[251:] XV.
Op mijn rustbank
uitgestrekt hoorde ik iemand haastig aan komen stappen, mijn huisje
naderen en binnenkomen.
Een uur geleden had het maiIschot gedreund tusschen de bergen, waarop
alle heeren uit hun siësta opgeschrikt, zich naar de Oedjong hadden
gespoeld, ook Henk. Ik lag dus sinds een paar uur heel alleen "boven".
Traag sloeg ik de oogen op, toen de stappen ophielden vlak bij mijn
ruststoel. Henk stond voor mij, bleek, het gezicht vol ingehouden emotie.
Hij boog zich over mij heen. "Wijfke", sprak hij met de zachte
stem, die hij zich had aangewend tegenover mij, na mijn ziekte: "Ga
je niet eens mee met me naar de Oedjong?"
Als gewoonlijk in den laatsten tijd was mijn eerste gedachte een van
verzet: "In deze warmte. . . . ?"
"Het is vijf uur, de zon al dalende, het zal nu juist lekker koel
zijn, kom, dat zal-je goed doen!"
"Och. . . ., waarvoor eigenlijk. . . ., laat mij maar stil hier.
. . .!'
Henk boog zich dieper over mij: "Je zult de boot zien. . . ., misschien.
. . .; als je hem weg ziet stoomen
[252:]
in de richting van.
. . . Holland. . . ., dat je dan lust krijgt mee te gaan met de volgende.
. . . over veertien dagen. . . .!"
Ik zag hem
nu toch oplettender aan: "Komt het er heusch van, moet ik, Henk!"
Hij knikte slechts, te bewogen om te spreken.
"En jij dan?"
"Ik. . . . maar dat weet je wel, kind, ik moet hier blijven tot
mijn contract om is!"
Wat zou ik twee maanden geleden, dol van opgewondenheid geweest zijn,
alleen bij het indenken van de illusie, naar Holland terug te kunnen!
En nu!
Lusteloos zuchtte ik: "Och neen, Henk, wat een soesah, al dat uitzoeken,
inpakken , die lange reis. . . . Och, laat mij maar rustig hier!"
Henk knielde voor mijn bank, nam mijn hand, kuste die, een bedwongen
snik in de keel: "Janneke, wat ben je veranderd, wil-je dan niet
meer leven. . . . voor mij?"
Getroffen zag ik hem aan: "Natuurlijk, Henk en bij jou blijven.
. . . hier!"
Treurig schudde hij het hoofd: "Het is niet je oude liefde en energie,
wijfke, die je doen verlangen hier te blijven, maar juist de groote
apathie waarvoor dokter Spaan bang is. Als je hier langer bleeft zou
je blijven kwijnen, weerstandsloos worden tegen alle mogelijke slechte
invloeden. . . . Je moet naar een andere omgeving, een koeler klimaat,
frissche indrukken. . . ., om te kunnen vergeten. . . . het treurige
wat
[253:]
Rameleh je berokkend
heeft! Je moet gaan, Janneke, en in Holland gezond worden, ook voor
mij. . . . wijfke. En als ik dan bij je kom, over twintig maanden, kunnen
wij als van ouds weer gelukkig samen zijn, niet waar, lieveling!"
Zich oprichtend, dwong Henk met zacht geweld mij om op te staan van
de bank. Ik schoot in haast een peignoir
aan, die Yum me over het hoofd wierp, en ging toen mede, meer terwille
van mijn man, die er letterlijk toe dwong met hem mede naar beneden
te gaan, dan omdat er eenige behoefte in mij huisde de boot te zien
vertrekken. Als gewoonlijk, in den laatsten tijd, had ik mij reeds lijdelijk
onderworpen aan wat anderen over mij beschikten, zonder veel nadenken.
. . .
Wij daalden onzen berg af en stonden nu aan den voet van den heuvel
waarboven de vlag,gestok de Oedjong Tanah aanwees. Ik stond verbaasd
stil. Inplaats van de steile halsbrekende watergeul, de eenige weg,
naar de Oedjong die ik reeds maanden vóór mijn ziekte
niet meer had mogen op gaan, was daar nu een wel smal, maar behoorlijk
gebaand zig-zag pad met dwarsche boomstammen in de bochten, om de aardeafspoeling,
bij hevige regens tegen te gaan.
"Wat is dat, een nieuwe weg? Wanneer is die hier gekomen?"
vroeg, ik nu toch met eenige belangstelling. Maar Henk, met plotselinge
neerslachtigheid antwoordde:"Eigeniijk is deze weg, een cadeau
aan. ... ons, of liever, aan jou?"
[254:]
"Aan mij?"
"Ja, toen je herstellende werd, hebben de collega's den weg in
orde laten maken. Hm. . . ., er waren redenen. . . . te meenen. . .
