[178:] IX
Als
onmiddellijk gevolg van mijn vriendelijk bedoeld, maar clandestien bezoek,
aan de achtergalerij van Johnstone's woning, zag ik Sidin den volgenden
morgen bezig in den tuin een paar jonge pisangs te pooten.
"Hoe kom-je aan die plantjes, Sidin?" vroeg ik naderbij komend,
ofschoon ik, Sidin's manieren kennende, niet anders dan een zeer onvolledig
antwoord verwachtte, en zoo gebeurde het ook. Een schouderophalen, alsof
hij zeggen wilde: "Och menschlief, met je hardnekkige onhandige
Westerche nieuwsgieridheid, waar bemoei-je je toch mee!" en daarna
een flauw: "Soeda, nonja, bijar sadja!" [Och mevrouw, laat
maar. . . ] En nu legde hij uit, als terloops, onwillig, hoe hij de
plantjes had gevonden, en ze nu uitplantte voor zij "lajoe"
[Slap, verflenst.] waren geworden van de warmte: "En nu zult u
zien, nonja, hoe gauw u een mooi pisang-boschje zult hebben!"
Maar ik was wijzer geworden, sinds ik Sidin voor het eerst ondervroeg.
Ik herinnerde mij, hoe ik den vorigen avond op het diner bij Johnstone,
een
[179:]
zeker
soort kleine banaantjes, "pisang mâs" [mâs=goud.]
noemde mijn gastheer ze, bijzonder roemde. Johnstone had toen,
zeer hoffelijk, de geheele sisir [Kam.] door zijn kantoorknecht naar
ons huisje laten brengen. . . . En nu deze pisanglootjes. . . . O, de
doorzichtige kadjang wanden. . . .!"
"Alweer een nieuwe proeve van tuinaanleg, mevrouw?"
Ik keerde mij snel om en stond van aangezicht tot aangezicht met een
der spottende "soesah" [Moeite en zorgen.] hatende bewoners
van Rameleh: "Jazeker, mijnheer Boorsma, sinds de al te weelderige
ontwikkeling van Europeesche cultures mij letterlijk over het hoofd
groeit, neem ik proeven met Inlandsche gewassen. Ik hoop dan beter te
slagen. Kunt u je bijvoorbeeld voorstellen, welke rol die sappige breedbladige
manshooge struiken, met een kruin van gele bloemen, in een gewone moestuin
in Holland spelen?"
"Neen, ik houd ze voor een bijzonder, nooit ontdekt soort orchideeën!"
"Te hoog gespannen illusies vallen inéén als kaartenhuizen,
mijnheer Boorsma. Het is maar kropsalade! En dat wuivend boschje daar
in dien hoek, dat bijna boven de voorgalerij uitgroeit?"
"Een variëteit van de ceders van den Libanon?"
[180:]
"Meer
bekend als huiselijke asperge! Des avonds even voor zonsondergang, ontwaarde
ik nergens nog eenige werking in den grond, die het naar boven groeien
van een "kopje" verried, en des ochtends buiten komend vond
ik struiken van reeds een voet hoogte. . . . Maar, wat doet mijn jongen
nu, gaat hij flesschen planten. . . ., vatten die hier ook al wortel.
. . . !"
"Mevrouw,
nu is het aan u, uw fantasie met de weelderige groeikracht te laten
volgen van het aspergeloof en de kropsalade. Hij plant ze in den grond
met de halzen naar onderen; om geregelde perken te vormen."
"Foei, hoe leelijk, ik zal hem dat gauw verbieden, ik wil daarvoor
mossoorten uit het bosch nemen."
"En op een goeden morgen zou u ze terugzien overwoekerend de eigenlijke
fijnere cultuur, wier arens ze hadden moeten bepalen! Houd u liever
aan de inheemsche gebruiken, die zijn zoo dom niet, flesschenhalzen
vatten geen wortel, niettegenstaande de Ramelehsche oervruchtbaarheid."
"O, maar Sidin heeft nooit flesschen en kruiken genoeg voor zijn
doel!"
Ik zeide het zonder eenige bedoeling, er heerschte een oogenblik een
dralend zwijgen, Boorsma schraapte zijn keel, toen verraste hij mij
met de mededeeling: "Zoo uw jongen leege flesschen noodig heeft.
. . . . op zijde van mijn pagger staan ze voor het nemen. . . ."
