HOOFDSTUK XII.
Het werd doodstil
om het huis; alleen het eentonige getjilp der krekels, nu en dan het
blaffen van een hond en het geschreeuw van een nachtvogel verbraken
de stilte.
Birin lag met wijdgeopende oogen op zijn matje uitgestrekt; Johan daarentegen
had de grootste moeite wakker te blijven, hij worstelde geducht tegen
den slaap.
[83:]
Juist had hij zijn
oogen even gesloten, toen hij een paar dunne vingers zijn hand voelde
grijpen en een zachte stem fluisterde:
"Sta op, Sinjo! 't is nu tijd!"
Johan keek slaapdronken rond; hij wist niet goed, waar hij was, maar
de stem van Birin klonk beslist:
"Spoedig, anders is 't te laat!"
Nu stond hij op en Birin volgend, sloop hij op zijn bloote voeten de
kamer uit. Sedert Johan niet meer naar huis verlangde, had Pah Sintro
de deur niet gesloten; sluiten wordt in Indië zelden gedaan en
waar 't moet, doet men het nog zoo min mogelijk.
Birin ging door de binnenkamer, waarin een flauw lichtje brandde. Niemand
kon de beide kinderen hooren, die zacht voortschuifelden op hun bloote
voeten.
Bij de voordeur, die alleen door een grendel gesloten was, richtte Birin
zich op. Hij nam het lampje, stak een kippeveer in de olie, en bevochtigde
daarmee het slot, dat anders scherp knarste; zoo gelukte 't hem het
bijna zonder eenig gedruisch open te maken.
Hij trok de deur zachtjes toe, nadat zij buiten waren gekomen en Johan
zei de zacht:
"Nu weten zij nog niet, dat wij weg zijn."
"Dat zullen ze eerst weten, als zij merken, dat wij weg zijn,"
antwoordde de ander bedaard.
[84:]
Zij stonden buiten
in de vrije lucht; de maan scheen helder en duizenden sterren waren
over den hemel gezaaid.
"Wat moeten wij nu doen, Birin?" vroeg Johan, met angstig
kloppend hart zijn kameraad aanziende.
"Iets heel moeilijks; u is nog zoo klein, Sinjo, probeer eens tusschen
die tralies door te kruipen; ik moet daar overheen klimmen!"
Zoo gezegd, zoo gedaan. Johan was mager en met een beetje moeite wrong
hij zich tusschen twee krullen van het hek door; vlug als een eekhoorn
klom nu Birin over het hek met zijn scherpe punten en eindelijk, eindelijk
stonden de beide jongens buiten hun gevangenis.
Johan had het wel uit willen schreeuwen van pret, maar de bedachtzame
Birin keek nog bezorgd voor zich uit.
"Heeft u geld?" vroeg hij.
"Neen," antwoordde Johan, die nog nooit geld op zak had gehad.
"Ik ook niet, maar 't is nog heel ver van hier naar Samarang en
als ze ons morgen missen, gaan zij ons zeker langs dien weg zoeken.
Wij moeten het bosch in, Sinjo, en ons daar verschuilen, totdat zij
ons vergeten hebben!"
"En zijn daar geen tijgers, Birin, en geen slangen?"
[85:]
"Die tijgers
en die slangen zijn niet zoo gevaarlijk als de man, die daarbinnen woont
en dien wij ontvlucht zijn. Weet u, wat hij van plan is te doen, Sinjo?
Hij stookt alle Javanen op tegen de Hollanders en dan wil hij die allen
laten vermoorden."
"Is dat waar, Birin?"
"Ja zeker, en daarom leert hij ons de Hollanders te haten, en nu
wil hij van u ook een Javaan maken, die later zijn eigen landgenooten
kwaad doet. O, ik weet het zoo goed! Daar zijn al zijn lessen op berekend,
maar ik wil niet naar hem hooren! Ik houd veel van de Hollanders; mijn
vader en moeder hebben bij hen gediend en toen zij ziek waren heeft
de Njonja [Mevrouw.] hun medicijnen gegeven, en toen zij naar Holland
ging heeft zij hun een huisje gegeven met meubels en geld."
Zoo pratende liepen de jongens doelloos het bosch in, waarin geen enkel
gebaand pad was. Zij moesten telkens het hoofd buigen en zelfs kruipen,
zoo versperden laag afhangende takken en doornige struiken hun den weg.
"Daar ligt Samarang," zeide Birin, en wees bergaf, "maar
wij moeten eerst naar boven den berg op en
[86:]
ons daar verschuilen,
totdat Pah Sintro ons spoor verloren heeft."
