[9:] I.
Zeven jaar geleden...
Eenig kind van reeds bejaarde ouders, sinds een jaar van school thuis,
had ik nog weinig gelegenheid gehad mijn gemoedsrust door jongelui van
mijn leeftijd te verliezen. Wel kwam er zoo nu en dan een neef van mama
een theevisite slaan, maar het kale kruintje in zijn dunne vlasblonde
haren, zijn mager flets gezicht, zijn "Veilchenaugen in Milch gekocht",
daarbij zijn slechte gewoonte ietwat voorover te loopen met een ingezonken
borst en gekromden rug, alsof hij chronisch bibberde van kou, verhieven
dezen zeventien jáár ouderen, waardigen neef absoluut
boven de verdenking ooit een aanslag op mijn gemoedsrust te willen ondernemen.
Althans zoo dacht ik... met mijn negentien lentes!
Want het was lente, acht weken na Paschen, toen ik, na mijn belijdenis,
nu voortaan voor geheel volwassen gold.
Mei gaf ons lang lichte, koele avonden, die wij geregeld doorbrachten
in onze huiskamer aan straat, of liever, uitziende op de gracht, want
wij woonden toen nog, bij vaders leven, op het Oude Delft te Delft.
Gewooniijk zat moeder met haar breikous - vader droeg nooit anders dan
zelfgebreide sokken - bij het theeblad op de groote ronde etenstafel
midden in de kamer vader
[10:]
met zijn courant
in een grooten leunstoel
in den hoek naast den schoorsteen en vlak bij het raam, terwijl ik met
mijn handwerkje of boek bezit nam van de vensterbank van het andere
raam.
Vader en moeder waren menschen van diep in de vijftig; láát
getrouwd, nam moeder "het boeltje" van haar overleden ouders
mede ten huwelijk. Wij waren dus heel ouderwets ingericht, toch ontbrak
het de ruime kamer, gevuld met massieve mahonyhouten meubelen, niet
aan een zekere stemmige gezelligheid waarbij men zich spoedig behagelijk
gevoelde. Maar al die donkere meubelen en de groene ripsen overgordijnen
hulde de kamer al heel gauw in schemering, al spoedig zag men van moeders
omgeving niets meer dan een flauw gelig verschijnsel, dat straalde,
van het oliepitje achter de transparantjes van het komfoor op het theeblad,
terwijl vader en ik de hoofden naar voren bogen bij het raam om het
laatste daglicht op te vangen op onze lectuur. Niemand sprak, de gezellige
donkere kamerruimte werd gevuld met een geur van thee, de stoomende
putjes van het theewater zingend in den koperen ketel op de theestoof,
het knetteren van het oliepitje achter de transparantjes en het regelmatig
gerikketik van moeders breipennen.
Daar viel een donkere voorbijglijdende schaduw op mijn boek... Tegelijkertijd
hoorde ik een
[11:]
driftig courantengetrommel
en vaders ontstemd gebrom:
"Wat weerga. . ., alweer!. . ."
"Wie. . . Wat? . . ." schrok moeder op, half in de soes geraakt.
De voordeurschel rinkelde, terwijl papa antwoordde: "Wel, die saaie
Piet van een neef van je...! komt de kerel ons nu alweer vervelen, hij
is er eergisteren pas geweest, zijn stoel is waarachtig nog niet koud!"
"Ja," merkte ik op, in blanke gemoedsrust en volkomen sympathiseerende
met vaders stemming; wij kunnen zoo wat om den anderen avond op neef
Theodoor Dankman rekenen; dat is zoo begonnen na Paschen en moet dat
nu voortaan regel worden, va?"
Moeder stond op. "Het is heel gezellig dat hij komt," zeide
zij nadrukkelijk. "Toe, Janna, kind, maak jij even open, je weet,
Sien is uit!"
