doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Annie Foore: De koloniaal en zijn overste(dl.2)
Den Haag: Thieme, 1879 (eerste dr.1876) (Guldens-Editie no.123)


...
zijn, en dit heerlijk vooruitzicht maakte het goede kind zóó gelukkig, dat ze ook in de meest onzinnige eischen van den heer Bugg trad, en
dezen herhaaldelijk onder lachen en tranen omhelsde.
"O, neef!" riep ze eindelijk, "als het nog eens goed afliep! Maar - 't is, dunkt me, haast al te ingewikkeld! Ik begrijp er ten minste niets van! Weet u, 't is net iets uit eene comedie!"
"Kind," zei Bugg op diep treurigen toon, - "als alle menschen, die comedies maken, zooveel akeligheid hebben te doorstaan als ik gehad heb, vóór ik zoover was dat ik een plan had, - dan mochten ze wel beter betaald worden. Maar enfin! hou je maar goed, kind, en
je wordt mettertijd nog residentsvrouw."
"Hé, neef," zei Kitty, "dat zou te erg zijn! Maar het zal aan mij niet liggen!" Daarvan was neef overtuigd.
Op het dek gekomen, toonde de heer Bugg openlijk, dat hij het gedrag van zijn nichtje zeer afkeurde en diep medelijden gevoelde met den teleurgestelden Halekamp.
Deze was, volgens het bericht van zijn oppasser, ziek, Van Raven vatte onmiddellijk post voor de deur van zijne

[179:]

hut. "Kerel, laat me je toch wat quinine geven! Ik heb gisteravond reeds opgemerkt, dat je in koortsachttige spanning verkeerdet!" . . . . er kwam geen antwoord.
De jongelui bedachten allerlei dwaasheden om den afgewezen minnaar te voorschijn te roepen; maar zelfs een gegil van brand, vlak voor zijne deur aangeheven, kon hem niet uit zijne hut halen. Eindelijk gaven ze het op, en zeker zouden ze dat reeds veel eer gedaan hebben, zoo ze eenig denk~beeld gehad hadden van den treurigen toestand, waarm de beleedigde luItenant op dien dag verkeerde.
Daar lag hij, met het hoofd in de kussens, nu eens bleek van ergernis, dan weer gloeiend van schaamte; voortdurend hevig opgewonden en zeer boos op iedereen, meest nog op zichzelven. Wat hadden ze er hem laten inloopen? Hij begreep nu niet, hoe hij er ooit toe had kunnen komen, hij had er immers nooit aan gedacht háár te vragen! Hij moest dronken geweest zijn, want nuchter vond hij zichzelven eene zoo goede partij, dat hij zich nooit aan zoo iemand als "die juffrouw Stark" zou weggooIen.
Maar dat zou niemand gelooven, als hij het verzekerde.
Het was een feit, onloochenbaar feit, hij had juffrouw Stark gevraagd, - en ze had hem geweigerd.
Hoe was het mogelijk! Nog was hij niet zoo verbaasd over zijne dwaasheid van haar te vragen, als over hare verregaande domheid, hem te bedanken; hem, den mooien Auguste Halekamp! En hij greep naar zijn spiegel en bestudeerde zijn glad, mooi, - maar voor iedere verstandige vrouw, - ondraaglijk gezicht, en troostte zich eindelijk met het denkbeeld" dat Kitty misschien gevreesd had al te veel bij hem af te steken. Maar watmoest ze dom zijn, dat schepsel, en weinig smaak bezitten!
Met dezen troostgrond gewapend, kwam hij den volgenden morgen weer te voorschijn. De dames keken

[180:]

allen voor zich met een nauw bedwingbaar glimlachje, de heeren hielden zich of er niets gebeurd ware, of spraken een vriendelijk woordje; de eenigen, die medelijden gevoelden voor den diep vernederden dandy, waren neef, Bugg en Kitty. Vooral Bugg beschouwde den armen jongen als het rampzalig slachtoffer der door hem gesmede laaghartige plannen, en telkens herhaalde hij tot zichzelven vermaningen als deze:
"Ziedaar, Samuel Bugg, waartoe een man komt, die onder de pantoffel zit. Let op, Samuel Bugg, zoo'n mali is niets heilig! Niets! Zelfs de teederste aandoeningen van het menschelijk hart niet!"
Bugg had zich echter niet zooveel gewetensbezwaren behoeven te maken, want het blauwtje deed Auguste-Halekamp oneindig veel goed, en dat hij later iets minder ondraaglijk werd, was voornamelijk toe te schrijven aan den slag, die op dien bewusten avond aan zijne ijdelheid was toegebracht.
De heer Bugg ging nu onverwijld voort met het uitwerken van het plan, dat hem zooveel hoofdbrekens had gekost. Dien dag, dadelijk na het ontbijt, hervatte hij zijne werkzaamheden. Hij wandelde met Duriau wat op en neer, en deze sprak zeer gemoedelijk over "dat nare geval" met dien armen Halekamp.
"Ja, 't spijt me verduiveld om den jongen, dat hij zoo'n gek figuur maakt; 't spijt me waarachtig! Ofschoon" - voegde hij er als tot zichzelven bij, "hij was toch te dom voor het plan, dat ik met hem had."
"Een plan?" vroeg Duriau nieuwsgierig, "een plan met Halekamp?"
"Ja, eigenlijk niet zoozeer met Halekamp, als met den aanstaanden man van mijn nichtje. Enfin, 't is nu voorbij."
"En u spreekt er misschien liever niet over?" vroeg Duriau, meer en meer verlangend er alles van te weten te komen.

