[107:] XII.
Ze kwam terug van
het kerkhof. . . .
Haar afscheidsgang. . . .
Want straks ging zij terug naar den Haag. . . .
Wáárheen, en wat verder haar leven zijn zou, wist ze niet.
. . .
Maar hier kon ze niet blijven; om hem niet - - -
. . . . Bij 't graf van haar jongen, tusschen de dooden, was het heel
stil in haar geworden. . . .
Ze zag nu, dat ze wreed geweest was tegen hem, die 't niet helpen kon.
[107:]
Niemand kon eigenlijk
óóit iets helpen. . . .!
Het leven deed het je aan! - Het geheimzinnige, wreede, wonderbare leven.
. . .
Het gaf je liefde. . . . en het nam je liefde. . . .
Het deed je leifhebben, die 't niet waard zijn. . . . en deed je onverschillug
blijven voor die liefde verdienen. . . .!
. . . .En op het kerkhof is rust! . . . .
En 't leek haar, dat Hellmund, die daar nu sliep, onbekend met zonde
en schande en schuld en leed, het beste deel had gekozen, en gelukkig
was. . . .!
En 't leek haar dat ze hem, 't kind van den vader die haar zóóveel
had doen lijden, 't kind met het beminnelijke, maar óók
met het gevaarlijke van dien vader, het vroege heengaan niet moest misgunnen.
. . .!
[108:]
Nu betreurde ze
hem, met tranen alléen-om-den-dood . . . . !
Maar, o, als het leven haar straks gedwongen had tranen om hem te storten.
. . . tranen, als die zijn vader haar eens had afgeperst, . . .. zijn
vader, dien ze toch had liefgehad. . . . !
"O, liever de dood, dan het herleven van zulk een verleden, dan
de opstanding. van den geliefden man, in een zoon, die zijn gebreken,
zijn zonden, deed vóórtleven wellicht. . . . ! "
Tusschen de graven leek het leven haar zoo ver-af, de dood zoo dicht-bij.
. . . !
Nu had ze eerst recht afgerekend met het leven, nu de toekomst dood
was in Hellmund . . . . !
Nu maar wachten, in kalm afwachten tot ook haar einde kwam! Wat goed-doen,
[109:]
wat licht-verspreiden,
wat liefde-geven. . . . een héél klein vlammetje zijn,
dat warmte gaf aan haar naasten, aan Fanny, aan "Zus" en de
jongens. . . . een klein verscholen sterretje aan den grooten, grooten
hemel. . . . ."
"En dan. . . .uitgebluscht worden. . . . rusten-mogen "
. . . . . . . . . . . . . .
Ze ging naar zijn kamer, klopte aan... .
"Zus," die bij hem was, sprong verheugd op. Ze dacht, dat
alles weer goed ging worden, dat zij haar ongelijk inzag.
Ze was ook juist bezig geweest haar zwager in dien geest te troosten:
"Je zult zien, het komt nog in orde. Zóó is zij niet,
om zóó maar naar den Haag terug te gaan,
[110:]
zonder je iets
vriendelijks te zeggen. . . . Ze zal juist nu, nu zij alleen is, nog
méér behoefte hebben aan jou. . . . . . Nu staat er niets
meer tusschen jullie. . . ."
"Zie je weI," - zei zij verheugd, - "Daar is zij al,
om met je te spreken!" - -
En de serene uitdruking op het gelaat van Liesbeth scheen als een bevestiging
harer voorspelling.
"Ik kom je vergeving vragen,". . . zei Liesbeth zacht. . .
Onmerkbaar gleed "Zus" de kamer uit. - Die twee waren nu het
best samen-alléén. . . . .
Frits kwam op haar toe "Arm, arm kind; er is niets te vergeven.
. . . "
En hij stak zijn hand uit. . . . ."Ik ben zoo blij, dat ik je weer
helpen mag. . ."
Maar zij schudde het hoofd. . . ."Neen,
[111:]
neen je vergist
je . . . . Dat kan nooit meer. . . .- "
"Ik ben gekomen om je dat te zeggen, vóór ik heenga
voor-goed. . . . Je hadt de vader van mijn kind kunnen worden. . . .
mijn man nooit! Nu mijn kind dood is . . . . ben ik niets meer, de vrouw
in me was allang gestorven, de moeder leefde nog. . . . dat is nu óók
voorbij! . . . . Wil je mij alles vergeven . . . . al mijn harde woorden.
. . .?"
Hij hoorde haar niet eens.. .. Het onherroepelijke van haar willen-hééngaan
pakte hem. . . . " Liesbeth, je méént het niet. .
. . O, je kunt het niet méénen, .. . . je bent nog zoo
jong.. . . je zult weer moeder wezen, van mijn kind, van ons kind .
. . -Ik heb je zoo lief."
Zij weerde af "Ik wil niet. . . . ik wil geen kind van jou. . .
.! Vergeef
[112:]
me Frits, het is
hard wat ik zeg, maar het is zóó! - Jou heb ik nóóit
liefgehad, zóó als dien ander, die me niet wáárd
was. . . . Ik wéét het, sinds ik jou ken, dat hij me niet
wáárd was; en jij wel! Maar ik heb toch jou nóóit
liefgehad, zooals ik 't hem deed, nog doe. . . . Ik ben altijd bang
geweest voor een kind van jou. . . . ik wist altijd, dat ik jouw kind
nooit zou liefhebben later, zooals ik 't Helly deed; . . . . Het was
mijn grootste angst voor ons huwelijk, een mogelijk kind. . . .Maar
Helly had jou héél lief. . . . En Helly had een vader
noodig. . . . En ik dacht soms, dat ik jou wel liefhad een béétje,
wel lief zou kunnen krijgen. . . . om Helly. . . . Vergeef me . . .
! Nu is het uit. . . .!"'
Hij zat met de handen voor de oogen;
[113:]
hij zag wel, dat
ze meende wat ze zei. . . . Hij zag zijn mooie, sterke, trouwe mannenliefde
versmaad, vertrapt. . . . Hij was ééns bedrogen door een
vrouw; thans werd hij door een andere ter-dood-toegewond. . . .
De eerste had hem hard en bitter gemaakt. . . .
De tweede had hij zóó lief, dat hij haar vergaf. . . .
Maar hij bracht geen geluid over zijn lippen. . . . . De tranen rolden
hem zwijgend over de wangen. . . . Hij-óók rekende af
in dit oogenblik met jeugd en toekomstplannen. . . .
"Vergeef me," zei ze nog eens; . . . . En toen, haast onhoorbaar:
"Ik ga. . . .
Hij hoorde een ruischend bewegen van
[114:]
een japon. . .
. een zacht deur-toetrekken. . . .
Hij was alleen.
Het leven lag tusschen hen. . . .voor goed. . . .
Den Haag.
EINDE.