Niet opgewonden vlug legde ik mijn boek neer, na zorgvuldig gemerkt
te hebben, waar ik was gebleven en stapte bedaard naar de deur. Mij
dáár omkeerende voor ik de gang instapte, zag ik hoe moeder
fluisterend over vader stond heen gebogen en in de gang hoorde ik nog
vaders verbaasden uitroep: "Hè. . . wat zeg je daar. . .
., op dat jonge kind. . . niet mogelijk! . . .!"
Ik deed neef Theodoor open, het was donker in de gang en ik stond half
achter de voordeur.
"Zijn mijnheer en mevrouw thuis, Sientje?" klonk zijn faussetstem.
[12]
Ik kroop nog verder achter de voordeur en Siendjes dialect nabootsend
zeide ik: "Jae, m'neir, m'neir en mevrauw binnen in de voorkamer!"
Lang en langzaam stond hij zijn voeten op de mat af te vegen, hij ging
naar binnen, ik volgde hem, snuivend, hij liet een heerlijken bloemengeur
achter zich, die kwam van een grooten ruiker seringen die hij onhandig,
met de trossen naar beneden, in de linkerhand droeg.
"Dag nicht, dag neef, ik hoop niet dat ik u stoor", ik kon
voorbij loopend niet nalaten binnen te komen, de
kamer was wel donker, maar dat aardig transparante theelichtje speelde
voor klikspaan. Hij lachte en keek zoekend rond, achter zich: "Hé,
dag Adriáná, ik zag je zoo gauw niet!"
"Niet, neef Theodoor? Nu, ik u dan wel, want ik deed u open!"
"Wel neen, dat was de meid, ze sprak nog tegen me."
Dol van uitgelatenheid proestte ik het uit en Sien weer nabootsend zeide
ik: "M'neir en mevrauw binnen in de voorkamer, heb ik uwe dat niet
gezaid?"
Schaterend van pret viel ik in een stoel neer, neef Theodoor stond in
een confuus gegrinnik voor mij, Vader sloot onderwijl de blinden en
moeder, die de omslachtige petroleumlamp aanstak, zeide geërgerd:
"Och Theodoor, stoor je toch niet aan haar, ze is onmogelijk als
die stikbuien haar overvallen!" Eindelijk brandde het licht.
[13:]
"O, gunst neef
Theodoor, wat een mooie bloemen heeft u daar!"
"Vind-je ze mooi, Adrlana? nu dat doet me plezier, want ik plukte
ze voor jou, wel denkende dat zij hier bèter op haar plaats waren
dan in het tuintje van mijn hulsje, waar niemand ze ziet."
Vader en moeder wisselden snel een blik, ik greep gretig naar de bloemen,
verborg het gezicht in de geurige paarsche pluimtrossen. "Voor
mij al die bloemen, hoe dol leuk! Dank-je wel, neef Theodoor, duizend
maal dank!"
"Och, Adriana," zelde hij met zijn verlegen grinniklachje:
"Zou-je dat neef er maar niet aflaten, voortaan?"
Ik liet hem niet uitspreken: "O, wat mij betreft, ik
had al telkens moeite het niet in te slikken! Maar "Theodoor"
is mij nog een te groote mondvol, ik zal je voortaan "Theo"
noemen, dat's eenvoudiger, hè?"
De nieuwbakken Theo zag er zielsvergenoegd uit, vader daarentegen keek
mij verbaasd aan: "Hoort zoo'n fideel nest eens aan, de tegenwoordige
jeugd mist alle gevoel voor respect. Dat valt met het grootste gemak
van het eene uiterste in het andere. Dat moest je niet toestaan, Dankman."
"Och, neef Visscher, ik ben er volkomen mee tevreden. Dat zij mij
"neefde", toen ze nog in de korte kleeren liep was natuurlijk,
maar nu zijn wij beide groote menschen, niet waar, Adriana?"
"Ja... maar het verschil in leeftijd."
[14:]
"Och kom, vader, Theo heeft gelijk, het respect sleet telkens een
zoompje af, elke keer als mama een van mijn rokken verlengde. Wij zijn
nu beide groote menschen en 't staat te bezien, wie het nog wint van
ons beiden..." Lachend, de bloemen nog in de hand, ging ik schouder
aan schouder naast neef Dankman staan.
