[45:] Augustus 1900. (II).
Vreemd, dat afwezige, ons dierbare personen ons niet in den droom
verschijnen, daar wij toch zooveel aan hen denken en van hen spreken.
Eens maar droomde uwe oudste van u. U beiden kwam op Japara terug
en wij reisden u tot Semarang tegemoet. Allen waren we heel aangedaan
door het wederzien; zonder een woord te spreken, sloot u ons een voor
een aan 't hart, zoo innig, zoo vast, als om ons nooit weder los te
laten. En daar aan uw hart schreiden we van stil, dankbaar geluk.
Toen uw dochter wakker werd, was haar kussen nat van tranen. En den
heelen morgen was ze weemoedig gestemd, omdat die zaligheid slechts
was een droom!
Wij vreezen, wij vreezen, Moedertje, dat u uwe dochtertjes niet meer
terug zult vinden, als u haar verlaten had. Wij voelen ons achteruitgegaan.
Al meer en meer komen we tot 't pijnlijk besef, dat we niet meer zijn,
wat we zijn geweest. Indroeve, smartelijke gewaarwording! O! Leven,
wat hebt ge van Moedertje Mies' eigen dochtertjes gemaakt? Wat is
er van hare meisjes geworden?
Waar is onze heerlijke geestdrift gebleven? die kostbare schat, die
ons door zooveel heeft heengeholpen en ons onmisbaar is om 't leven
door te komen, dat hard zal zijn voor ons? Waar die ijver, die heerlijke
lust tot immer bezig-zijn, die zooveel liefs ons deed voortbrengen?
Waar dat pleizier hebben in alles, dat
[61:]
ons vergeten deed, dat ooit 't woordje "verveling" in 't
woordenboek bestaat?
Dingen, waarin we nog voor korten tijd geleden zoo belangstelden en
pleizier hadden, laten ons nu onverschillig. Moedertje, kunt u zich
iets verschrikkelijkers voorstellen, dan een onverschillig mensch?
En daar zal 't naar toe gaan, als er niet iets is, of gebeurd, dat
ons opwekt uit den toestand van apathie en geest-krachteloosheid,
waarin wij verkeeren.
Al onze voormalige liefhebberijen liggen bestoven ergens in een vergeten
hoekje. Schilderijen, muziek (!), handwerken en koken, correspondentie,
lectuur; ja zelfs lectuur, die ons eens eene levensbehoefte was, verwaarloozen
we. Intens lui zijn wij geworden. Wij moeten ons dwingen om een klein
boekske uit te lezen. Lezen een dwang, terwijl het een van de grootste
en heerlijkste genietingen was, die we kenden! Moedertje, zoo ver
is 't met ons gekomen! O! waar is onze energie gebleven? Wij lijden
onbeschrijfelijk onder deze geestverdooving, geestkrachts-verlamming,
of hoe U 't noemen wil! Wij voeren niets uit. Doen wij iets, dan doen
wij het werktuigelijk als een automaat. Wat scheelt ons toch? Ziek
zijn we niet. Is dit misschien de terugwerking van den ellendigen
tijd, dien we hebben doorstaan?
O ! die moreele pijn, 't is soms niet uit te houden. Wij moeten iets
hebben, werk, dat ons geheel in beslag neemt, ons niets geen tijd
laat tot martelend denken; dat is 't eenige, dat onze sluimerende
geestkracht wakker schudden kan, en ons geestkracht hergeven! Werk,
daar zit 't hem juist, 't Smachten naar werk, dat ons lief is, dat
is 't wat ons zoo ternederdrukt. Vreeselijk is 't om werkkracht en
werklust in je te voelen en tot werkeloosheid te zijn gedoemd!
Dat en al die andere ellende hebben ons in dezen toestand van apathie
en verlamming onzer geestkracht gebracht. Uw oudste staat verbaasd
over zichzelve, hoe deze brief toch zoo lang kan zijn geworden - maar
't is waar ook - 't is voor Moedertje Mies, dat deze biecht geschreven
wordt, en de woorden vloeiden als vanzelf uit de pen.
Wij willen, wij kunnen niet gelooven, dat ons leven zoo heel gewoon,
zoo banaal zal eindigen, en toch kunnen wij alweer ons niet voorstellen,
dat eens die mooie droom van ons verwezenlijkt zal worden! Hoe dicht
hadden wij reeds gestaan bij verwezenlijking onzer illusies, althans
wij dachten het! wij dachten
[62:]
dat slechts nog dagen ons scheidden van het nieuwe leven, zoo vurig
door ons begeerd!
