[232:] XXIX.
Ei, mein Lieb, warum just heute
Schauderst du, mein Blut zu sehn,
Sagst mich bleich und herzeblutend
Lange Jahre vor dir stehn!
REINE.
Het was de laatste dag, dien de passagiers der Elwine op Malta doorbrachten.
Sommigen waren in hun schik geweest, toen de gezagvoerder kwam meedeelen,
dat alles in orde was en men nu de reis verder aanvaarden kon, want
zelfs Malta wordt vervelend, als men er drie weken moet vertoeven zonder
bezigheid; anderen vonden het wel aangenaam eindelijk hunne bestemming
te zullen bereiken, maar werden gekweld door allerlei akelige voorgevoelens
van naderende ongelukken, enkelen waren zeer stil door de herinnering
aan de zeeziekte.
De mannen, die "helpen varen" vroegen met bezorgde gezichten
aan kapitein Schock, of er ook een proef tochtzou worden gedaan, en,
toen dit bevestigend beantwoord werd, verzochten ze daarbij tegenwoordig
te mogen zijn; ze kwamen met ellendige gezichten van het uitstapje terug
en verklaarden dat die éene passagier, die verkoos met de engelsche
mail verder te reizen, en zich liever niet aan de kansen, die hij op
de Elwine liep, te tweeden male waagde, groot gelijk had. Zij zouden
het ook doen, zoo de kosten maar niet al te groot waren.
[233:]
De eenigszins gespannen verhouding der passagiers, niet hinderlijk
zoolang men voor elkaar uit den weg kon gaan, dreigde in de enge ruimte
van de boot lastig te worden, en vooral de oudgasten hadden geen groote
verwachtingen van de genoegens die men aan boord zou smaken.
Het was dus met verschillende gevoelens, dat men de boodschap ontving:
"Morgen, aanboord!"
Den volgenden morgen stonden de rijtuigen gereed voor de beide hotels,
en onder vele "God zegene u's" der tot het laatst toe beleefde
en vriendelijke kellners, reed men weg, zeer tevreden over de dagen
in Lavalette doorgebracht en niet, zooals gewoonlijk bij zulke gelegenheden,
ontstemd door onverwacht hooge rekeningen.
Spoedig was men in de bootjes gezeten, en, juist bij het afsteken van
den wal, zag men, niet zonder ergernis, een troepje soldaten naderen,
die van het verlof om voor het laatst aan den wal te gaan, hadden gebruik
gemaakt om zich nog eens een halven roes te drinken.
"Die ellendige kerels," mompelde Kreisfeldt, die bij het scheiden
van de stad, waarin de blauwe page hem zoozeer had gegriefd, zeer slecht
gehumeurd was, en zelfs door Kitty's buitengewone vriendelijkheid niet
van zijne booze luim kon genezen worden; "t is schande, dat ze
de uniform dragen!"
"Mijn Hemel, laat u dat nu toch niet ontstemmen!" riep Kitty
uit. "Wij hebben er immers ook ons plezier van genomen op Malta."
"En ons verdriet," mompelde Kreisfeldt met een diepen zucht.
"Daarin heeft juffrouw Stark gelijk," zei van Raven.
"Wat mij betreft, ik heb er veel genoten, en ik ben de Venus zeer
dankbaar voor den nijdigen stoot, dien ze ons gegeven heeft."
"Zeg dat niet" riep de heer Krobs uit. "Anders had
[234:]
den we al de soesah van de reis reeds achter den rug, nu moeten we
die nog doorstaan;" de arme man dacht aan de hut met de zeven Krobsjes.
"Nu, nu, mijnheer Krobs!" zei de overste, "ik geloof
dat, als we eenmaal in Indië zijn, we ons niet meer zullen beklagen
over onze reis met hindernissen. We hebben er toch altijd mee gewonnen,
dat we twee van de interessantste plaatsen ter wereld - Gibraltar en
Malta leerden kennen."
"Och," viel mevrouw in, "Krobs is nooit tevreden, hij
is een mopper."
"Een mopperaar, bedoelt u?" vroeg Kreisfeldt.
