[140:] OP HET KRUISPUNT.
Er liggen bloemen op 't kruispunt, klein bergje van bloemen, witte
melati en roode kembang sepatoe en aaneengeregen geurende Tjempaka.
Schamel hoopje bloemen zijn zij, met twee handen saam te vatten. De
bloemen liggen in het stof, daar waar de wegen samen komen.
Zij liggen juist zoo dat gevaar hen overal bedreigt. Daar op den weg
waar de Tjemara's hun fijn grijs-groen loof doen rijzen, komen de karren
aan met stapels riet beladen, met koeien in het span en kleine naakte
jongens als koetsier. Een lange rij zijn zij, die van 't rietveld keert.
De karren zullen straks het kruispunt naderen en 't bergje bloemen zal
vermorzeld worden, maar zie! zij komen een voor een en een voor een
gaan langs
[141:]
't bloemenbergje zij. Een schelle roep uit jongensmond, een ruk aan het touw dat tot leidsel dient, en iedere koe stapt zijwaarts even en trekt haar kar wat links. De wielen gaan wel dicht langs 't schamel bergje, maar geen bloem of blaadje wordt geraakt. 't Zijn zeven karren en van de laatste de zevende, werpt kleine Sidin vlug een propje neer, een opium strootje, zijn offer aan de goede geesten, die heden nacht als de maan vol is wel zullen komen en de geur der schatten zullen smaken. Sidin's wensch zullen zeker zij vervullen. Het is een groote wensch, niet zoo gemakkelijk te voldoen, denkt Sidin. Zij is, eenmaal naar de groote stad gegaan, die ver ligt achter de suikerrietvelden en fabrieken en dicht bij het groote water, de zee, maar niet om de stad zelve wenscht Sidin dit, het is de reis die hem lokt. De groote reis in den langen zwarten vuurwagen, de trein die iederen dag tweemaal door het land snelt, die hem
[142:]
altijd roept met zijn lange schelle fluit, 's morgens als hij zijn
witte koe spant voor de kar en 's middags als het oog van den dag gelijk
een vurig rood licht gaat branden, laag achter de bergen, die van uit
zijn ouders huisje zichtbaar zijn.
"Ajo!" roept Sidin, zijn witte koe aandrijvend, want hij is
even achter gekomen bij de anderen en zelf staat hij nu recht en fier
als een wagenmenner, het rechterbeen op de voorplank geleund; de oude
slendang van zijn moeder, niets dekkend van het naakte jongenslijf dan
het stukje hals onder de kin, zweeft achter hem aan als een koningsmantel
uit Romeinschen tijd. "Ajo! lekas!"
Het bloemenbergje ligt er nu eenzaam, alleen vermeerderd met het onwelriekend
opium strootje en gehuld in stofwolken der karren.
Dan nadert oude Pabo Kertoh. die van de markt keert met zijn koopwaar
in een bundeltje gedragen op den schouder aan een bamboe. Pah Kertoh's
oud
[143:]
bruin gelaat is half beschaduwd door de ronde fel gekleurde hoed van
bamboe, die de menschen "Toedoen" noemen.
Zijn bovenlijf is naakt, maar een breede zwarte gordel met koperen sluiting
is om zijn middel gesnoerd; hij houdt de korte broek op van donker blauw
katoen, waaruit de magere bruine been en komen, die Pah Kertoh nu kromt,
want ziehij heeft zijn last op den grond gelegd.
Hij hurkt neer; zijn vingers schuiven het kapmes terzijde, dat aan zijn
gordel hangt, zij zoeken naar iets tusschen gordel en lichaam, dan brengt
hij te voorschijn een plukje sirih, nat bekauwd, want lang onder het
gaan heeft Pah Kartoh het als versnapering in den mond gehad, nu is
het des te meer een deel van hem, een gave van hemzelf en hij legt het
neer bij de rij geurende Tjempaka, de witte bloempjes, die aaneengeregen
liggen en offers zijn van een andere onbekende die in den morgen vroeg
voorbij hier kwam. Wie weet van
[144:]
zijn eigen dochter voor wie hij juist zijn offer brengt?