Nog dien ochtend had vader, vol trots me in de wangen geknepen: "Sakkerloot
vrouw, een deern van melk en bloed is onze eenigste, ze is je boven
het hoofd gegroeid, de stoutert!"...
Ik vónd me groot en breed naast den chétiven, kleinen
neef Dankman. Lachend keek ik hen uitdagend recht in de oogen: "Mama
beweert dat ik nog uit mijne rokken groei, pas op dat ik niet op een
goeden dag op je neer zie, Thee-theetje!"
"Thee-teetje" grinnikte van genot, dat ik zoo moedwillig alle
grenzen van respekt met één slag tusschen hem en mij vernietigde,
er speelde een tevreden glimlachje
om moeder's mond, Vader daarentegen, zat mij diepzinnig aan te kijken.
En ik voelde mij op dien lenteavond in een dolle uitgelaten stemming,
ik was verrukt met de vondst van dien zoo toepasselijken naam voor dit
ventje, dat de bespottelijke gewoonte had, zelf alles te verkleinen
wat hem betrof of toebehoorde. Hij woonde heel alleen in het ouderlijke
huis, een ruime woning met een grooten tuin er achter, toch sprak hij
altijd van zijn "lapje" tuin en zijn "kluisje."
[15:]
Later op den avond. vroeg Tee-teetje mij: "Mag ik je eens komen
halen, met mijn wagentje, Adriana, ik heb zoo'n alleraardigst nieuw
peerdje. Dan maken wij een toertje door Voorburg naar het Haagsche Bosch
en vandaar naar Scheveningen!"
"O, wat leuk, dolletjes, dolletjes...!" jubelde ik.
"Mag zij morgenavond; nicht, dan kom ik haar om half zeven halen?"
"Neen, morgen kan ik niet mee, dan heb ik mijn eersten fietstocht
met de club waarin ik tot lid gekozen ben."
"Fiets je?"
"O, heel slecht nog, maar dat komt er niets op aan beweren de meisjes,
dat leert wel, al doende."
"Is het een meisjesklub?"
"Wel neen, tien meisjes en tien jongelui, broers van een paar meisjes
en hun vrienden, allemaal studenten."
Tot mijn niet geringe vroolijkbeid betrok Thee-teefjes gezicht: "Ken
je ze?"
"Wie, de meisjes? Natuurlijk, de grootste helft zijn mijne vriendinnen."
"Neen, ik bedoel meer de... ehm... de studenten!"
Behalve de
broers van Fenne Veenema en Trudie Aldorp ken ik nog niemand, maar overmorgen
avond op onzen tocht hoop ik je meer van hen te vertellen," beloofde
ik lachend.
"Goed, dan tot overmorgen, ik houd je aan de afspraak!"
[16:]
"En ik jou
aan je belofte."
Neef Dankman nam opgeruimd afscheid, moeder dankte hem heel vriendelijk
voor zijn prettige visite. Vader mompelde maar wat, hij was opvallend
stil geweest den geheelen avond en had geen oog van Thee-teetje en mij
afgelaten.
Mijn slaapkamertje boven de voordeur grensde vlak aan de groote kamer
van mijn ouders. Als ik mij inspande kon ik dikwijls verstaan wat zij
met elkander bespraken. Dien avond klonk vaders basstem als een onverstaanbaar
gebrom tot mij door, moeders hooge stem verstond ik beter. Zoo hoorde
ik onwillekeurig : "Och... wat... niet bij elkaar passen... jij
zoekt altijd overal zwarigheden... ik zeg, het kan best op den duur....
Ja, als wij gefortuneerd waren, dan konden wij rustig afwachten, haar
vrij laten kiezen.... maar nu...Wij mogen wel ernstig over haar toekomst
denken. Toen jij verleden winter dien jichtaanval kreeg, vreesde ik
al... enfin, die angst is gelukkig noodeloos geweest.... maar als wij
eens komen te vallen.... wat moet het kind dan?"
