20 Mei 1901. (I.)
Al heel veel had ik in mijn jong leven uitgestaan, maar dat alles
was niets vergeleken bij hetgeen ik in die angstige dagen van Vader's
ziek-zijn uitstond.
Er waren uren, waarin ik was zonder wil, sidderend ineenkromp van
moreele pijn, en de lippen, die trotsch verkonden: "er kome wat
wil!'' beefden en stamelden: "mijn God erbarmen!" Mijn jaardag
was een dubbel feest - een viering ook van Vader's herstelde gezondheid.
Ik liet Vader je cadeau zien en vertelde, hoe blij je was met zijn
portret. Vader lag op een langen stoel, ik zat er naast op den grond,
zijne hand rustte op mijn hoofd, zoo sprak ik hem van jou. Vader glimlachte
toen ik vertelde van je geestdriftige, sympathieke ontboezemingen
over mijn Vadertje, en met dien glimlach om zijn mond en zeker met
een gedachte aan zijn verre vereerster en geliefde vriendin van zijn
kind, sliep mijn zieke in. Zóó na ben je mij, ben je
ons, Stella. Geloof je nu, dat 't geen onhartelijkheid was, die mij
zwijgen deed zoo lang tegenover jou, en kun je mij dat zwijgen nu
vergeven? Laat ik je nu nog eens innig danken voor je vriendschap
en je liefde, die aan mijn leven meer waarde geven, en laat ik je
in gedachte vast aan 't hart drukken, in die omarming leggend, alles,
wat ik voor jou gevoel! O! kon ik dit in werkelijkheid doen, oog in
oog, hart aan hart, je mijn hart uitstorten dat zoo vol droefheid
is. Stella, mijn Stella, ik zou je zoo zielsgraag
[96:]
gelukkig maken met een jubelenden brief, je verblijden met de tijding,
dat wij gelukkig zijn, dat wij ons doel bereikt hebben! helaas, in
plaats daarvan zal deze één klaaglied worden. Ik houd
niet van klagen, maar de waarheid moet gezegd worden. Er is een onverwachte
wending in onze zaak gekomen; de quaestie is nu neteliger dan ooit,
spoedig handelen dringend noodig; 't is een quaestie van staan of
vallen, van zegevieren of algeheelen ondergang en,
ons zijn
de handen gebonden. Er is een plicht, die dankbaarheid heet, er is
een hooge heilige plicht, die kinderliefde heet, en daar is een lage,
verfoeilijke slechtheid, die heet "egoïsme". O! 't
is soms zoo moeilijk, uit te maken, waar het goede ophoudt, en 't
slechte begint. Als men de dingen zoo hoog opvoert, is de grenslijn
tusschen beide uitersten nauwelijks merkbaar. Vaders gezondheid is
zóó, dat hevige gemoedsaandoening moét vermeden
worden. Weet ge, wat dit zeggen wil? wij zijn weerloos aan de genade
van het blinde Lot overgeleverd!
Zoo dicht reeds stonden we bij de vervulling van onze dierste wenschen,
en nu staan wij er weer zóó ver van af, en hangt er
bovendien iets vreeselijks ons boven het hoofd. Bitter ontwaken na
den zoeten droom van alle moeilijkheden uit den weg geruimd te hebben.
Dat arme, gefolterde hart, dat altoos krijt in diepen, hangen smart:
"wat is mijn plicht"? en er geen antwoord op krijgt, wijl
degeen, die antwoorden moet, rondtast in 't diepste duister. Licht,
licht! mijn God! en sta ons bij! wij weten niet hoe en waar dit alles
op uitloopen zal!
