[253:] XXXII.
Ueberdrusz, das ist der nimmer satte
Der wilde Wolf, das die gefrässige
Harpye, Alles niederschlingend, Alle!
Besudelndt.. .. Glücklich wer noch mit dem Aug
Der SehnBucht sieht! wem Frauenschöuheit noch
Ein Ideal ist, nicht die greifbarste
Van allen ird'sehen Raum Ausfüllungen,
Wem als ein Eden noch, als Paradies"
Erscheint - die Sommerlandschaft, Weib genannt.
HAKERLING.
Onder de vele ergernissen, die aan boord van de Elwine gegeven ,- of
genomen - werden, was zeker niet een der minste: de redeneeringen, beweringen,
enz. van het zoogenaamde "jonge Holland".
Er waren eenigen onder de jongelui, die zeer in hun schik schenen, als
men hun den naam van vrijdenkers gaf, die niets aangenamer vonden, dan
wanneer men hun angstig vroeg, wat er van de wereld worden moest, zoodra
hunne denkbeelden het burgerrecht verkregen die gaarne spraken op een
manier, alsof ze met al de ernstige, goede, edele gevoelens, die zoo
velen van ons geslacht- nader gebracht hebben tot het volmaakte, hadden
afgedaan; die handelden, alsof er maar zeer weinig dingen bestonden,
waarvoor ze eerbied gevoelden, en geen enkel, dat hun heilig was; alsof
dwepen met het verhevene, dwaasheid, en alleenlijk leven voor het stoffelijke,
wijsheid ware.
Natuurlijk waren ze sterke voorstanders van de gelijk-
[254:]
heid en de vrijheid, en sterke tegenstanders van een absoluten regeeringsvorm,
van al wat naar gezag geleek; natuurlijk noemden ze alle bezittenden,
uitzuigers; alle nietbezittenden, verongelijkten.
Aan het hoofd van dit clubje stond Kreisfeldt. Duriau maakte er een
deel van uit, in zooverre dit strekken kon om de andere jongelui op
te winden. Altens dorst er zich niet aan te onttrekken, uit vrees van
voor een "pruik" te worden uitgemaakt. Halekamp praatte Kreisfeldt
na, en de heer Krobs, die eigenlijk niet recht begreep, waarvan er sprake
was, voegde zich dikwerf bij hen, omdat er zoo druk werd gesproken,
en men dan niet opmerkte, hoe weinig hij zeide.
Kreisfeldt echter was de aanvoerder, de persoon, op wiens hoofd alles
neerkwam, en die dan ook zich het meest de verontwaardiging der andersdenkenden
op den hals haalde.
Het "tout savoir, c'est tout pardonner!" was echter, ook hier
geldig. Als de heeren, die zich nu zoo boos maakten over zijne ideeën,
den levensloop van den luitenant hadden gekend, zouden ze zeker eer
medelijden dan verontwaardiging hebben gevoeld. De knaap was op zijn
tiende jaar naar Holland gezonden, naar een docent, die, behalve voor
zijn eigen achttal, voor de opvoeding van vier vreemde jongens zorgde.
Het was hem daar gegaan, zooals het, helaas! den kinderen uit Indië
maar al te dikwerf gaat in Holland; hij werd liefdeloos behandeld, maar
toch ook weer ontzien; soms veel te streng gestraft, maar veel meer
toegegeven en bedorven; vooral de docentsvrouw, schoon ze hem in stilte
verwenschte, liet hem ongestraft allerlei ondeugende streken uitvoeren;
- f 1000 's jaars' - daar kon men nogal wat voor verdragen!
Die "ondeugende oostersche aap," die bij de minste tegenwerking
op den grond ging liggen en trapte en schopte, die de bedienden sloeg
en elk ongelukkig dier,
[255:]
dat hij in handen kreeg, de pooten uittrok, was voor den docent niets
anders dan een exemplaar van indische ondeugendheid en - een melkkoetje.