"Dat de goede geesten zich over haar en mij ontfermen, zegt Pah
Kertoh, zacht in zich zeIven. Dat haar hart uitga naar Ketjil en niet
langer naar Wirio, dien slechten man, die Mariam ongelukkig zal maken.
Hier is een sirih- pruimpje opdat mijn wensch vervuld, worde!"
Hij staat op. De last tilt hij weder op den schouder en in het drafje
den Javanen eigen die iets dragen, gaat hij huiswaarts, den weg op die
naar de kampong voert, die reeds te zien is door de hooge klapperboom
en dicht bijeen, als Vogels, die hun vederenkoppen buigen tot elkaar.
Het bloemenbergje ligt daar weder eenzaam, nu vermeerderd met het natte sirih pruimpje. Naar de vier windstreken gaan ver de wegen heen die bij het kruispunt elkander raken - het is er stil, want het is middag en vele men-
[145:]
schen rusten dan. Lang blijft de kleine offerberg alleen en langzaam
zakt de stof, die op de wegen van de gaande voeten opwaait, en langzaam
schijnen de bloemen hun oude kleurtjes te herwinnen. Dan komt er uit
de Tjemara-laan wat volk aan; de menschen keeren weder uit de landen
en fabrieken; het allereerst de vrouwtjes, die met eetwaar in de streken
zitten waar gewerkt wordt.
Zij torsen groote manden op hun ruggen, gebonden door de slendang om
hun borst. Zij loopen krom gebogen, en gaan een voor een en praten met
elkaar, al loopen zij in rijen, de een na d'ander.
Geen tijd is er voor offering. Zij loopen voorbij het kruispunt, achten
niet het bloemenbergje, maar wel raakt geen van haar de offerplaats.
Er komen mannen nu voorbij en jongens, een lange rij van menschen, die
na dagtaak huiswaarts gaan en als zij allen, voorbij zijn, naar Oost
en West of Zuid de wegen hen verspreiden. als grijze stof na hun-
[146:]
nen gang, zacht op zweeft en blijft hangen achter struik en heg, dan
spreidt de zon haar vuur ver aan den horizont waar donker nu de bergen
rijzen, zwaar grijs en blauw. In 't bedehuis wordt er geslagen op het
houten blok als teeken voor 't gebed, dat ieder die gelooft in Allah
bij zonnezinking zegt.
Dan komt uit 't lage huisje van de oude Neneh de jonge Mariam, Kertoh's
dochter. Zij is mooi en slank in haar gebloemd baadje. Haar donker hoofd
heeft zij gebogen, haar handen dragen dicht aaneen gedrukt gekookte
rijst en als zij bukt bij het bloemenoffer, sleept hare soepele slendang,
groen en rood en wit doorweven, even in 't stof.
Bij zonnezinking wil zij offeren voor haren Wirio, den man dien zij
wil volgen tegen vader's zin. Zij doet het alles vlug. Zij prevelt haren
wensch reeds opgericht en tot haar gaan naar huis toe reeds gereed.
Het rood der ondergaande zon vlamt even op haar groen en roode
[147:]
schouder als zij heen gaat in 't fluweelen donker van de kampong, waar
vader wacht.
Het bloemenbergje ligt weer eenzaam nu, vermeerderd met de witte rijst
en de geluiden van den avond drijven over 't offer heen. De vogels ritselen
in de hooge boom en, een uil roept en als alles stil is, trilt weemoedig,
zacht een fluit, uit de nabije kampong.
Nu is het bloemenoffer schier onzichtbaar, want het duister is gevallen.