De waarheid is, dat mevrouw Krobs dit woord pas sinds kort had hooren
bezigen en niet heel precies wist, hoe het uitgesproken werd; de hilariteit
werd wel een weinig opgewekt, toen ze herhaalde: "Ja, betoell een
mopper!" Ieder keek naar buiten om niet gevaar te loopen van zijn
buurman aan te zien en - in lachen uit te barsten.
Bijna scheen het dan ook jammer naar het gepraat van den heer en mevrouw
Krobs te luisteren, terwijl men het laatste gezicht op de stad der ridders
genieten kon.
Zij lag daar in den middagzonneschijn met haar drukke straten, haar
levendige kade, haar terrassen, haar hangende tuinen, haar forten, de
groote kanonnen aan alle, zijden vertoonend, als een waarschuwend teeken
voor elk, die het eiland aan het machtige Brittannie mocht willen ontrooven.
De haven was kalm en effen, de blauwe golfjes huppelden en dansten,
de ranke bootjes gleden over het water, de groote oorlogsschepen en
koopvaardijvaarders verrezen in de verte, alles ademde vroolijkheid
en leven, en de reizigers, die zooveel genoten hadden in Lavalette,
werden niet moede het tooneel aan te staren.
Het is stil in het bootje; lang zoo druk niet ten min
[235:]
ste als in dat, wat achter hen aankomt en waarin de soldaten nog steeds
hun woest getier, geschreeuw en gezang voortzetten.
Een plomp in het water. Er is doodelijke stilte gekomen in plaats van
geroep en geschreeuw, dan klinkt er uit het midden der militairen een
ang$sig hulpgeschrei.
"'t Is een van die dronken soldaten," zegt de overste koeltjes,
terwijl hij zijn binocle richt naar den kant, waar de plomp is vernomen,
"er is niets aan te doen, geloof ik," voegt hij er dan bij.
Maar de overste van Berkesteyn was de eenige, die de zaak zoo kalmpjes
opnam, de heeren waren allen min of meer ontsteld, en vooral onder de
dames was meer dan één verbleekt gelaat, Mevrouw Helmberg
was opgesprongen en stond nu recht overeind in het bootje.
Dokter van Raven gevoelde eensklaps een hand op zijn arm leggen, en
zag de weduwe in het doodelijk ontsteld gelaat. "Dokter, wie is
het, wie is het?"
"Wie is het?" vroeg van Raven. Maar reeds hoorde hij van meer
dan één kant den naam des drenkelings noemen. Toen zag
hij een zeer donker hoofd boven de golven verschijnen, en hoorde hij
naast zich een doffen, half gesmoorden kreet: "Julio, O Julio!"
Ze stond niet langer overeind; ze was ineengezakt met de handen voor
het gelaat: "Dokter, red hem red hem!"
"Honderd gulden voor wie hem er uithaalt," riep van Raven,
eerst in het Hollandsch, toen in het Engelsch.
Zijne stem klonk luid genoeg in de doodelijke stilte; roeispanen en
touwen en handen werden uitgestoken maar niemand waagde zich in de stille,
blauwe diepte, - juist op dit punt zoo gevaarlijk, dat het zeer gewaagd
was zich te water te begeven.
"Zeg meer!" en fijne vingeren omklemden krampachtig zijn arm.
"Zeg meer!"
[236:]
"Duizend!" riep de dokter. "Duizend gulden voor den
redder!"
Maar hoezeer men ook met bootjes werkte, te water begaf zich niemand.
De overste wendde nu voor het eerst het hoofd van de zee af om Clara
te kalmeeren, die zeer zenuwachtig was en volgens haar vader veel te
veel belang scheen te stellen in zoo'n koloniaal.
Telkens weer, nu hier, dan daar, zag men iets donkers boven de oppervlakte
van het heldere water, dan werd de stilte plotseling verbroken, eindelijk
weerklonk er een luiden kreet van verbazing: - een van de dames was
in zee gesprongen.
"t Is mevrouw Helmberg!" riep men elkaar ademloos toe.
Met zulke geregelde en vaste slagen, alsof ze zich levenslang in het
water bewogen had, richtte zij zich naar het punt, waar straks de donkere
plek was bespeurd.
Eensklaps zag men haar niet meer; ze verdween in de peillooze diepte.