Maandelijks gingen er echter brieven vol lof en beloften naar den "ouden
Nabob" men liet den jongen zoo veel mogelijk zijn gang gaan, uit
vrees dat hij in zijn schrijven naar huis mocht klagen, en zoo bleef
hij melkkoetje, zes jaar lang behouden.
Aan de militaire academie werd onzen Piet mores geleerd door zijne kameraden,
gedrild door zijne superieur, van tijd tot tijd in de doos gestopt,
en over het geheel flink onder den duim gehouden; het deed hem veel
goed en toen hij tweede luitenant werd, was hij een knappe jongen met
een helder hoofd en geen slecht hart. Maar er ontbrak in hem, wat juist
den flinken, verstandigen man, zoo goed staat, wat hem beminlijker maakt
dan, eenige andere eigenschap: gevoel!
Hij herinnerde zich zijne ouders ternauwernood; hij had den docent niet,
liefgehad, diens vrouw gehaat, diens kinderen half doodgeslagen, omdat
ze hem in stilte knepen en sarden, en had altijd geleefd in de overtuiging,
dat er eigenlijk niemand was die van hem hield. De arme jongen! Nooit
was hij geliefkoosd, nooit had hij een moederlijk gezicht zien glimlachen
bij zijn ontwaken, nooit had een vader hem vriendschappelijk vermaand,
met zachtheid berispt, nooit was hij geprezen voor eene goede daad.
De eersten, die hem eenige hartelijkheid hadden bewezen, dat waren zijne
vrienden geweest en - wist hij of dat om zijn persoon of om zijn altijd
gevulde geldbeurs was? Vrouwen had hij weinig ontmoet, en die hij had
ontmoet, waren niet van de soort, welke den jongeling met teederen eerbied
voor hare sekse vervulden, - hoe kon hij dwepen, droomen, zooals andere
jonge mannen?
Was het dan onnatuurlijk, dat die aan zichzelven over-
[256:]
gelaten knaap ongeloof en materialisme aanhing? Was het in hem zoo
sterk te veroordeelen, dat hij niet liefhebben kon zooveel, wat anderen
heilig scheen? dat hij niets gevoelde, waar anderen konden weenen?
Maar dit alles neemt niet weg, dat het hinderlijk, zeer hinderlijk werd,
dat onbekookte communisme, waarop hij bij iedere gelegenheid terugkwam;
die vage praatjes over vrijheid en waarheid, die in een jongensclub
heel goed voldoen; maar bij menschen van ervaring zoo hol en leeg klinken;
dat te luchten hangen van principes, dat bluffen op ongeloof, dat minachtend
spreken over andersdenkenden, alsof dat per se bekrompen en domme wezens
moesten zijn; het werd ergerlijk, dubbel ergerlijk voor diegenen onder
de passagiers, die meer behoudende denkbeelden huldigden op het punt
van godsdienst, zedelijkheid en staatkunde.
Wie zich het meest hinderde aan de "nieuwe" stellingen van
het atheïsten-clubje, dat was de heer Vuiste, een man, wiens gezond
verstand, gevoelig hart en hoog-ernstige beginselen zich heftig aankantten
tegen eene leer, die met al wat hij aanhing, in strijd was. Hij had
lang gezwegen, zooals de meeste verstandige menschen zwijgen, als ze
door jongelui worden vervolgd met die denkbeelden, die men gewoonlijk
beschouwt als een tijdelijke ongesteldheid waarvan men aan den tijd
de genezing kan overlaten.
Maar in de laatste dagen was de ontstemde Kreisfeldt zoo te pas en te
onpas zijne principes gaan verkondigen. dat Vuiste besloot eens een
ernstig woordje over dat onderwerp te spreken, en zoodoende een eind
te maken aan zijn ergernis.
Weldra bood zich daartoe de gelegenheid aan.
Bugg deed een verhaal van een jongmensch, die zijne plantage door de
uitbarsting van een vuurspuwenden berg zag vernielen. "U begrijpt,
hoe wanhopig de arme kerel was," zei Bugg. "Hij was jong en,
zoo als jonge menschen zijn, vol illusiën, vol idealen."