Johan vond, dat Birin gelijk had; maar met zijn gewoon ongeduld wilde
hij wel vliegen naar Samarang, naar zijn ouders. Het was, of zijn verlangen
naar huis nu nog grooter werd dan vroeger.
"Zijn er hier geen huizen, Birin?" vroeg hij en voelde dat
zijn bloote voeten reeds gewond waren door de stekels der boschplanten.
"We moeten de huizen mijden en de menschen ook," zeide Birin,
"want de Javanen zullen spoedig weten, dat wij het huis van den
Hadji ontvlucht zijn en zullen meen en een goed werk te doen met ons
terug te brengen."
"Maar hoe komen we ooit thuis?" vroeg Johan half huilend.
"Wilt u liever terugkeeren, naar Pah Sintro?" vroeg Birin.
"O neen, neen, laat ons dan vooruitgaan!"
"Hoor eens, jongeheer! Veel verder moeten wij niet gaan, zoolang
het donker is; blijf eventjes hier, dan ga ik eens kijken, of we daar
ginds op een weg uitkomen."
De weg, die naar het huis voerde, liep namelijk vlak er achter dood
en verloor zich in het bosch. Birin, die
[87:]
in geen geval naar
de vlakte wilde, hoopte dat men daarboven nog iets zou vinden, dat op
een bergpad of een karreweg zou gelijken. Hij kroop voort, maar Johan
wilde niet alleen blijven en volgde hem.
Eensklaps hield hij op en riep den kleinen jongen toe:
"Niet verder, sinjo, niet verder! Hier is de rivier!"
Werkelijk stroomde de rivier onder hun voeten; zooals de meeste bergrivieren
had zij een diepe bedding, en waren de oevers dicht met struiken en
varens begroeid; 't had niet veel gescheeld, of Birin was van den kleiachtigen
natten bodem in het water gegleden.
"We moeten maar altijd hooger," zei de dappere Birin, "dan
weten wij ten minste iets van den weg. Hoe verder wij komen, hoe beter."
"Weet je geen europeesch huis hier in de buurt?" vroeg Johan,
in wiens geest plotseling een licht opging.
"Als ik maar Europeanen zag en ik vertelde hun, dat ik Johan van
Schermen heet, dan weet ik zeker dat ze mij, ik bedoel ons beiden, naar
papa zouden zenden."
"Ja, dat geloof ik ook, maar ik weet hier den weg niet. We moeten
hier stilletjes blijven tot morgenavond en dan, als de Hadji ons niet
meer zoekt, loopen wij den weg af totdat wij een europeesch huis zien."
"Als we dan maar niet te ver gaan, Birin?"
[88:]
"Ja, maar
je begrijpt, hier in de buurt zal hij ons 't eerst zoeken."
Zij gingen voort, altijd voort, zonder zich er om te bekommeren, hoe
zij gekwetst werden door de neerhangende doorntakken, hoe hun voeten
door de puntige steenen werden opengereten. Birin, die levenslang zonder
schoenen had geloopen en wiens vel dus vereelt was, had daar natuurlijk
zoo'n last niet van als Johan.
Ach! ach! waar was de tijd, dat de baboe hem met slofjes naliep en hij
nooit meer uit zijn humeur was, dan wanneer hij 's morgens uit moest
en kousen en schoenen diende aan te trekken! Wat zou hij er nu voor
gegeven hebben, als hij niet blootvoets door de wildernis had moeten
zwerven!
Eindelijk stond Birin hijgend stil; de maan was ondergegaan en het werd
nu stikdonker; men kon geen hand voor de oogen zien.
"Nu moeten wij wachten, Sinjo, tot de dag komt," zeide Birin,
"we zouden gevaar loopen te struikelen en misschien in een afgrond
vallen. Wij kunnen niet verder."
"Zijn we al heel ver van huis?" vroeg Johan angstig.
"Ja, dat geloof ik wel. Zeker hebben wij al een uur geloopen."
[89:]
Arme kinderen!
Zij waren er nog geen kwartier van af, zoolang was hun de tijd gevallen,
of liever zoo lang hadden zij werk gehad, om dat kleine eindje weg af
te leggen.
"En zullen we nu gaan zitten? Ik ben zoo moe en mijn voeten doen
mij zoo zeer," klaagde Johan.
"Neen, er konden slangen zijn. We mogen niet zitten, we moeten
blijven staan. Houd me maar vast, Sinjo, steun op mij!"
"Ja, Birin! Ja! O, je bent zoo goed! Als we thuis komen, zal ik
pa zeggen, dat hij jou in dienst neemt en je 20 gulden in de maand traktement
geeft."
"Dat is veel te veel, jongeheer, voor een jongen als ik,"
antwoordde Birin goedig, "maar laten wij daar nog niet aan denken."