O, en zeker om ons te troosten en op te vroolijken moesten wij vernemen,
dat er van dat goddelijk Regeeringsplan, om de dochters van regenten
tot onderwijzeressen op te leiden, niets komen zal, wijl vele regenten,
wier advies in deze werd ingewonnen, er zich tegen verklaarden, daar
't tegen den adat strijdt, dat meisjes buitenshuis opleiding ontvangen,
't Is voor ons een harde slag, daarop hadden wij al onze hoop gebouwd;
adieu nu illusie! adieu gouden toekomstdroom! waarlijk 't was te mooi,
om waar te zijn! O! wisten ze maar wat ze verwierpen! Doch stil, wij
mogen niet onbillijk zijn, en hen hard vallen, die niets kunnen voelen
voor de geavanceerde plannen der Regeering en 't belang hunner dochters.
Om te kunnen waardeeren, moet men eerst kunnen begrijpen, en hoe kunnen
zij begrijpen de wenschen en verlangens van ons jong modern geslacht,
zij die
[97:]
nooit anders hebben gekend? Waar in 't verlichte Europa 't centrum
der beschaving, de bron van 't Licht, de strijd om-het recht der vrouw
nog .zoo hevig en fel wordt gevoerd, mogen wij verwachten, dat Indië,
dat eeuwenlang ingedommeld is en nog slaapt, er zich bij zal neerleggen,
zal toestaan, dat de vrouw, die door eeuwen heen als een inferieur
wezen is beschouwd en behandeld wordt, zich als mensch beschouwt,
die recht heeft op een onafhankelijk geweten?
O, Stella, en we waren zoo zielsgelukkig, zoo trotsch, toen wij vernamen,
dat bij de Regeering 't voornemen bestond, voor regentsdochters de
gelegenheid open te stellen zich te bekwamen tot onderwijzeres. Aan
alle meisjes-standgenooten werd de weg geopend, zich een zelfstandig
bestaan te veroveren, en alzoo de toegang-verleend tot vrijheid en
geluk, en het werd van de hand gewezen. En ik zat me al te verkneuteren
van pleizier bij de gedachte, hoe je oogen tintelen zouden, als je
dat heerlijk nieuws vernam, en nu is al 't moois naar de maan. Hoe
nu de zaken precies staan, weet ik niet - onze vrienden op Batavia
zijn op reis - maar wij denken, heel, heel treurig. Als nu die kostelijke
plannen van onderwijs voor Inlandsche meisjes in 't algemeen ook maar
niet er bij inschieten, ook door onwil der ouders, dan is 't niets,
hoor! Dat zou vreeselijk zijn! O, je weet niet, hoe mij de vingers
branden om te schrijven over die heerlijke voorstellen van den Directeur
van Onderwijs, en over de voorgestelde opleiding -van regentsdochters
tot onderwijzeres, maar ik, stakker, moet mijn mond of mijn pen stilhouden,
ik mag mijn opinie over die belangrijke onderwerpen niet zeggen, allerminst
door middel van de pers. Weet je wel, dat zelfs personen in onze onmiddellijke
omgeving niets weten van wat er broeit en gloeit en woelt in ons binnenste?
dat men niets weet van onze plannen? Ik had bij mezelve zoo'n schik,
toen een goede kennis, die veel bij ons aan huis komt, dat over de
opleiding van regentsdochters in de krant las, tot de zusjes zeide,
dat 't net iets was voor me en dat haar man en zij mij zouden dwingen
stappen te doen in die richting. Haar man sprak er mij naderhand ook
over, en ik met een doodleuk gezicht, als van niets wetend, liet hem
maar spreken.
Beiden, man en vrouw, zijn aan mijn kant en gloeien voor de emancipatie
der Inlandsche vrouwenwereld. Hij is bestuursambtenaar en kan veel
doen voor onze zaak; zijne vrouw beloofde
[98:]
mij haar steun in toekomstige dagen. Aardig om dat enthousiasme te
zien; zij is een, die graag zich nuttig wil maken, maar niet weet
op welk een wijze. Haar man zal binnenkort promotie maken en dan zullen
zij beiden nog veel meer kunnen doen voor de opheffing van ons volk.