. zij dachten. . . ., dat je de Oedjong wel veel zou opgaan. . . . en
nu wilden zij het je zoo gemakkelijk mogelijk maken."
"Dat was buitengewoon attent van hen, en ik ben hier na mijn ziekte
juist nooit geweest!"
"Neen!" zei Henk, kortaf, toen dringend: "Laat ons nu
gaan, anders is de boot weg."
Driemaal onderweg moest ik hijgend blijven staan, hoewel
Henk mij ondersteunde. Toch was de nieuwe weg zoo gemakkelijk begaanbaar
als een goed onderhouden Europeesch bergvoetpad maar zijn kon.
Eindelijk kwamen wij boven op het grasplateau, dat de Oedjong Tanah
heette. Een koele zeebries streek weldadig langs mijn verzwakt vermagerd
lichaam. Ik haalde verruimd adem. . . .
"De zee. . . . !" riep ik met plotselinge levendigheid bij
het eerste gezicht op de verre spiegelgladde oneindigheid van het water
voor ons. De boot, reeds wegstoomend, liet een zilverig, breed uitloopend
kielwater achter zich, de zwarte rookkolom uit den gelen schoorsteen
zweefde als een lange spitse onweerswolk over het blikkerende water.
Ik werd niet moede diep adem te halen: "God. . . . ja. . . .,"
prevelde ik met weerkeerend verlangen naar gezondheid en levensvreugd:
"Mee met die boot. . . ., weg. . . ., van dit akelige land. . .
., naar Holland. . . .! O, ja, ja, Henk,
[255:]
ik geloof nu met
je, dat ik beter zal worden, dáár, en stikken als ik langer
hier bleef. . . . !"
En huiverend wees ik nu achter mij, naar den ingang van het ruime dal
van de Rameleh, waarvan de benauwend stelle tot elkaar toe komende bergwanden,
mij als een nachtmerrie vervolgd hadden in mijn koortsdroomen. Toen
viel mijn oog op Henk's sombers gezicht. Ik sloeg mijn armen om zijn
hals, met iets van de oude hartelijkheid: "Arme Henkie, maar jij,
wat moet er zoolang van jou worden, hier, zoo alleen".
Hij hield mij lang tegen zich aangedrukt: "God wijfke, ik ben al
zoo dankbaar dat het vooruitzicht aar Holland te kunnen, je reeds opgewekter
stemt; denk nu niet aan mij. ik zal hier den tijd wel doorkomen.
Beter alléén, dan met dien angst van de laatste maanden,
je te zien wegkwijnen. . . . !"
Ik maakte mijn arm los van zijn hals, getroffen, een gevoel van schuld
bekroop mij: "Henk, ik kon toch niet helpen dat ik ziek werd. .
. . en. . . . !"
"Maar, Janneke, hoe kom je nu aan zulke rare gedachten. . . .!
Ik bedoel, het is beter voor mij je gezond te weten in Holland, dan
ziekelijk. . . . erger misschien. . . ., in mijn nabijheid, niet waar?"
Ik zag onderzoekend rond: .,'t Is waar ook, de anderen, waar zijn die?
Zij waren toch ook boven?"
"Ja, een uur geleden, nu zijn zij weer naar beneden, de mail afwachtend."
Het schoot mij te binnen, dat juist veertien dagen geleden, bij de laatste
aankomst van die mail het weer
[256:]
eens erg rumoerig
was toegegaan. Ik zag wantrouwend tot Henk op: "Als ik weg ben.
. . .,zal je dan niet. . . .", begon ik weifelend, maar het zelfde
vreemde schuldgevoel van zooeven weerhield mij er bij te voegen: "niet
zoo worden als de anderen?"
Ik boog het hoofd: hoe was het leven geweest de laatste maanden in ons
huis, hoe had ik hem het leven gemaakt, dat ik nog wetten zou mogen
stellen. . . .!
Inplaats iets te zeggen, vloog ik hem om den hals en barstte met mijn
gezicht tegen zijn schouder in tranen uit, en Henk, zijn hoofd leunende
tegen het mijne, schreide ook, lang en zachtjes. In weken hadden we
ons niet zoo één gevoeld als nu!
"Henk, arme lieveling, wat moet ook jij geleden hebben!" vermocht
ik eindelijk uit te brengen.
"Mijn arm vrouwtje, al je lieve illusies. . . ., weet je nog, hoe
wij er altijd vol van waren. . . ., met één slag vernietigd
. . .! Geen wonder dat je het niet te boven komen zou, mijn eenige schat!"
Eindelijk vermande hij zich: "Zie, de zon gaat al achter gindschen
bergtop schuil, laat ons terugkeeren, liefste, voor het donker wordt."