Gedurende een paar seconden keken de mannen elkaar onrustig en beschaamd
aan; toen scheen plotseling hun besluit genomen. Verscheidene passagiers
en bootslui sprongen over boord, en zwommen naar de plek, waar eerst
Julio, toen mevrouw Helmberg verdwenen waren.
De overste scheen nu niet onverschillig meer. Hij staarde als de anderen
met wijdgeopende oogen naar de plaats, waar het zwartgelokte hoofd en
de heldhaftige vrouw het laatst waren gezien. Hij kneep krampachtig
Clara's handen m de zunen, en het meisje zag, hoe zijn verwrongen gelaat
aschkleurig was geworden.
Eenige oogenblikken gingen voorbij in de vreeslijkste spanning, de kade
stond dicht bezet met Maltezers, de bootsman, die Alexandrine Tinne
had gekend, riep in zijn ellendig Hollandsch, dat de dames uit Holland
altijd vreemde dingen deden, mevrouw Vuiste hield
[237:]
luidgillende haar man vast, die volstrekt te water wilde, Kitty nam
de gelegenheid te baat, om aan de borst van den heer Halekamp te schreien.
De vriendelijke baren dragen het elegante hoedje der weduwe ver van
de plaats, waar men haar het laatst heeft gezien; nu drijven lange golvende
haren op het blauwe water, nu verschijnt een edel vrouwengelaat, dat
zich naar boven keert, misschien om hulp, misschien om lucht te vragen.
Daar ginds - duikt daar niet iets op? Het is de drenkeling; - hij strijdt
nog steeds tegen de golven, maar zijne bewegingen zijn zeer, zeer langzaam,
alsof ze dadelijk geheel zullen ophouden.
De bootjes roeien nu weder naar de bewuste plek, maar mevrouw Helmberg
is er het dichtst bij, zij heeft bootjes en zwemmers achter zich gelaten,
de een na den ander; - - - zij is genaderd, zij strekt de hand uit naar
de zwarte haren, daar verdwijnt het donker gelaat. . . .
Met een woesten, rauwen gil, een gil, die haast den oever bereiken moest,
heeft ze het reeds zinkende lichaam gegrepen! . . . .
Een bootje is vlak bij. Het is tijd, hoog tijd!
De roeiers nemen hen tegelijk op; - hoe ware het anders mogelijk geweest;
zij had toch de dunne vingers zoo krampachtig geslagen in zijn hoofdhaar,
dat ze later slechts met moeite konden losgewoeld worden.
Ze lagen naast elkander; haar bleek gelaat bevlekt met het bloed, dat
uit een wonde aan het voorhoofd stroomde, hare handen geklemd om het
hoofd, dat zwaar en on beweeglijk aan haar borst rustte. . . .
De dokter staarde hen in stomme verbazing aan
Hoe was het mogelijk,
dat hij het niet vroeger had gezien, de gelijkenis tusschen die beide
gezichten? Dezelfde, met dit onderscheid slechts, dat het eene verwoest
was door hartstocht en uitspatting, het ander veredeld
[238:]
door lijden. Hoe had hij, die anders zoo spoedig begreep en doorgrondde,
hoe had hij oók maar één enkel oogenblik kunnen
gelooven, dat die vrouw en die man tot elkaar stonden in de verhouding
van gelieven?...
"Zou er nog kans zijn hen te redden, dokter?" vroeg Clara
bevend.
Haar stem riep van Raven tot de werkelijkheid terug, hij richtte zich
op, - hij was gebogen geweest over de drenkelingen.
"Ja," zeide hij vriendelijk, "het kan alles terechtkomen.
Maak u niet zoo ongerust, ge moet u het niet teveel aantrekken."
De overste boog zich nu voorover en keek, evenals de dokter, lang, zeer
lang naar de aangezichten, die zoo bleek en akelig waren om aan te zien;
hij bukte, bukte dieper . ... tot zijn aristocratisch gelaat bijna dat
van den koloniaal aanraakte; - - - toen drukte hij de handen voor de
oogen; met eene huivering, die geheel zijn lichaam scheen te doorvaren
en fluisterde nauw hoorbaar:
"Dokter! dek ze toe dek ze toe, die gezichten!"