Bittere, bittere ontgoocheling! 't Doet zoo'n pijn daaraan weder te
denken, Wij spreken er hier nooit meer over, maar zwijgen is nog niet
altijd toestemmen, toegeven; alles opgeven, nu wij zoo ver zijn gekomen,
doen we niet, en wij hebben daartoe nooit plannen gehad.
Of 't verstandig is, wat we doen, weten we niet, maar wij kunnen en
willen niet anders dan de stem van ons hart volgen.
Door liefde te geven, de liefde te winnen van hen aan wie wij hopen
ons eens te zullen wijden, is een groote illusie van ons. Toen wij
in Juni bij den heer Sijthoff [Destijds Resident van Semaring, tot
welk gewest Japara was gaan behooren.] waren, vroeg de Resident uwe
oudste of zij reeds wist dat de Directeur van Onderwijs eene directrice
voor de op te richten kostschool voor Inlandsche meisjes zocht. "Heeft
u 't uwe dochters al verteld, Regent?" wendde de Resident zich
tot Vader, en daarna weder tot uwe dochter: "Zou je niet directrice
van die school willen worden?" Zij zeide niets, wendde haar gezicht
af, opdat Vader en de Resident, die naast elkaar tegenover ons zaten,
niet hare oogen zouden zien, die alles zeiden, wat de stijfgesloten
mond verzweeg.
Beloofd had ze niet, dat ze zou zwijgen over hare wenschen en illusies,
maar ze wist, dat vader niet graag had, dat zij er met anderen over
sprak. Alle emotie moest Vader bespaard worden, en die quaestie nu
is Vaders cauchemar . . .
"Wij hadden als jongens geboren moeten worden; er zouden flinke
kerels uit ons kunnen groeien", hoorden wij tot vervelens toe
beweren.
Als 't werkelijk waar is, dat er in ons de eigenschappen aanwezig
zijn, waaruit flinke jongens gevormd worden, waarom zouden wij daarvan
dan geen partij mogen trekken, ons tot flinke vrouwen te ontwikkelen
? Of heeft men hiertoe andere bestand-deelen noodig, dan voor het
gebak "flinke man"? en zijn flinke vrouwen der maatschappij
van geen nut? Maar 't is waar ook, wij Javaansche vrouwen hebben in
de eerste plaats meegaand en onderworpen van natuur te zijn; wij moeten
zijn als leem, waaraan men iederen vorm kan geven, dien men wenscht.
Doch waartoe over dit alles te spreken? 't Is of men op een zinkend
[63:]
schip jammert, waarom men toch niet thuis was gebleven; elkaar verwijten
doet; de oorzaak van 't ongeluk napluist en den schuldige daaraan
opspoort. Met dit al behoedt men 't schip niet voor vergaan; alleen
flink de hand aan het roer slaan, pompen, waar 't lek is, zal 't onheil
kunnen afwenden, anders verdrinkt men maar......
In dat eene jaar, dat achter ons ligt, hebben we meer geleefd dan
in al de voorgaande jaren tezamen.
't Komt uw oudste voor, alsof Vader haar wat te zeggen heeft, maar
aarzelt, omdat 't haar pijn zal doen. Kunt u zich voorstellen, Moedertje,
hoe pijnigend dit voor Vader en voor haar is?
Lang geleden toen ze op 't spoedig beëindigen onzer zaak aandrong,
zag ze een blik op zich rusten zoo smartelijk alsof het zeggen wilde:
"heb je dan zoo'n haast om me te verlaten, kind?" Ze wendde
haar gelaat af - geroerd tot in't diepst van haar innerlijk zijn!
Wat is liefde toch een wonderlijk ding; zij is de hemel en de hel
tezamen. Hem liefhebben, vereeren is ons eene levensbehoefte, maakt
't grootste deel van ons geluk uit. Zonder zijn liefde zou voor immer
een schaduw op ons leven rusten. Uit z ij n hand willen wij het geluk
ontvangen; anders is 't voor ons géén geluk. Zonder
zijne. liefde zullen wij nooit geheel gelukkig kunnen zijn, en m e
t zijne liefde nooit geheel ongelukkig.