[257:]
"Niet alle jonge menschen," riep Halekamp, die in zijne navolging
van Kreisfeldt, plus royaliste que le roi was. "Ik ben ook jong,
maar ik geloof niet dat ik een illusie heb....."
"Die omtrent je baard kun je ten minste wel opgeven," merkte
van Raven droogjes aan; algemeen gelach, groote verlegenheid van den
jongen luitenant.
Nu behoorde van Raten tot die menschen, die zich soms niet kunnen bedwingen
eéne aardigheid te zeggen, ook al is die ten koste van ean ander,
maar altijd medelijden gevoelen voor hun slachtoffer. Hij had dadelijk
berouwen zei vriendelijk: "Kom, kerel, jij geen illusies! Geen
illusies? Zoo'n ladieskiller, zoo'n dandie. . .?"
"Iilusies! - nonsens!" besliste Kreisfeldt op die onaangename
gedecideerde manier, die als het ware alle verdere discussie schijnt
buiten te sluiten, "gekheid! allemaal gekheid!"
"Beter zulk een gekheid, dan de wijsheid van de tegenwoordige jongelui,"
zei de heer Vuiste, op sterk afkeurenden toon. "Gelukkig het warme
jonge hart, dat behoefte heeft aan illusies, dat nog dwepen kan en idealen
scheppen!"
"De vraag is maar," zei Duriau, "waartoe dient het illusies
te hebben, welk practisch nut heeft al dat dwepen?"
"Welk nut, Duriau? Maar ge weet toch, hoop ik, dat de mannen, die
groote dingen tot stand gebracht hebben, bijna allen dwepers, allen
idealisten waren. Gij, practische heeren, gij zoudt Jezus een idealist
genoemd hebben, en Luther een dweper, en Newton een warhoofd; Napoleon,
Willem I, Bismarck, zij allen hadden een groot doel voor oogen, dat
anderen onbereikbaar scheen. Dat zijn de idealisten van onze dagen.
Zoolang ze hun doel niet bereikt hebben, noemt men hen dwepers, droomers;
als hun schijnbaar onbereikbaar ideaal werlelijkheid is geworden, dan
heeten ze groote mannen."
[258:]
"Misschien moet er wat dweperij bijkomen, om iets groots te presteeren,"
zegt Kreisfeldt, "maar, me dunkt, daartoe behoort men toch allereerst
kalm, bedaard en onbevooroordeeld te zijn, vrij van alle overdrijving,
niet in overspannen toestand."
"Nu, aan kalmte, aan stelselmatige nuchterheid zal het onzen jongen
mannen zeker niet ontbreken, en, volgens hun eigen opinie, zeker nog
veel minder aan helder doorzicht, verstand. en ondervinding. Ba! zijn
dat onze vroegete, frissche hollandsche jongens, die grijsaards van
twintig jaar, die ik in Nederland ontmoet heb; zijn dat jonge mannen,
die koel en ongevoelig blijven voor hetgeen hen in vuur en vlam moest
zetten; vroegrijpe, oververzadigde, tegennatuurlijke wezens, die met
ontevreden, bleeke gezichten op alles , afgeven; baardelooze knapen,
die zich volkomen geschikt achten om in staatkunde, maatschappij en
godsdienst eene geheele omkeering teweeg te brengen, ja, Indiën
het mogelijk ware, zich volstrekt niet ongeschikt zouden vinden, om
God een lesje te geven in het wereldbestuur!"
"U hebt geen zeer gunstige opinie van het jonge Holland meegebracht,
dunkt me," zeide Duriau.