[181:]
Ik
verraadde door geen woord mijn verbazing, bedankte ook niet in al te
warme woorden, ofschoon ik wist dat op dit ooaenblik aan de "lady"
van Rameleh, de grootste concessie werd gebracht, die den gullen gever
van dit waardeloos cadeau nog menig spotwoord en een verloren weddenschap
zou kosten. . . .
Wat de attentie der pisangloten betrof, nadat Sidin ze behoorlijk uitgeplant
had, ging ik naar mijn goedang en gaf Sidin een blikje chocolade-fiikjes,
met den last deze contrabeleefdheid te brengen op den drempel van het
huis van den "Toean Tjep," maar op een uur dat alle heeren
beneden zouden zijn. Ik twijfel niet of Sidin heeft mijn bevel stipt
uitgevoerd; en
tot deze wederzijdsche uitlevering van "petite cadeaux" bepaalde
zich voorloopig de conversatie van de twee vrouwelijke leden der nederzetting
tusschen de Ramelehsche bergen.
De hoogst enkele maal, dat ik de Japansche tegenkwam op het pad voor
onze woningen, liep ik haar niet meer stijf en trotsch voorbij, maar
knikte haar vriendelijk toe: "Tabeh, ada baij?" [Goeden dag,
gaat het goed?]
Dan lachte zij terug, de witte ongevijlde tandjes schitterend in het
geelbruine gezicht, de spleetoogjes schuilgaande in de dikke ronde koontjes:
"Trimakassie banjak, nonja!" antwoordde zij dan nederig, toch
blijde met de ontmoeting. En ik verbeeldde
[182:]
mij,
dat mijn vriendelijkheid in dat eenzame leventje viel als de schijn
van het stille kleine lampje, aldoor brandende op het altaar in een
kerk, dat bescheiden flikkerend, nauwelijks de omgeving verlicht, maar
duidelijk zichtbaar gloort; men wéét dat het brandt en
wáár het brandt.
Wat kon ik meer voor haar doen?
En ik dacht ook niet geregeld aan Yum-Yum, want hoe stil, hoe eentonig,
hoe geregeld ons leven ook verstreek op zulk een kleinen buitenpost,
mijn bezigheden, met geen andere hulp dan mijn ouden getrouwen Sidin,
vulden mijn dagen geheel. De beste uren van den dag waren de eerste,
omdat Henk en ik dan het meest samen en alleen waren. Na ons kopje koffie,
klommen wij naar de Oedjong, nog altijd een klimpartij waarvan ik de
anderen liefst geen getuigen maakte, al had Henk met behulp van een
paar koelies hier en daar door het plaatsen van rotssteenen
en dwarsche houtstammen, de steilheid en drassigheid van den weg op
primitieve wijze voor mij verbeterd.
Daarboven in de frissche stilte van den ochtend, met het uitzicht over
de oneindige zee, bouwden wij onze luchtkasteelen, droomden wij onze
toekomstplannen: het lieve huisje "ergens" in Holland, bescheiden
maar "knus", gekocht met de penningen uit de kous die wij
ons stopten in dezen uitkoek der wereld, en het gelukkige tevreden leven
dat wij daar wilden leiden, Henk opgaand in een mooi
[183:]
werk,
ik zorgend voor hem en. . . . onze kinderen. . . . !
"En daarom, Janneke, het einde zal de kroon zetten op al onze moeite
en ontberingen, wij mogen niet mopperen over ons verblijf in deze rimboe.
Wij streven naar een doel. . . ."
En ik met een verlangenden blik op de wijde zee antwoordde ik nog altijd
moedig: "Ja, wij moeten nu eenmaal het leven nemen zooals het valt,
en toch Henk, wat komt het er op aan waar wij zijn, zoo wij elkander
maar bezitten, niet waar?"
Toch, iederen dag, als wij arm in arm omkeerden, om weer af te dalen
en ik het nauwe rotsige dal als de reuzenmuil van een groen monster
zag gapen aan mijn voeten, gereed ons beider nietigheid te verslinden,
kon ik een plotseling opkomend gevoel van melancholie niet onderdrukken.
Toch ging ik naar mijn eigen tehuis, volgens iedereen het gezelligst
plekje van heel Rameleh. Maar aan het ontbijt, tegenover Henk gezeten,
opgaand in hulsvrouwelijke plichten, waaide de somberheid snel over,
en na het ontbijt vergezelde ik Henk "naar beneden" en bracht
hem door het dal naar zijn werk.