[181:]

"Och neen, 't is geen geheim," zei Bugg nu. "Weet je, 't is deze quaestie. De administrateur, dien ik op mijn land heb, is reeds lang van plan geweest naar Holland te gaan, om eene vrouw te zoeken; hij heeft gewacht op mijne terugkomst en zal nu wel, zoo spoedig mogelijk, vertrekken; ik moet dan natuurlijk een anderen
administrateur hebben.. . ."
"Zoo?" vroeg Duriau, "en zou Halekamp dat geworden zijn?"
"Ja, ik dacht, zoo niet bepaald aan Halekamp, maar och, als je een jongmensch een aandeel in de fabriek belooft, en 'f 400 à 500 's maands, om mee te beginnen; dan kun je ze natuurlijk bij de vleet krijgen. Maar, zooals ik je zeide, ik ben er op gesteld, dat Kitty's man
dat buitenkansje zal ten deel vallen."
"Daar hebt u gelijk in," zei Duriau nadenkend, en toen, na eene lange pauze, vroeg hij: "Dat is zeker maar. . .. een praatje, meneer Bugg, dat u juffrouw Stark f 10,000 mee ten huwelijk geeft?"
"Neen, wis en waarachtig is dat geen praatje! 't Is, dunkt me, al het minste, wat ik voor haar doen kan, het arme kind! Nu, goeden morgen, mijnheer Duriau, ik ga een partijtje maken!" en de heer Bugg ging naar beneden, met innige zelfvoldoening in zijne kleine handjes wrijvend; - hij had zijn werk volbracht voor vandaag.
Ja, en met groot succes. Ginds over de verschansing leunt de heer Duriau met beide handen onder het hoofd, en herhaalt telkens weder halve volzinnen, waarvan deze de meest verstaanbare zijn: f 10,000 als bruidschat! f 400 à 500 's maands, - om mee te beginnen!
Aandeel in de fabriek! Ze is anders maar leelijk... . en ik heb iets tegen die heel blonde vrouwen! Verlietdheid, - nu ja, nonsens! Dat is goed voor menschen met geld, die kunnen er ook nog verliefd bij zijn!
Enfin. Hij was echter niet de man om

[182:]

zich hals over kop in eene moeilijke positie te brengen.
Hij moest goed weten of het de moeite waard was er een blauwtje voor te wagen.
Zoodra zich daartoe eene geschikte gelegenheid voordeed, wendde hij zich tot den heer Vuiste, zooals dat de gewoonte was aan boord van iedereen, die over eene zaak van eenig belang berichten wenschte in te winnen en vroeg dezen naar suikerfabrieken en de kansen, die jongelui hadden om in zulk eene onderneming fortuin te maken.
Het is het spoedigste middel om rijk te worden in Indië," zei Vuiste. Meer en meer opgewonden, vroeg Duriau nu naar de suikerfabriek van den heer Bugg.
"'t Is eene van de mooiste en winstgevende fabrieken van den geheelen Oosthoek, en daar heb ge wat mooie fabrieken! Bugg is millionair."
"Millionair!" riep Duriau verrukt en peinsde: "Dan zou men hem, met zijne goedhartigheid, wel meer kunnen afzetten dan f 10,000."
"Ik hoor," ging Vuiste voort, "dat zijn administrateur naar Holland gaat; nu, er zullen wat liefhebbers zijn voor dat baantje!"
Duriau wist vooreerst genoeg. Hij zat het overige van dien dag berekeningen te maken, vergelijkingen tusschen hetgeen hem wachtte als een onbeduidend koffieboertje met f 100 's maands, (dat waren zijne vooruitzichten) of als de administrateur, aandeelhouder in de fabriek en aangehuwde neef van den heer Bugg.
't Was het ergste, dat juffrouw Stark zoo leelijk was en zoo blond, - de kleine misvormde Duriau had een bijzonder penchant voor donkere vrouwen, met bleeke gezichten en majestueuse figuren, - maar daartegen woog zooveei op, dat hij plotseling besloot maar over dat leelijke en dat blonde heen te stappen, en zoo tegelijkertijd de eerste schrede te doen op den weg, die hem binnen weinige jaren - want hij zou dien ouden Bugg

[183:]

danig exploitéeren, - tot rijkdom en aanzien zou voeren. Met datgene, wat sommige menschen liefde noemen, had hij nooit zeer veel opgehad; schoonheid, nu ja, maar om eene mooie vrouw te hebben, dat was maar last! En Kitty zou eene zuinige huisvrouw zijn
en niet veel pretenties hebben, dat was zeker!
Na lang en ernstig nadenken en tallooze berekeningen richtte de heer Duriau den volgenden morgen, ten negen uur, een briefje aan den heer Bugg, waarin hij dezen heer, zeer deftig en zeer beredeneerd, vroeg om de hand zijner nicht, de door hem (den heer Duriau) hooggeschatte en zeer geachte mejuffrouw Catharina
Stark.
Eene beschrijving te geven van de onvergelijkelijke pret, die de heer Bugg over dit briefje had, eene schildering te beproeven van het tooneel in Kitty's hut, toen neef en nicht een kussen grepen om er te zamen hun hoofd in te verstoppen, opdat hun uitbundig gelach niet in het salon zou worden vernomen, zou onmogelijk zijn, even onmogelijk als de gevoelens van den heer Bugg weer te geven, toen hij een weinig tot bedaren gekomen, geslingerd werd tusschen verrukking over zijne slimheid en knagend naberouw over hetgeen hij zijne laaghartige intriges geliefde te noemen.
"Machiavelli!" zeide hij tot zichzelven, terwijl hij zich gereedmaakte om het laatste bedrijf af te spelen van de comedie, die hij om der wille van den huislijken, vrede speelde, "ellendige Machiavelli, ik veracht je, maar, ik moet bekennen, dat je ze aardig beet hebt!"


vorige pagina | inhoud | vorige pagina