Het antwoord met vader's bromstem ging verloren, toen moeder weer:
"Nu ja..., ik. weet 't wel, ze gaat voor haar examen in de muziek
studeeren. Maar is dat nu zoo ideaal, je heele leven pianojuf te moeten
zijn!... terwijl als zij hem trouwt.... Och, ja wel, ik weet al wat
je zeggen wilt, mooi is hij niet, maar is dat nu
[17:]
een hoofdzaak? Wat
zeg je: vervelend? Och, welke man is op den duur amusant in eigen gezin?
En dan, hij is immers rijk?...
Vader scheen plotseling in vuur te geraken: "Nou... of hij... ,Hij
kan wel in elken broekzak één ton gouds bergen!"
En nu moeders stem weer, hoog en trillend van blijde ontroering: "Nu...
verbeeld-je, haar zoo goed geborgen te weten."
Het was niet moeilijk te begrijpen, waarover mijn goede bezorgde ouders
het hadden. En ik? Ik rolde lachend in mijn bed. Och, die goede tobberige
oude menschen! Verbeeld-je, Thee-teetje met een bruidsbouquet, grooter
dan hijzelf voor mij op de knieën vallend..., heusch, hij was er
toe in staat! Ik stopte de punt van mijn laken in deh mond om mijn proesten
te smoren. Plotseling sprong ik overeind. Plastisch stelde ik mij voor,
hoe Thee-teetje zijn handen in beide broekzakken stak en een vuistvol
gouden schijven te voorschijn haalde.... Een ton gouds in elken zak,
het was toch wel om over te denken..!
"Moeder, kijk
eens, hoe prompt! Op de minuut komt daar het tje-mannetje met zijn tje-wagentje
aan!"
Moeder, die met Sientje de etenstafel opruimde kwam naar mij toe, waar
ik, reeds geheel gekleed tot uitgaan, stond voor het raam: "Wie
bedoel-je toch, kind?"
[18:]
"Wel, uw neefje, Thee-teetje natuurlijk, kijk eens alles is tje-tje
aan hem, zoo kleintjes en fijntjes, behalve
zijn zwarten strooien hoed, en weet u, moelief, waarom hij dien altijd
een nommer te groot kiest?"
"Nu, kind?" vroeg mama, terwijl zij mijn uitgelaten vroolijkheid
niet zonder achterdocht gadesloeg en eens omkeek om te zien of Sten
wel terdege de kamer uit was.
"Om het maantje onder het zwarte bolletje dat vol schijnt, terwijl
de kalender nog niet eens eerste kwartier aanwijst... Daar rijdt hij
voor... nu, dag Moes, ik zal hem niet laten wachten, daarvoor is de
tocht naar Scheveningen te prettig!"
"Janna, hoor nog eens even, kind, het is toch heel belangeloos
en vriendelijk van Theodoor je dit pleiziertje te doen, en dan kind...
vader heeft het eens nagezien in het belastingcobier, hij heeft drie
ton, denk eens goed na, drie ton?"
"Och wat moeder, "tonnen," het zijn in ieder geval dan
toch maar tonnetjes, rondjes en vetjes, dus ook nog één
voor het vestjeszakje!"
Lachend steeg ik in de dogcart. Op mijn plaats vond ik een ruiker lelietjes.
"O, Thee-teetje, wat vriendelijk van je, zijn deze heerlijke bloempjes
ook al uit je eigen tuintje?"
"Neen," antwoordde de goede sul, volstrekt niet, snappende
dat ik hem steeds parodieerde: "Ik heb ze van den bloemist... ehm...
hoe heet dat ventje ook weer, vlák bij jullie?"
[19:]
"O ja, ik weet al wien je bedoelt, het bloemistje om het hoekje
van het Begijnhofje, Jansen heet het ventje!"
Thee-teetje, kinderlijk onbevangen, was verrukt over mijn gierende vroolijkheid.
De rit was dan ook heerlijk. Het nieuwe "peerdje" draafde
verrukkelijk.