Als ik dan
bij de machineloods afscheid had genomen van mijn man, bracht ik een
bezoek aan het koeliekwartier, waar dokter Spaan mij reeds wachtte in
de ziekenloods. Elke mail bracht hij vruchten uit Ombini-Laout en altijd,
zoolang, de voorraad strekte, nam ik in mijn karbiesje mede naar beneden,
een
[184:]
schijf
pompelmoes of djeroek manies voor de reconvalescenten en wat suiker
en djeroek nipis tot het bereiden van een frissche "kwast"
voor koortslijders.
Maar het was voor de ziekenloods "de slappe tijd", zooals
dokter Spaan het noemde, die eerste twee maanden van mijn verblijf te
Rameleh. Met haastig klokkend murmelend geluid schoof nog altijd een
bruine rivier langs de kampong, het schuimende zwijgende water vormde
kolken, waar ik de eerste dagen zware rotsblokken had gezien in de droge
bedding.
"Wacht maar, tot zij weer droogliggen," waarschuwde dokter
Spaan: "dan komen wij hier baleh-baleh's te kort, en kom dan alsjeblieft
niet zoo ijverig naar beneden, mevrouwtje, blijf dan rustig boven, het
is erg gezonder, met malaria valt niet te spotten!"
Ik raakte gewoon aan de zwartgallige uitvallen van den zich vervelenden
esculaap, en bracht hem tot de orde van den dag, door bij elken zieke
belangstellend te vragen waaruit het dagrantsoen mocht bestaan, dat
gewoonlijk eenvoudig genoeg was: kaldoe [Kippen bouillon] en nassie
tim [zacht gestoomde rijst.] met een kippenkluifje. Boven teruggekeerd
maakte ik een en ander in onze kleine dapoer zorgvuldig klaar en liet
het door Sidin naar beneden brengen.
Want om kippen, melk en eieren, behoefde ik niet meer
te bedelen, of Sidin te laten marodeeren. Kippen
[185:]
en
duiven gaven reeds een groote levendigheid aan ons achtererf, vooral
op het gewone voedingsuurtje, en op raad en in navolging van Johnstone,
had ik koeien laten komen van Ombini-Laout, die des nachts onder een
afdak op mijn achtererf werden gestald, en overdag, als geiten aan een
touw, achter tegen de berghelling te grazen werden gebracht. Tegen drie
uur in den middag, kwam Henk terug van het werk, dan namen wij onze
lunch, waarop onze siesta volgde, daarna baadden en kleedden wij ons
en gebruikten een kopje thee in de voorgalerij. Ik zat er met mijn naaiwerk,
Henk las mij voor uit een of ander boek, ons gezonden uit Holland of
geleend uit Fielding's overvloed, waar wel eens een enkele graankorrel
werd gevonden tusschen al het kaf. Dat was het uur der "parkietjes",
zooals Fielding ons noemde, en Rameleh hield zich bescheiden op een
afstand. Trouwens de andere huis blokken bleven in den vooravond ongezellig
donker. Men rekte uit verveling de siesta en bleef daarna tot etenstijd,
ongebaad en ongekleed thee slurpend, mopperig hangen in de krossie mala
in de achtergalerij.
Doch geen avond na den eten bleven wij meer alleen. Bij stilzwijgende
overeenkomst legde Rameleh beslag op onze gezelligheid. Het werd een
vaste gewoonte zich des avonds om onze theetafel te komen verzamelen.
Toen Henk deze nieuwe Ramelehsche gewoonte moest constateeren, voelde
hij zich alleronaangenaamst gestemd: "Dit akelige kleine
[186:]
nest"
riep hij uit: "Ze monopoliseeren alles!" Doch ik trachtte
mijn pacha te beduiden dat wij niet exclusief mochten zijn en aan minderbedeelden
de kruimpjes
moesten toereiken van onzen rijkeren disch.
"Kruimpjes! Je zult zien, Jan, ze nemen nog de geheele boterham!"