"Het heeft me zoo goed gedaan dit tochtje naar boven, Henk. Willen
wij morgenochtend weerom komen als van ouds?"
Henk's glimlach was vol weemoed: "Voor zoolang als het nog duurt,
zeker, Jan!"
Arm in arm wandelden wij terug, mijn oog werd getrokken door iets helwits
dat op eenigen af
[257:]
stand van het pad
door het grasveld mij tegenblonk.
Ik stond stil aan Henk's arm: "Wat is dat witte daar op zijde,
ik zag het hier nog nooit, geloof ik!"
Met een verschrikten, bezorgden blik op mij, antwoordde Henk verward:
"Ja wel, het is iets nieuws, maar nu niet kijken. . . ., het is
al zoo laat, morgen, morgenochtend op onze wandeling, zullen wij er
heen gaan."
"Maar, wat is het dan?"
"N. . . niets, morgenochtend!"
Welk een vreemd bewogen, zenuwachtig gezicht zag ik voor mij. Een schokkende
gedachte kwam bij mij op. Ik liet den arm van mijn man los en liep voor
hij mij weerhouden kon, naar de plek waar dat vreemde, witte, mij zoo
onweerstaanbaar aantrok.
Ik zag midden in het hooge gras een zorgvuldig gerooid vierkant plekje,
netjes bestrooid met grintsteentjes uit de rivier beneden. In het midden,
vlak tegen elkaar geplaatst, eenige groote platte steenen een eigenaardig
vierkant vormend, de steenen, helder wit gekalkt. Het geleek wel een
miniatuur grafje. Aan het
hoofdeinde een grootere steen, boven op de anderen en op de vlakke witgekalkte
kant met zwarte letters één. . . . vreemde. . . . naam:
"Frelodovik" Ik begreep nog niet dadelijk, prevelde zacht,
verwonderd: "Frelodovik. . . . ?"
Toen plotseling schoot mij te binnen mijn laatste scherts, voor ik ziek
werd, het noemen van ons kind naar alle zijn vier peetooms, opdat er
geen jaloezie
[258:]
zou komen. . . .
Mijn oogen, vol tranen, zochten vragend die van Henk. . . ., die mijn
blikken teeder beantwoordde: "Henk, och God, Henk: . . . is dit.
. . . ?"
Henk, zijn arm om mijn middel, knikte toestemmend: "Ja, mijn arm
wijfke, dit poover plekje is alles wat ons overblijft van onzen gelukkigsten
tijd te Rameleh! Dit primitieve graf je is het geschenk van al zijn
peetooms," eindigde hij, weemoedig glimlachend.
Om de witte steentjes was een krans mossoorten uit het bosch geplant,
ik boog om een paar van de fijne kantachtige takjes te plukken.
"Dat groen plantte Yum er omheen. Tjoe-Won haalde het mos voor
haar uit het bosch achter de mijnen."
Met dankbare tranen in stem en in oogen zeide ik: "En zoo heeft
heel Rameleh meegewerkt. dit liefste plekje voortaan voor ons, te versieren.
. . .! Maar Henk, waarom brachten zij het juist hier, zoo ver weg van
huis?"
"In den nacht toen ons doode kindje geboren werd, meende Spaan,
ik, wij allen, niets anders, dan dat er maar één graf
noodig zou zijn, voor het kind en. . . . de moeder. Maar 's ochtends
leefde je nog, ofschoon Spaan, als ik hem vol angstige hoop aanzag,
zijn hoofd nog altijd zorgvol schudde en de schouders ophaalde.
. . . . Toen vroegen zij mij, waar zij ons kindje begraven zouden, want
ik ging niet van je bed af, Janneke: "Laat het graf boven op de
Oedjong maken," antwoordde ik: "Zij heeft het eens gezegd.
. . .,
[259:]
zij wil begraven
worden waar het wijde uitzicht is. .!" Zij kozen dit plekje, vanwaar
je de zee ziet en het dal. . . .. En toen de eerste hoop op je herstel
gloorde, lieten zij den nieuwen weg naar boven maken, omdat zij begrepen,
hoe meer dan vroeger, voortaan je hart zou trekken naar de Oedjong!"
"Dat zou ook. . . . als ik het maar eerder geweten had. . . .!
O, hoe dikwijls lag het me op de lippen er je naar te vragen. . . .;
waarom bracht je er me niet eerder, Henk!"
"Je bleef zoo lang lusteloos en zwak. . . . lieveling!"
Ik herdacht den vreemden wrok in mijn hart die mijn lippen dichtsnoerden
al dien tijd: "Henk, O, Henk, waarom sprak je mij niet dadelijk
van al deze dingen?"