Wij hebben een plannetje beraamd, op hoe'n wijze zij zich nuttig zou
kunnen maken, en zij en haar man hebben er ooren naar. Als hij assistent-resident
is, zal ze dochtertjes van onder haar man dienende Inlandsche ambtenaren
op bepaalde dagen bij zich aan huis laten komen om ze onderricht te
geven in handwerken en koken, en misschien ook lezen en schrijven,
't Zal een nuttig en dankbaar werk zijn; het vrouwtje jjjf er verrukt
over! We hopen, dat dat werk dan navolging zal vinden. Vindt je dat
niet aardig? Ik heb haar natuurlijk veel van je verteld, en ik genoot
van hare bewondering voor je. Zij wil ook graag lid worden van de
Onderlinge Vrouwenbescherming. Zij heeft twee dochtertjes in Holland,
waarvan de eene advocaat wil worden en de andere ook voor een vak
wenscht opgeleid te worden. Toen ik mij eens Het ontvallen, dat ik
ernstig plan had, vóór ik 't leven inging als wat dan
ook, eerst minstens 1 jaar in een ziekenhuis werkzaam te zijn, om
kennis op te doen in ziekenverpleging, opdat mij de handen niet verkeerd
zouden staan in ziektegevallen, zeide zij dadelijk, dat haar zwager,
die dokter is, bereid was, mij tot zich te nemen, om mij in te wijden
in de geheimen van het ziekenverplegen, een kennis, die mij altijd
te pas zal komen en voor mijne omgeving van nut. Die dokter is een
baar, spreekt geen Javaansch en zeer gebrekkig Maleisch; ik kan hem
dus wederkeerig van dienst zijn, door als tolk op te treden, daar
verreweg zijn meeste patiënten Inlanders en Chineezen zijn. Ik
denk er heusch ernstig over een tijdje de werkzaamheden in een ziekenhuis
te volgen; dat moet een deel uitmaken van mijne opvoeding; ik heb
er reeds lang over zitten pikeren. Hoe denk je er over? O, 't is ellendig
en nog eens ellendig, om iemand vreeslijke pijnen te zien uitstaan
en niet te weten, hoe dat lijden te verlichten; de toeschouwer lijdt
eigenlijk meer dan de patiënt zelf. Ik heb aan veel ziekbedden
gezeten, als kind zelfs reeds, en kan daarvan meepraten. Aan een dier
ziekesponden kwam dat denkbeeld, om me in 't ziekenverplegen te laten
onderrichten, in me op; eerst vaag, maar allengs nam 't vaste vormen
aan, en nu is 't een idee fixe geworden! Als ik later spreken mag,
d. w. z. uitzeggen, wat ik op 't hart heb, en
[99:]
't over opvoeding van 't meisje heb, zal ik pleiten voor 't nut, dat
kennis op hygiënisch gebied, van 't samenstel van 't menschelijk
lichaam etc. etc. voor vrouwen heeft. Ik zou dat ook graag opgenomen
zien in 't leerplan der op te richten scholen voor Inlandsche meisjes.
Arme stumpers, hè, die naast al dat poespas ook nog dat inslikken
en verwerken moeten. Wat een ideaal school zal dat internaat voor
Inlandsche freuletjes worden, hè ? kunsten, wetenschappen,
koken, huishouden, handwerken, gezondheidsleer en vakonderwijs zal
en moet komen! Droom maar, droom maar, als 't je gelukkig maakt, waarom
ook niet?
Wat ik tot dusver voor 't publiek schreef, was maar wat onzin, indrukken
van de een of andere gebeurtenis. Ernstige onderwerpen mag ik niet
aanroeren, helaas! Later, als wij ons geheel losgeworsteld hebben
uit den ijzeren greep der eeuwenoude traditie, (deze bestaat voor
ons nog maar alleen uit onze liefde voor onze beste ouders) zal 't
anders worden. Vadertje heeft niet graag, dat de naam zijner dochters
zoo over de tong gaat; als ik algeheel zelfstandig ben, mag ik mijne
opinie zeggen. Tot zoolang geduld dus, Stella, onzin zend ik je niet.
Als ik iets schrijf, dat mij heel lief is, omdat 't mijn innigste
overtuiging weergeeft, zal ik 't je zenden. -