doorzoek de gehele Leestrommel

Leestrommel
Leestrommel
a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: De Jonkvrouwe van Groenerode. (eerste druk 1874)
Schiedam: H.A.M. Roelants, derde druk


[61:] NIEUWE VRIENDEN.

Na deze verklaring was Eugenie dubbel verwonderd, toen haar vader eenige dagen later zeide (de familie Gravenheerd was reeds op 't kasteel):
“Kind, ik heb dingen gehoord, die onzen omgang met Hartwig bijna onmogelijk maken. Wij moeten hem niet meer aanhalen.”
“Maar papa,” antwoordde zij, “voordat we iets slechts van hem gelooven, moeten we toch eerst onderzoeken, wat er van waar is.”
“Dat kan niet. Men noemt geen koetje bont, waar geen vlekje aan is, en met menschen op wie zelfs de schaduw van een vlek rust, gaan de Lody's niet om.”
“Moeten we niet thuis geven, als hij komt?”
“Dat is niet noodig; we zullen hem zoo ontvangen, dat hij begrijpt, dat wij zijn gezelschap niet meer noodig hebben.”
“Omdat anderen gekomen zijn en wij hem goed benuttigd hebben... Zullen wij hem de piano terugzenden?”
“Wel neen! Dan zouden we hem in verlegenheid brengen en dat wil ik volstrekt niet. Dien dienst mogen wij hem wel bewijzen.”
“Of van hem ontvangen en voegen bij alle andere, die wij reeds genoten hebben. Ik vind zoo'n handelwijze voor ’t minst niet mooi.”
“'t Spijt me ook, Eugenie, maar 't kan niet anders. Onze goede naam is er mee gemoeid.”
't Meisje ging ontevreden heen. Gravenheerd, die in een

[62:]

hoek der zaal met het een of ander bezig was, tot den majoor:
“Ik vrees, dat het te laat is; ze schijnt reeds genegenheid voor hem te gevoelen.”
“Dankbaarheid, vriend, niets anders! Eugenie sprak gaarne met hem, want hij is een fameus ontwikkeld, belezen man.”
“Jammer, jammer, dat hij tot zoo iets vervallen is; maar 't kan zijn, dat het niet waar is.”
“'t Kan wel, doch zooals gij aan Eugenie zeidet: hoe de zaak ook is, de vlek blijft, en wie met pik omgaat wordt er mee besmet.”
Men had de moeite niet, Hartwig een vernedering te doen ondergaan: hij stelde er zich niet aan bloot en verscheen niet meer op 't kasteel sedert Gravenheerd er was. Kwam hij den jonker of zijn dochter tegen, dan groette hij beleefd, maar sprak hen nooit aan, tot groote verlichting van den majoor en tot spijt van Eugenie, die gevoelde, hoe hij veel lijden moest door het bewustzijn, dat men zelfs op ’t kasteel aan kwade vermoedens geloof sloeg. Overigens was ’t vroegere leed van Eugenie bijna geheel verdwenen: de vergulde armoede had sedert Gravenheerds komst plaats gemaakt voor zekere burgerlijke welvaart, die lang zoo drukkend niet was als de vroegere vervallen grootheid. Men legde geen bezoeken meer af bij den adel, daar de majoor een weinig sukkelend was en zelden uitging; daarbij was de overste een volleerde maître-d'hótel, die er slag van had evengoed als de knapste huisvrouw, om het goedkoopste en tevens ’t beste voor het huishouden uit te zoeken; hij kon goed met de meid overweg, naaide soms dagen lang op de machine en ofschoon dit hun gesprekken een droge kleur gaf - want ze liepen bijna nooit over iets anders dan over huishoudelijke onderwerpen - vaarde de beurs er zeer goed bij.
Mevrouw Gravenheerd had het druk genoeg met hare jonge kinderen, Mevrouw Venners had wel gelijk met te zeggen, dat zij weinig opvoeding had ontvangen, ofschoon dit woord wel verward scheen met onderwijs; want zij had hiertoe weinig gelegenheid gehad. Jong getrouwd met kapitein Gravenheerd, was haar leven een onophoudelijke opvolging geweest van tobben en werken; van hare talrijke kinderen waren er nog vijf in 't leven gebleven. Aan hen en haar man had zij zich geheel toegewijd; al was hij een trouw echtgenoot, die hare taak veel lichter maakte, zoo had hare langdurige stille opoffering, die nooit op eenigen lof

[63:]