"Neen, ge hebt gelijk, ik moet tot mijn leedwezen bekennen, dat
ik mij over het jonge Holland niet alleen geërgerd heb, maar dat
ik er mij nog dagejijks over
erger. Die jongens van de hoogere burgerscholen, die te lusteloos en
te krachteloos zijn om een flink jongensspel te spelen, maar niet om
s'avonds vooraan in het café-chantant te zitten, of naar het
ballet te gaan zien, die saaie, neuswijze ventjes in hun jasjes en keurige
pantalonnetjes, die te ouwelijk zijn voor geestdrift en te verstandig
voor jongensdwaasheden, die het beetje levenskracht, dat de schoolbanken
en het blokken hun gelaten hebben, zoo spoedig mogelijk opteren, om
dan, te uitgeput om te genieten, morrend over al het be
[259:]
staande, met hunne utopieën u overal te vervolgen, geblaseerde
Don Juans, die reeds alles gezien en al genoten hebben ja, mijnheer
Duriau, ik beken ze me geërgerd hebben!"
"O, wat een somberheid, mijnheer Vuiste," roept Raven lachend.
"Enfin, als het alles zoo was als schijnt, dan kon u het niet te
akelig maken. Maar, denkt u, dat er werkelijk veel gevonden worden,
die op twintigste jaar blasé zijn? Geloof er niets Van, mijnheer
Vuiste! Het is een mode, een mode, om het air aan te nemen van reeds
zeer veel gezien, zeer veel geprofiteert zeer veel begrepen, maar vooral
zeer veel afgekeurd te hebben. Het staat goed; weet u, om verachtelijk
te glimlachen, als er van groote mannen sprake is, het kleedt om te
spotten met de kerk en te lachen over het gezag, om God met een kleine
g te schrijven, om mooie dames te lorgneeren en niet aan vriendschap
of liefde te gelooven! Ik ken dit alles; ik heb zelf ook die periode
doorleefd, toen ik mij diep zou geschaamd hebben, als iemand mij op
"gevoel" had betrapt. Ik heb een vriend gehad, dien ik hier
als voorbeeld moet aanhalen. Hij was eens, op reis naar zijn afgelegen
dorpje, met "papa" den Haag doorgetrokken; maar als er onder
ons, kennissen, over den Haag werd gesproken, dan was het: "den
Haag, praat er niet van, kerel! daar heb ik wat duiten gelaten enfin,
ik heb er plezier voor gehad!"
Hij kende geen andere vrouwen, dan zijn mama, twee oude tantes en een
nichtje van veertien jaar; maar nauwelijks werd er een meisjesnaam genoemd,
of hij begon met woeste blikken: "spreek me niet van die trouweloooze
wezens, geen eed is haar heilig. .. wij, rampzalige slachtoffers,"
enz. enz. enz. Hij had heel veel goede vrienden, maar, kwam men op het
chapitre van vriendschap, dan deed hij allerlei verhalen van vreeslijke
teleurstellingen, bedrog en veinzerij; hij was de beste vent van de
wereld, maar hij zou dat voor geen duizenden bekend hebben,
[260:]
en het heeft lang geduurd, voor hij 't me vergeven kon, dat ik hem
op zekeren dag verraste, terwijl hij zat te schreien bij een brief van
zijne goede moeder."
"Het is dan toch eene laffe comedie, dunkt me, eene comedie, die
strijdt tegen de zedelijkheid, daar men bluft op datgene, waarvoor men
zich zou moeten schamen. Maar ik wil hopen, dat u gelijk hebt, dokter.
Wat toch zou er van onze maatschappij terechtkomen, als al de jongelui
waarlijk niet meer gelooven konden aan zooveel wat verheven en rein
is?"
"Dan zou men eindelijk beginnen met de waarheid, en de waarheid
alleen te huldigen!" riep Kreisfeldt.
"Waarheid is een mooi woord, Kreisfeldt, dat stem ik je toe,"
zei de dokter met zijn fijn spotlachje, "en, beken het daarom maar
ronduit, dat jullie veel beter, veel degelijker, veel gevoeliger zijt,
dan je je voordoet... ."
Altens, die tot nu toe gezwegen had, en die, hoewel hij Kreisfeldts
ideel!n erg mooi vond, er toch niet geheel mee instemde, zei nu, tot
groote ergernis van de andere jongelui. . .. "Daar kondt u wel
eens gelijk in hebben."