Maar hij stond voor een fait accompli en zonder ruziemaken konden wij
den band die ons zoo vast bond aan Rameleh niet meer lostornen. Wij
berustten dus in het feit, de blanke bevolking van Rameleh elken avond
in onze voorgalerij te zien. Alleen Johnstone, die verstokte slaaf van
eenmaal opgevatte gewoonten, kwam niet elken avond, slechts des Zondags.
"Als de courant niet uitkomt!" smaalde Spaan: "En hij
dus niets te lezen heeft!"
Doch de anderen daarentegen. . . ., het was alsof zij slechts op een
sein wachtten om zoo vroeg mogelijk te kunnen verschijnen. Zoodra Sidin
na den eten de brandende lamp met de roodzijden kap op de tafel in de
voorgalerij plaatste en het theeblad klaarzette, weerklonk al spoedig
in de diepe duisternis buiten, de eerste naderende voetstap. Zij kwamen,
aangetrokken tot ons gastvrij gezellig huisje, als nachtvlinders op
het licht van een lokkende vlam. En hoe morsig het werk hen ook had
toegetakeld overdag, in welke stemming de Ramelehsche atmospheer hen
ook gedompeld had, in onze woning brachten zij hun opgeruimdste gezichten,
hun beste kleeren.
En zoodra zij zaten bood Henk sigaren aan, schonk
[187:]
ik
thee. Spoedig kende ik ieders smaak, de drie lepels suiker in het kopje
van het bedorven zoontje, Frits Terwolde, de Chineesche manier, thee
zonder suiker of melk, van Fielding, het ééne enkele kopje
"gootwater" van den voorzichtigen medicus Spaan, en de vijf
boordevolle koppen van den altijd dorstigen dikken Boorsma.
Met dezen
laatste was het eiken avond hetzelfde spellete: als verontschuldiging
voor zijn vele, "mag ik nog eentje?"
"U schenkt zulke delicieuse thee, mevrouw, dat ik uw man benijd.
Sinds u mij 's avonds laaft voor den ganschen dag, kan ik dat aftreksel,
wat mijn boy mij 's ochtends en 's middaas brouwt, niet meer door den
keel krijgen!"
"Ja," opperde Terwolde: "U moest maar een groot pension
oprichten en de geheele blanke kolonie de kost geven, het leven zou
er heel wat gezelliger door worden!"
"Hei wat!" antwoordde Henk snel: "Naar mijn bescheiden
meening drijven jullie het gemeenschapsleven wel wat al te ver! Ik heb
ook nog een woordje mee te spreken! Voor zoo ver ik weet heeft een Christenvrouw
maar één man, en ik ben de eenige hier, zou ik meenen,
die mijn Jan in bruidstoilet zag, ergo. . . .! Maar ik weet een beter
recept dan Spaan jullie ooit kan geven, om viermaal de gezelligheid
te vinden te Rameleh, waarvan tot nu toe Adriana Villa het monopolie
schijnt te bezitten."
[188:]
Ik
lachte: "Als onze oude keukenmeid te Delft mij eens een recept
heel duidelijk, wilde uitleggen begon zij altijd met te zeggen: "U
gaat heen en neemt". . . . enz. Nu raden wij U aan: "Gaat
heen en neemt. . . . een vrouw!"
"De eenige oplossing," beaamde Terwolde terstond: "De
eenige manier om je leven hier dragelijk te maken!"
"Sja. . . .," meende Boorsma, alle aandacht bij het brandende
puntje van zijn sigaar: "Als wij er aan gedacht hadden er eene
uit Holland mee te brengen. . . ., maar hier!"
"Zijn
zij niet te plukken, zooals de paddestoelen in het bosch!" zuchtte
Spaan, met zijn oogen naar de bruine atap boven zijn hoofd.
"Hm. . . .!" knipoogde Henk tegen mij: "Zeg, Jan, het
kan verkeeren, hè! Ik denk terug aan het eerste uur van onze
aankomst op dien stikdonker en avond en de doffe sombere solo van den
"Toean Tjep," zeker om den nieuwaangekomene een riem onder
het hart te steken: "You have been very imprudent, Sir, Rameleh
is the last place to bring a lady to!" en het vol beamend koor
daarop: Yes. . . .! O! Yes. . . .!"
"Henk, dat heb-je mij nooit verteld!"
"Och wijfke, wij hadden samen, en elk voor zich al genoeg soesah,
zou ik meenen, waarvoor zou ik jou bagean [deel.] noodeloos verzwaren
door je. . . . de
[189:]
minder
goed gezindheid der overige bevolking van Rameleh over te brengen, wel!"
