Wat zullen de buren zeggen?" riep de oude dame.
Maar het kon Mientje niets schelen, al schreeuwde de heele stad er wraak
over.
"Bedank me nu eens!" zei Dammers, haar verrukt om en om draaiend.
"Lieve neef, ik dank u duizendmaal!" en ze drukte hem de handen.
"Ja maar dat gaat zoo niet!" riep de Indiër en hij wilde
Mientje naloopen om een kus, maar zij
[47:]
smeekte zoo hartroerend
om genade, dat hij van dit plan maar afzag.
"Als wij nu nog een nieuwe japon voor haar hebben, kunnen we onze
engagementsvisites gaan maken!" juichte hij. "Ja, Mientje?"
"Neef!" stamelde Mientje, die niet recht wist of hij háár
wel bedoelde.
"Neef!!"" riep grootmoeder ontzet.
"Neef!!" knirpte grootvader verschrikt.
"Neef!!" gilde Jans, want Jans wist niet wat ze zei.
"Niet zoo'n soesah maken, hè? 't Ligt in de rede, dat Mientje
eens trouwt. De dominee mag ons huwelijk inzegenen, ja? En Mientje zal
een lief moedertje voor mijn kinderen zijn. Mag ik haar hebben? Wat
zegt Mientje?" hij nam haar gezicht tusschen zijn twee handen.
Mientje zette alle bedeesdheid aan kant, haar levensgeluk stond op het
spel en ferm en duidelijk zei ze: "Ja neef!"
Toen bukte neef zich. . . en Jans keerde zich maar om. . . 't Was anders
zoo naar voor 't schaap.
De grootouders wilden nog wat zeggen, maar neef legde hun het zwijgen
op: "Bent u zélf niet getrouwd, hè? Ja? O, dan heeft
u niets te zeggen als een ander het ook wil doen. Sedert den dood van
mijn vrouwtje heb ik een naar, eenzaam leven geleid, en nu viel 't me
dadelijk op hoe lief Mientje voor mijn kleintjes was en dat ik haar
nog gelukkig zou kunnen maken, nadat ze 't hier alles behalve pleizierig
heeft gehad, soeda!"
"Ja dat wéten we nu!" bromde grootvader, maar
[48:]
neef schudde hem
en grootmoeder zoo hartelijk de hand, dat hij niet meer brommen kón.
Toen kuste neef Jans en Mientje en grootmoeder, en gingen hij en Mientje
en de oudjes huizen zien, en ze vonden een aardige woning, half villa,
half heerenhuis, die neef voor een jaar huurde.
"En dan gaat Mientje naar 't apenland?" klaagde grootmoeder.
"Ja, dat doet ze, en wij nemen de twee jongste kleuters mee. Piet
en Albert blijven hier, gaan bij den directeur van hun school in den
kost, en zijn in de vacantie bij u. Mag dat?"
"Ja, zeker!" riep grootvader, en grootmoeder riep het ook.
"Wij trouwen over drie maanden, want zoo lang geëngageerd
te zijn is vervelend!" besloot de haastiggebakerde Dammers. "We
blijven een jaar hier, en onze huwelijksreis zal naar Parijs en Italië
zijn, hè Mien? En om de drie jaar komen we eens naar Holland,
soeda!"
"Ik begrijp niet, dat er zooveel geluk op aarde bestaat!"
zei Mientje, zijn hand grijpend.
De heele stad Ramsdijk keek de oogen uit toen Mientje gearmd met haar
neef de nauwe straten doorwandelde, en de vriendinnen staarden zich
bijna blind op de verlovingskaarten met niets anders dan: Wilhelmina
van Duren ter rechter, James Dammers ter linkerzijde en "verloofd"
er onder in heel kleine lettertjes.