Eensklaps
vroeg hij mij: "En... heb je pleizier gehad?"
"Pleizier? Waneer?"
"Wel, op je eerste fietstochtje, gisteren avond."
"O, ja, dank-je wel."
"Ging het goed?"
"Wat?"
"Het fietsen, je was er immers nog niet helemaal achter?"
"En - zijn het nu aardige lui?"
"Wie, de meisjes? och, maar die kende ik immers allemaal al, vriendinnen
van school en de catechisatie!"
"Ik bedoel eigenlijk de jongelui."
Ik beet mij op de lippen, Thee-teetje was slimmer dan ik dacht, hij
liet zich niet uit het veld slaan door mijn karige antwoorden; "O,
de jongelui? O, ja... , die zijn ook heel geschikt."
"Wie zijn het?"
Zooals ik je al eens gezegd heb: de twee Veenema's, Koen Aldorp, Jo
Pieterse, die kende ik allemaal al, dan waren er nog de studenten, Van
der Wielen,
[20:]
Blanken, Indenhof,
Zuidenrijk, Van Waalland... Ik geloof dat ik er ben, hè?"
"Neen, het zijn er negen, en je sprak van tien!"
Wat een hardnekkig uithooren! Ik fronste de wenkbrauwen: "Ik geloof
dat je je vergist, ik noemde ze allemaal!"
"Heusch niet, tel nu maar zelf . .." En hij somde ze allen
precies op: "Nu. ., zijn dat goed geteld geen negen?"
"Je hebt gelijk,"gaf ik toe, zoo onverschillig mogelijk:
"er was er nog één bij, "Henk Of" noemden
zij hem."
"Hendrik van Offenberg, die snuiter! Nu, dat is ook een mooie aanwinst
voor je vriendenschat!"
Ik, bijzonder nonchalant: "Zoo. . . o?"
"Ja, een jongen die al drie jaar te Delft den student uithangt
en geen een examen achter den rug heeft. . ., een pretmaker, getapt
bij de kornuiten en ook, zoo gaat het altijd met dat soort, bij de meisjes!
Daar moet je voor oppassen, hoor!"
"O, kijk eens wat een mooie plompen in den sloot en daar aan den
overkant van het water, die heerlijke bloeiende meidoorn!"
Gelukkig voor mij, gaf de stoomtram, die zwoegend en bellend aan kwam
snorren, grooter afielding. Thee-teetje, de handen vol met zijn vurig
"peerdje", dat wat "schichtigjes" bleek, vergat
daardoor eindelijk dat ergerlijke uithooren. Het was zijn eigen schuld,
dat ik nu het verdere gedeelte van den tocht verstrooid
[21:]
bleef. O, die fietstocht
van den vorigen dag... die mij maar niet uit de gedachten wilde! Het
was in vroolijke onbezorgde pret, dat wij gisteravond uitreden. Aan
de jongelui, die ik nog niet kende, werd ik voorgesteld, en de gezamenlijke
beoefende sport ontnam aan de korte kennismaking dadelijk alle stijfheid.
De tocht ging naar de "Naald te Rijswijk"! Zij vonden het
geen van allen ver, ik, met mijn gebrekkige fietskennis, nog wel. Maar
ik liet niets blijken en trapte dapper mee, hoewel ik doodsangst uitstond
voor een aanrijding, met al die snorrende fletsen zoo vlak om mij heen.
Toen wij bij het hek van "Het Huis te Nieuwburg" afstapten,
zag ik zoo rood als een pioenroos, de meisjes lachten
mij uit, toen ik bekende blijde te zijn even te kunnen uitrusten.
Op de thuisreis kon ik hen niet meer bijhouden, reeds in Rijswijk bleef
ik achter. Trudie Aldorp hield mij nog een poosje heel goedig gezelschap.