Zij keken allen eenigszins op hun neus, maar Boonsma nam zijn vijfde
kopje thee in de hand, stond op en zeide met een bonhomie die heel goed
paste bij zijn welgedaanheid: "Ik voor mij beken schuld. . . .,
maar nu niet rancuneus zijn, mevrouw, wij liggen nu immers allen aan
uw voeten! De grootste ramp die ons zou kunnen treffen is, dat u ten
uitvoer bracht wat ik u toewenschte, toen ik u in de prauw zag neerlaten."
"Een benauwd oogenblik, dat verzeker ik u en daarop die branding.
. . ., brr, en wat voor ijselijks moest daar nu nog bij?"
"Dat u per keerende post weer mocht verdwijnen. . . . ! Nu toost
ik op uw lang verblijf alhier met
dit geurig kopje thee: Lang moge zij leven, onze. . . . Janneke de Pionierster!"
"Ja, Ja, Ja. . . . die is goed. . . . onze Janneke de Pionierster!
Daar gaat zij!
"En nu, Ratoe [Koningin.] van Rameleh, wees grootmoedig en trakteer
uw getemde onderdanen op een "mopje" muziek!"' smeekte
Fielding.
Daar was geen avond dat niet uit den een of anderen mond, vroeger of
later, dit verzoek kwam. En ik liet mij nooit lang bidden. Dan ging
ik naar binnen en zette mij voor de piano. Meestal speelde
[190:]
ik
alleen, doch één woord van mij, bracht Frits Terwolde
gehoorzaam aan mijn zijde met zijn viool, die zijn vaste plaats had
in "onze muziekkamer," Henk, die gierigaard, schonk ons het
genot van zijn stem alleen op Zondagavonden. En altijd als ik dan eens
opstond en uit het raam gluurde zag ik schaduwen bewegen op het pad,
de nontongers van "beneden," die hun deel kwamen erlangen
van het sobere kunstgenot dat Rameleh haar inwoners kon aanbieden.
Als ik dan weer verscheen in de voorgalerij zag ik op tafel verscheidene
flesschen mineraalwater en één flesch whisky, die niet
uit mijn goedang kwamen, en dan was er altijd een die op mijn half verwonderd
wenkbrauwfronsen ophelderde: "Och ja, mevrouw Van Offenberg, wij
hebben het uw man, die ook al tegenstribbelde, aan het verstand gebracht,
maar nu wij uw voorgalerij zoo vrijpostig als "soos" hebben
ingerekend, nu is het niet meer dan billijk, dat wij om beurten de "bonnetjes"
voor de "split" whisky-soda schrijven."
"Ja maar.
. . . Henk en ik zijn toch gastheer en gastvrouw?"
"U vergeet onze communistische beginselen, die niet gedoogen dat
alle arbeid, alle gaven van één kant komen. En het is
heel zuinig, dit gemeenschapsleven van tegenwoordig, dat verzeker ik
u!"
Wij moesten wel berusten, en toen ik een paar dagen later Spaan driftig
vond strijden met Boorsma,
[191:]
dat
het dien avond zijn beurt was om "de bonnetjes te schrijven,"
terwijl Fielding, die weer vergat dat Johnstone reeds wachtte op het
partijtje écarté, en Boorsma trouw zijn slap groge whisky
zag leegdrinken . . ., legde ik mij gereedelijk neder bij het "communistische"
karakter, dat onze nederzetting te Rameleh langzamerhand begon aan te
nemen, mij in stilte er over verheugend, dat zulk een kleine dosis oud-vaderlandsche
gezelligheid, overgeplant in vreemden bodem, reeds zoo weelderig wortel
vatte.
Het was op zulk een avond, dat ik aller opgewekte gezichten bestudeerde,
terwijl zij plaats namen aan de whisttafel, die Sidin klaar zette in
een hoek der voorgalerij, en ik daarna, turend in de stikdonkere nacht
die ons omgaf, met een herinnering aan dien eersten avond, toen ik dacht
van heimwee te zullen sterven in dit "levend graf" waar Henk
en ik gedoemd waren drie mooie jaren van ons leven te kwijnen, - dat
ik toen berekende hoe er reeds een half jaar van dat tijdsverloop was
verstreken. . . .!