Wie zal het nu beveiligen? Zal niemand het vertrappen die hier loop
en zal, straks als de blanke menschen wellicht voor genot en tijdverdrijf
de koelte zoeken en zich buiten hunne huizen gaan begeven? Zij hebben
groote wagens die zoo zonder paarden voortsnellen, met sterke ronde
lichten als oogen van den grooten heer in 't bosch, het wilde beest
dat niemand noemt, en onder die wagens komt soms alles
De kleine offerplaats, daar waar de wegen samen komen uit Noord en Zuid
[148:]
en Oost en West, is nu onzichtbaar bijna, want diepe duisternis is
rondom.
Zoo blijft het lang. Langzaam boven de schuin gebogen klapperboomen
breekt nu een licht door. Een blank vlak glanst open achter grijze wolken.
Schitterend hangt 't maanlicht opeens in de blauwzwarte duisternis.
Nu ligt de weg, waar de Tjimara's wuiven, licht en klaar, ver uit heengaande
naar de bergen in hun kleed van grijs. De boom en stijgen hoog op tegen
wit en zwarte luchten en het kruispunt wordt overgoten door satijnen
schijn; het bloemenoffer ligt nu op den weg als een kleine heilige berg.
De witte melati glanst blank, de Tjempaka geurt sterk.
In Neneh's huisje gaat het bruine deurtje open, oude Neneh treedt naar
buiten. In haar gerimpelde handjes houdt zij rood aarden potje, waarin
de zwarte doepa ligt.
Zorgvol draagt zij 't reeds ontstoken offertje naar het kruispunt, daar
valt de
[149:]
schaduw van haar dun figuurtje naast de schaduw der bloemen op den
grond.
Zij prevelt haar gebed tot Allah en de goede geesten. Zij murmelt haar
gebed vier malen naar iedere windstreek en dan plaatst zij het walmende
bakje naast de andere offeranden. Zacht stijgt de rook omhoog van zwarte
doepa.
En Nenéh tuurt. Gaat recht, gansch recht het kleine zuiltje?
of heft het oostwaarts heen juist over 't rood der reeds verflenste
bloemen van de sepatoe?
Komt hij terug of niet? Zal zij hem zien, haar zoon, haar eenige, die
banneling is in ander land, die boet voor een minuut van hartstocht,
toen hij de wraak nam die hem toekwam, naar hij dacht, toen hij met
zijn rentjong stak naar een die hem bedrogen had? De blanken, die de
wet maken, hadden hem verbannen; zij hadden oude Neneh gescheiden van
haar kind. Hoevele malen nog zou Neneh offeren? Het kruispunt van den
weg had tienmaal twaalf keeren haar offerande
[150:]
ontvangen, tien jaren had Neneh geofferd, des avonds als voor de eerste
maal de maan vol was. Tien jaren had haar wierook daar gebrand bij sirih,
vrucht en bloemen van andere menschen.
Het zuiltje gaat omhoog een fijne dunne walm recht als een lelie en
oude Neneh zelve richt zich op; ze is ook recht en fier, klein en oud
maar fier. Door't klare maanlicht gaat zij heen naar 't huisje achter
dichte struik- en pisangstam.
Nu is het stil. Geen mensch is meer te zien langs de vier wegen, die
gaan naar Oost en West en Zuid en Noord.
Hoog heffen de Tjimaraboomen hunne fijne kruinen, hun toppen worden
één met lucht en wolken, die hun spel vol toover spelen
met de blanke maan.
En op de aarde, op de plek, die heilig is, omdat er wegen kruisen, glanst
blank het wit der offerbloemen, 't sirih-pruimpje en het strootje vangen
zelfs den maneschijn. Zij schijnen zoo te hooren bij het bergje van
bloemen, die morgen
[151:]
wellicht minder zullen zijn dan zij, wijl zij verwelken en tot niets vergaan. Maar door den nacht is 't bergje offers heilig als een kleine stille pyramide, die haar geuren wendt naar wonder rijk van ongeziene krachten, ongekende wijsheid die de harten zal vertroosten van treurenden, verlangens zal bevredigen van kinderzielen. De wierookgeur, de geur van bloemenofferanden in 't stof der wegen, ontstijgt eerst als de nacht 't geluid en licht van dag ter ruste legt.