aanspraak maakte, hem langzamerhand verwend. Hun wittebroodsweken, hun tijden van rozengeur en maneschijn, waren reeds lang voorbij en hadden plaats gemaakt voor een zeer gewoon huiselijk leven zonder onweer, maar ook zonder een helderen, schitterenden hemel; een huwelijksband door de vijf kinderen vaster gesnoerd en daardoor alleen tot één doel gericht. Mevrouw tobde met hare kinderen, verwende ze in stilte, was zwak en soms tot Eugenie's ergernis veel te toegevend waardoor zij ben bepaald bedierf, en overigens beklaagde zij zich tegen Eugenie alleen, over 't geen haar in het vreemde land zoo tegenstond. De koude van het klimaat, de onbekendheid der menschen, die zoo geheel anders waren dan op 't lieve Java, de treurige kaalheid der boomen, de benauwde gevangenschap, waartoe de gebruiken en het klimaat haar veroordeelden, de vermeerdering van haar zorgen, die niet meer door een baboe verlicht werden: dat waren allen punten, waarover zij nooit met Gravenheerd sprak, omdat hij het niet gaarne hoorde, maar die haar leven verbitterden en als zoovele wormen waren, die aan haar trouw hart knaagden en 't misschien eens geheel zouden verteren. Stilzwijgend droeg ze dan dien last en voelde nu reeds ’t begin van de kwaal, welke zoo pijnigend kan worden juist door hare onbestemde en vage vormen, en waarvoor onze rijke taal geen woord kan vinden, misschien omdat hare sprekers, die ziekte weinig voelen door hun practische geestesrichting en lichaamsbouw: het heimwee.
Eugenie voelde en begreep haar beter dan eenig ander het kon doen. Zij had geen afkeer tegen Holland, ofschoon ze met Java dweepte en het in gezelschap van Hollanders vooral tot de wolken verhief, dikwijls misschien meer om hen tegen te spreken dan uit overtuiging; maar zij begreep, dat een vrouw zooals mevrouw Gravenheerd, die niets geniet van alles wat Europa te genieten geeft, zich er weinig om bekreunt in 't midden der menschelijke beschaving te wonen en bijgevolg gedwongen is hare wenschen en denkbeelden te bepalen tot haren nauwen huiselijken kring, niets ziet dan al 't onaangename, waarvan haar vaderland geen spoor aanbiedt.
Ter liefde van haren man, om 't welzijn harer kinderen, had zij er in toegestemd haar schoon land te verlaten en in stilte droeg zij dan ook haar verdriet, dat niets veranderen kon aan den bestaanden toestand en slechts zou strekken om ook hem een afkeer te geven van 't onveranderlijke of om den vrede langzamerhand te verstoren.

[64:]

Eugenie was de eenige, die dit gedrag waardeerde. Zij voelde eerbied voor de vrouw, die zonder eenigen ophef of praal zich opofferde, leed en verdroeg, uit liefde tot de haren. Zij zou teruggeschrikt zijn voor een leven zoo koud, zoo eentonig, zoo weinig verwarmd door datgene, wat alles in 't leven gloed bijzet: door de liefde. Misschien schuilde er meer liefde dan men oppervlakkig zou meenen tusschen de echtgenooten, tusschen ouders en kinderen; maar diep moest zij verscholen wezen en zwaar de schok zijn, die haar uit de diepe hartebronnen deed opwellen. Eugenie verlangde meer: zij had nog vele illusies van 't leven, nog menigen schoonen droom in 't verschiet. Van een leven alleen ondersteund door 't gevoel van plichtsvervulling en opoffering had zij slechts een flauw begrip, want nooit viel het haar gemakkelijker lief en oplettend jegens haar vader te zijn dan wanneer hij haar vleide en liefkoosde, haar zijn trouwe dochter zijn troost en kroon noemde. Zij wilde nog wel doornen hebben op 't levenspad, maar dan moesten ze ruim van rozen vergezeld zijn; geen doorn was er, die haar niet stak, maar ook geen roos, die zij niet plukte. Zij was er trotsch op de steun en raadgeefster van haren vader te zijn; zij verlangde nog slechts een ding: rijk te worden, hem te doen baden in welvaart en ijdelheid op het gerestaureerde kasteel.
In afwachting der erfenis echter trachtte zij zoo nuttig mogelijk te zijn en eenig geld aan te brengen; lessen mocht zij, hoe gaarne anders ook, niet geven; en zij had zich voor vertaal- en ook voor eigen werk verbonden aan een tijdschrift. Natuurlijk ondervond zij ook dat in de letterkunde de rozen hare doornen meebrengen, maar haar hoofddoel, iets toe te voegen aan haar vaders pensioen, werd bereikt. Het viel haar hard het gezelschap van Hartwig te moeten missen: zij was zoo vertrouwd met hem geworden; wat zij haar vader niet kon zeggen, zeide ze hem; hij begreep onmiddellijk wat ze meende en raadde dikwijls hare geheimste gedachten en niettegenstaande hij haar dan de niet altijd even aangename waarheid zeide, was haar die terechtwijzing zeer welkom. ‘t Hinderde haar zeer, nooit meer zijn naam te hooren uitspreken, en gaarne had ze vernomen, wat eigenlijk het ware der zaak was; maar 't scheen of iedereen afgesproken had haar niets over dit onderwerp te zeggen; zelfs mevrouw Venners, die hare familie dikwijls opzocht, sprak nooit een enkel woordje over Hartwig.

[65:]

Eens kwam de fabrikantsvrouw niet alleen; er was een deftige dame in 't zwart bij haar, en vol verwondering herkende Eugenie juffrouw Dertange of, zooals zij haar ’t liefst noemde, juffrouw Tang. Zij was alleraardigst, ze toonde den overste klaar als de dag aan, dat ze hem voor was in de kunst van goedkoop huishouden; zij speelde met de kindertjes, luisterde vol belangstelling naar de klaagliederen van den majoor over zijn, rheumatiek: in één woord, ze liet slechts een roep achter zich In 't kasteel:
“Wat een lief mensch!”
“Pas op, Eugenie,” zei mevrouw Gravenheerd, “als ze maar niet om je papa komt.”
Eugenie schaterde het uit van lachen en begon haar papa te plagen met de vriendelijke vogelverschrikster, die vandaag haar Zondagspakje had aangetrokken alleen voor de plechtige gelegenheid om den intocht binnen Groenerode te doen; maar 't begon haar zeer te vervelen, toen de thesaurier hoe langer hoe meer kwam en in de achting haars vaders steeg.
In 't begin van December kreeg Eugenie een invitatie van een verren neef, die met zijn familie in den Haag woonde, om eenige weken aldaar door te brengen. Eerst maakte zij tegenwerpingen, daar het weer een nieuwe japon kostte, maar papa drong er op aan en zij vertrok.




vorige pagina | inhoud | volgende pagina