"Niets zal
ons meer scheiden!" had Gérard gezegd in die eerste ure
des wederziens, toen Leonore's, door weenen en aandoening afgebroken
woorden, 't verhaal voltooiden, dat hij uit George's mond had vernomen.
En Leonore had blijde en toch smartelijk geglimlacht bij die verzekering.
Niet scheiden! O, dat zij 't gelooven mocht nu, dat zij 't ook maar
mocht hopen! Doch dat kon zij niet; zij durfde 't Gérard niet
zeggen, dat zij gevoelde, dat zij wist, hoe kort hun hereeniging zou
zijn, hoe spoedig Gods wil de scheiding zou volbrengen die door booze
menschentongen was begonnen.
Hij zag wel, hoe zeer hare krachten waren
[186:]
gesloopt, hoe zij
dag aan dag verminderde, hoe elke opflikkering van leven een grootere
afmatting ten gevolge had; hoe de hoopvolle blos, de heldere oogen telkens
werden opgevolgd door 't doodelijke wit der wangen, hoe de oogen reeds
omsluierd schenen door de nevelen des doods: En toch bleef hij hopen,
hopen als een vertwijfelende, die zich vastgrijpt aan een stroohalm,
als een ter dood veroordeelde, die, het hoofd op 't blok, nog uitziet
naar begenadiging.
Doch dag op dag kwam die wankelende hoop verminderen. Dag op dag werd
Leonore stiller, bleeker en zwakker. Uren lang lag zij sprakeloos, met
gesloten oog en, die zij slechts nu en dan opsloeg om hem liefdevol
aan te zien, of om - als een blinde, zoo weifelend en onzeker, - naar
zijne hand te tasten, die zij dan met beide de hare omklemde.
"Laat Mama komen, spoedig komen!" vroeg ze op een morgen toen
hij haar, zooals in de laatste dagen telkens gebeurd was, naar 't balkon
droeg, waar zij op haar rustbank, lange, stille uren doorbracht, half
sluimerend en uit die droomige stilte slechts ontwakend wanneer Gérard
voor een oogenblik bare zijde verliet.
En de moeder kwam. Met een oogopslag
[187:]
had zij den toestand
harer dochter begrepen. Gérards bleek, radeloos gezicht zeide
haar, dat er geen hoop meer was. Doctor Günther, die verscheidene
keeren daags kwam, doch altijd slechts weinige oogenblikken bleef, zag
er grimmig en verstoord uit, sprak weinig en klaagde dán altijd
over zwakke oogen, enz, die hem noodzaakten telkens den doek te gebruiken.
't Was op een avond tegen tien uur, na een dag die voor de zieke menige
angstige benauwdheid had aangebracht, dat Leonore verzocht om nog eens
op 't balkon gebracht te worden.
"De nachtlucht zal mij geen kwaad meer doen," zeide zij. "en
er komt een stoomboot aan, Gérard, juist als op dien avond toen
gij tot mij terugkeerdet. Ik wil dat nog eens zien
"
Hij voldeed aan haar verzoek: ach, hij wist, hij ook, dat de nachtlucht
of welke lucht ook, er nu niets meer aan af of toe konden doen, dat
hij elk uur er éen gewonnen moest rekenen op den vijand, die
hem die kostbare uren betwistte.
Mevrouw Marston, die veel leed bij 't gezicht van dit in vollen bloei
geknakte leven, was met Günther een wandeling gaan doen
[188:]
langs den rivier-oever,
Gérard en Leonore waren alleen.
"Gérard," fluisterde zij, "laat ons nu God danken
voor Zijne goedheid..."
"God danken? Waarvoor! Dat Hij mij 't geluk terug gaf, enkel om
't mij weer te ontnemen?
"
"Dat Hij onze oogen bij tijds opende, en ons nog die laatste vreedzame,
gelukkige dagen schonk," fluisterde zij weer en strekte de armen
naar hem uit.
Hij knielde neer naast de rustbank en sloot de tengere gestalte der
jonge vrouw in zijne armen. Zij lei de hare om zijn hals, boog het bleeke
gelaat op zijn hoofd neer en sprak zacht en langsaam:
"Ik ben nu zoo gelukkig! Gérard, alleen onze Lili ontbreekt
mij: Doch die zie ik spoedig weer; Gérard, als ik dood ben
"
"Spreek zoo niet, Leonore, zóo niet!. Ik kan u nu niet laten
gaan! Ik kán niet, het hart breekt mij; neen, wij zijn hereenigd,
voor altijd
"Stil; wij scheiden, maar voor een korten tijd, en niet, niet door
menschenhanden, en menschenwetten; slechts de dood, - weet ge nog dat
we 't elkander bezwoeren - slechts de dood kan ons scheiden
"
[189:]
"Stil, spreek
er niet van, stil, mijne Leonore; zoudt ge mij teruggegeven zijn, alleen
om mij zóo weer te verlaten? Neen, niets kan ons scheiden,"
snikt hij.
"Niets, zelfs de dood niet," mompelt zij.
En de lindeboomen suizelen en fluisteren, en de rivier die daarheen
stroomt, ruischt statig en vreedzaam, als wilde ook zij van de vrede
en de rust spreken, die over de twee daar op 't balkon neerdaalden Toen
George Günther en mevrouw Marston terugkeerden, vonden zij de echtgenooten
op 't balkon; de maan scheen helder en verlichtte die vreedzame groep.
Gérard hield, de armen om Leonore geslagen; zij, 't gebogen hoofd
op zijn schouder rustend.
"Zij slapen, geloof ik;" fluisterde de moeder.
"Ja, God zegen hen, zij slapen, voor eeuwig," antwoordt George,
eerbiedig 't hoofd ontblootend voor dat tooneel. "In 't leven gescheiden,
heeft de dood hen vereenigd."