"Ik moest je ontzien, je mocht geen schokken meer hebben, als dien
eersten, weet je nog wel. . . .? toen je ontdekte dat. . . ." antwoordde
Henk op den half medelijdenden, half moedeloozen toon waarop hij aldoor
gesproken had: "Spaan had het zoo stellig verboden, ik durfde niet.
. . ., en .toch verlangde ik er zoo naar. . . .!"
"En ik dan, ik hunkerde... en toch durfde ik er niet over beginnen.
. . . !"
Toen plotseling werd de sluier die al dunner was geworden en waarin
mijn egoistische kleinzielige smart zoolang gewikkeld was geweest, geheel
weggescheurd. Voor het eerst besefte ik geheel den omvang van het lijden,
de smart in de laatste twee maanden
[260:]
van mijn echtgenoot,
gevoelde ik
voor het eerst geheel de beteekenis van die ingezonken oogen, die gegroefde
wangen, die slordig hangende kleeren. Ik vloog hem omstuimig om den
hals: "Mijn goede Henk, wat heb-jij moeten lijden, veel meer dan
ik, jij stond met je volle bewustzijn tegenover het leed en de smart,
die mij bewusteloos en passief maakten! Och, mijn arme lieve jongen,
mijn goede man. . . . !"
Ik snikte het uit, mijn droefheid om hem, hij hield mij vast tegen zich
aangedrukt, mijn tranen wieschen weg al de vervreemding, den wrok die
ik de laatste weken zoo gaarne koesterde. . . .
Henk was de eerste die weer sprak en heesch zeide: "Kom wijfje,
genoeg emoties voor vandaag! De zon is al weg. . . . wij moeten ons
haasten nog voor donker beneden te komen!"
Ik sloeg een verlangenden blik op het kleine graf:
"Nu al Henk, het is nog zoo kort. . . ."
"Neen, neen, Janneke, nu moeten wij gaan, wij zullen morgenochtend
terugkomen, en al de dagen dat je nog hier bent."
Ik keek hem verbaasd aan: "Nog hier bent? Wat bedoel je daarmede?"
Nu liet hij verwondering blijken: "Je gaat immers met de volgende
mail naar Holland!" Hij wees naar de boot, nog slechts een donker
rookend pijpje in de verte tegen zwarteren achtergrond, want nu de zon
was ondergegaan, had alle vergelijking met Holland opgehouden. De zon
was niet in zee verdwenen, maar
[261:]
achter de hooge
bergen, daar was aan den gezichtseinder, ver weg geen gouden doorzichtig
hemeldak als op mooie zomeravonden aan Hollandsche stranden. . . de
wegstoomende boot ging zwartachtigen somberen nevel te gemoet . . .
Henk zag mij teeder in de oogen: "Zorg dat je de oude bent als
ik terugkom, Jan, wij kunnen nog geluk beleven, wij zijn nog jong, en
onze liefde gestaald door verdriet, is het niet, mijn wijfke!"
Arme Henk, hij deed moeite opbeurend te spreken, maar zijn arm om mijn
middel trilde.
"Maar ik ben niet ziek meer, heusch, ik gevoel mij niets lijdend
meer, hoogstend nog wat zwak. Het is zoo goed dat je mij hier boven
gebracht hebt, Henk, dat heeft mijn gezichteinder, die kleinzielig ingekrompen
was, weer verruimd. Ik voel nu weer levensmoed," en, ik wees op
de witte steenen van het kleine graf, "je moet me maar nemen zooals
ik ben, arme man, maar jou kan ik niet meer verlaten!"
"Janneke, bedenk, mijn contract duurt nog bijna twee jaar!"
"Het komt er niet op aan, Henk, geluk en leed hebben ons aan elkaar
geklonken, zulk een paar te scheiden zou het vermoorden zijn!"
Ik nam zijn arm en wij daalden den heuvel af.
Thuisgekomen viel ik uitgeput op den ruststoel neer.
"Wijfke, zie-je nu wel, hoe zwak je nog bent!"
"Zwak ja, maar mijn apathie is weg, Henk, schoon
[262:]
gewasschen door
de heerlijke frissche zeelucht daar boven en. . . . door onze teruggevonden
liefde en vertrouwen, beste man!"
"O, Jan, Janneke, als je waart weggegaan. . . ., weet ik niet wat
er van mij geworden zou zijn. . . . !"
En zijn onstuimige liefkoozing verraadde zijn geheele, stilgeleden wanhoop.
Een kwartier later kwam Tjoe-Won, Henk roepen:
"Toean Tjep Fielding mintah panggil toean, Toean Tjep dapat kabar
kabar!"[ Mijnheer de chef Fielding laat mijnheer roepen, mijnheer
de chef heeft nieuws ontvangen.]
"Nieuws. . . .? 't Is waar ook, maildag!" riep Henk en hij
snelde weg, na mij heel streng, een uur rusten op bed voorgeschreven
te hebben.