"Je houdt van waarheid, Kreisfeldt," begon van Raven weer,
"maar toch hoort men je telkens praten, alsof de vrouwen geen zucht
waard waren, veel minder al de zuchten, tranen en slapeloosheid, die
zoo'n lief wezentje, als de blauwe page bij voorbeeld, ons kosten kan."
De arme Kreisfeldt bloosde met een zeer pijnlijken blos en was voor
geruim en tijd buiten gevecht gesteld.
"Neen, God dank!" ging de dokter voort, "we hebben nog
flinke, frissche, levenslustige kerels onder die hollandsche jongens!
Er zijn er nog, die zich het hart warm voelen kloppen bij het hooren
van eene nobele daad, er zijn er nog, die wèl vinden, dat de
wereld niet al te best geregeerd wordt, maar bekennen, dat zij geen
middel weten om het beter te doen."
"Maar, waartoe die laffe vertooningen dan? Waartoe zich te schamen
over onbekendheid met het kwaad, over
[261:]
onschuld en gebrek aan ervaring. Waartoe die erglijke bluf op ongeloof
en wereld verachting?"
"Maar het is niet bij allen voorgewend, integendeel bij de meesten
van ons is het vaste overtuiging!" zei Halekamp. "Mijnheer
Vuiste zal misschien beweren, dat wij nog geen overtuiging mogen hebben,
omdat we niet "oud" zijn. Niet waar, om verstand te hebben,
om te kunnen meepraten, moet men grijs zijn en afgeleefd?"
"Neen, dat beweer ik niet. Integendeel. op iedere leeftijd kan
men denken, ja is dat noodzakelijk en nuttig. Maar, meent niet, dat
ik het zeg om u onaangenaam te wezen, jongelui! - maar zou het niet
wellicht verstandiger wezen, zoo ge al die gedachten eens liet rijp
worden, zoo ge de zaken, die ge nu zoo onvoorwaardelijk veroordeelt,
eens ernstig onderzocht, toetstet aan de ervaring en het nadenken van
de groote denkers, die vóór u zijn geweest. Zoo ge u eens
tweemaal bedacht, alvorens uwe meeningen uit te spreken? Ge hebt toch
dikwerf gehoord van mannen, - grooter dan wij, ten minste tot nu toe,
een van allen zijn, - die met berouw terugriepen wat ze in hun jeugd
zich zoozeer hadden gehaast te verkondigen aan ieder, die het hooren
wilde. Waartoe die haast? O, als ge alles eens wist, wat ge nu veinst
te weten! Geloof me, het is treurig genoeg, dat we het eenmaal ontdekken
moeten, hoeveel laags en gemeens er bestaat, hoeveel trouwelooze vrienden
en lichtzinnige vrouwen er gevonden worden, - waarom dan die droevige
ontdekking te verhaasten?
Het is niet aan mij u raad te geven, maar zoo ge mijn zoons waart, dan
zou ik u zegen: ,Beproeft, mijn jongens; om zoo lang mogelijk te dwepen,
te droomen, lief te hebben, en ge zult, als ge het eindelijk moet opgeven,
met de meeste voldoening neerzien op dien tijd in uw leven, toen ge
nog kondt gelooven en hopen, - en beetgenomen worden; toen ge nog liefhadt
met geheel uw hart, en - bedrogen werd.
[262:]
Ge zijt in uw gelukkigsten tijd, jongelui, geniet er van en beproeft
vooral niet de bloem te ontbladeren, oor ze u haar geur heeft geschonken;
wat baat het te weten hoe ze in elkaar zit, als ze verwelkt aan we voeten
ligt?"
"Ik laat nog daar, dat de jongelui onderling alle mogelijke onderwerpen
bespreken, maar laten zij ten minste de opinie van mannen van leeftijd
eeren, en hen niet ergeren door het verkondigen van hun principes,"
zei Bugg nu.
"Maar de mannen van leeftijd hebben immers ook de vrijheid hunne
denkbeelden te verkondigen. Zij moeten als maar beproeven die dwaze
jongens tot hun opinie over te halen," zei Kreisfeldt.
"In de meeste gevallen geef ik u dat toe, maar de jongelui van
onze dagen bespreken niet alleen de vragen en van politiek en maatschappelijk
belang, zij raken met ruwe handen de teerste punten aan," meende
de heer Vuiste,.
"Alle bestaande zaken zijn geschikt voor discussie en onderzoek!"
riep Halekamp.
"Ja, Maar toch zult ge u misschien kunnen voorstellen dat bij voorbeeld
de man, die jaren aaneen het kleinste geluk, den zoetsten vrede smaakte
aan de zijde van een geliefde gade, dat die man het hinderlijk vindt
te hooren spreken van het huwelijk als van een lastigen band, waarvan
het verbreken hoe eer, zoo beter gemak:elijk gemaakt moet worden; -
toch kunt ge u voorstelllen, dat de vrouw, die eenmaal, maar ook slechts
eenmaal, met geheel haar hart heeft bemind, die geheel, heeft toebehoord
en in reine verhouding geleefd met dien lenigen, bloost bij dat woord,
dat helaas! thans maar openlijk wordt uitgesproken: "vrije liefde!"
Toch zal het u niet vreemd schijnen, dat de moeder, die haar onschuldige
dochter opvoedt, gloeit van verontwaardiging, als zij u met minachting
hoort spreken over de vrouw."
[263:]
De heer Vuîste had met vuur gesproken, maar ging nu kalmer voort:
"Dit alles zou ik nog daar buiten laten. Wat mij echter meer dan
al het andere ergert en wat ik de heeren vriendelijk zou willen vragen
voortaan in mijn tegenwoordigheid na te laten, dat is: het oneerbiedig
spreken over den godsdiest. Gij kunt u dat niet voorstellen, jongelui,
maar er zijn mannen, let wel flinke, verstandige mannen, die hun godsdienst
liefheb die het eerste gebed leerden aan den schoot eeener moeder, eener
altijd geduldige, altijd liefdevolle, altijd geloovige moeder; mannen,
wier namen met eer wordt genoemd, maar die het vaste bewustzijn hebben,
dat ze in den strijd van het leven zouden bezweken zijn, zoo, ze niet
hadden mogen leunen op dien staf, dien gij thans zoo moedwillig verbreekt
en waarnaar ge eenmaal verlangend de handen zult uitstrekken. Er zijn
onder ons, vooral onder de vrouwen, die, als hun het liefste werd ontnomen,
troost vonden in dien bijbel, dien gij het zoo aardig vindt te bespotten
en in zijn zwakke punten ten toon te stellen. Dát wilde ik, dat
de jongelui een weinig begrepen; ze moesten de gevoelens van ons oude,
bekrompen heeren sparen, vooral waar het zulke teedere kwesties geldt."
De arme Altens, die eigenlijk reeds lang zichzelf had verfoeid om zijne
nieuwe ideeën, keek nu met de trouwe grijze oogen den spreker aan,
stak hem de hand toe en zeide: "Ik zal mijn best doen, om u niet
meer te ergeren, mijnheer!" - Kreisfeldt nam het zich voor, maar
hij was niet van hen, die aan eene zachtere gewaarwording toegeven,
en zeide dus niets; Duriau ontdekte met schrik, dat dit wapen, om de
passagiers te verdeelen, hem voorgoed was ontrukt, en het speet hem
geducht, maar hij bedekte zijne woede door veel betuigingen van leedwezen,
terwijl Halekamp het veiligst achtte het voorbeeld van Kreisfeldt te
volgen.
"En nu, heeren geloof ik dat we juist in eene stemming
[264:]
zijn om iets goeds te drinken;' zei van Raven.
"Goed gezegd, dokter," riep de heer Vuiste. "Kelner,
champagne!"
Vuiste dronk het eerste glas op de goede verstandhouding van conservatieven
en liberalen; - hadden alle passagiers op zijne wijze getracht de ergernissen
aan
boord der Elwine weg te nemen, dan had de reis, niettegenstaande alle
ongelukken, een pleiziertochtje kunnen wezen.