Maar bij de hoogte van de Hoornbrug, toen ik, tot overmaat van zenuwachtigheid,
het gebel van een stoomtram achter mij hoorde, maakte ik zoo weinig
vaart, dat ik afstijgen moest. Trudie schoot mij vooruit, zonder mijn
ongeval te bemerken en was de brug reeds over, toen ik nog naast mijn
fiets staande, de stoomtram alle gelegenheid liet mij te passeeren.
"Allo, vooruit, haal toch op, Janna!" hoorde ik haar nog gillen.
Zij had gemakkelijk praten, eer ik goed en wel weer op mijn fiets zat,
met hulp van den brugwachter nog wel,
[22:]
en den weg naar
Delft opreed, zag ik niets meer van de geheele club. Onaangenaam gestemd,
dat ik bij invallenden schemer den geheelen langen weg alleen moest
afleggen, besloot ik vooreerst niet meer met de club mede te gaan. "Egoïste
jongens," pruttelde ik, "om mij zoo lam in den steek te laten!"
Daar reed een der clubgenooten mij tegemoet.
Lang, breedgebouwd, met een open prettig gezicht, waarin twee groote
donkere oogen flonkerden, had hij van allen die mij voorgesteld waren
bij het begin van den tocht, het meest indruk op mij gemaakt, maar daar
hij steeds de leiding nam en ik de achterhoede van de colonne uitmaakte,
had ik nog geen woord met hem gewisseld.
"Hoe is 't, juffrouw Visscher, kunt u niet opkomen?" vroeg
hij, goedhartig spottend, terwijl hij vlak naast mij kort omdraaide,
hetgeen mij een gevaarlijke afwijking naar den waterkant leek en een
angstigen gil kostte.
"O..!
alsjeblieft, kom niet zoo vlak bij mij, anders rijd ik zeker het water
in!" schreeuwde ik.
Hij lachte hartelijk en ging nu aan den waterkant naast mij rijden:
"Zie zoo, nu is het vreeselijke gevaar van deze zijde ten minste
voor u afgesneden. En nu maar flink getrapt en vooral niet angstig zijn,
dat is de halve kunst van het fietsrijden."
Helaas, vóór ons zag ik weer een bruggetje, vrij hoog,
een nieuwe moeilijkheid voor mij, dadelijk verminderde ik vaart: "Och,
laat mij toch alleen sukke
[23:]
len, als je blieft,"
hijgde ik: "Het is zoo vervelend voor u, bij zoo'n kruk te blijven."
Hij lachte weer even, een goedige lach; met één greep
rustte zijn linkerhand op mijn stuur en bleef daar. Het ging nu heerlijk
in een vlug tempo, het bruggetje vloog ik over.
"Hè, hoe zalig!" zuchtte ik, en sloeg mijn oogen dankbaar
tot hem op, recht in de donkere oogen, die zoo vriendelijk en doordringend
op mij gericht bleven.
In groote, plotselinge verwarring sloeg ik de mijne neder, gelukkig
rustte zijn hand vast op mijn stuur, want anders zou ik zeker door dit
nieuwe zoo onverwachte obstacle gevallen zijn.
Bij de Haagpoort, even voor wij de anderen inhaalden, zei ik, bij wijze
van verontschuldiging: "Ik dank u zeer voor uwe bereidwilligheid,
meneer van Offenberg, maar ik beloof u, nooit meer met de club uit te
rijden voor ik mij eerst alieen wat meer geoefend heb."
"Dat is een wijs besluit, mag ik u daarin helpen? Willen wij morgen
ochtend een toertje samen maken?" klonk vlug zijn antwoord.
Het bloed steeg mij weer zoo dom naar het hoofd en
ik wist zelf niet, waarom ik plotseling mij veel gelukkiger gevoelde
in het vooruitzicht van dit fietslesje, dan met den beloofden mooien
rijtoer van neef Thee-teetje den avond daarop.
"Dolgaarne, tenminste als u er den tijd voor beschikbaar hebt,
zoo in den ochtend."
[24:]
"O," zeide
hij met een gedwongen lach: "Henk Of' heeft immers altijd tijd
voor een pretje!"
De volgende ochtend zag ons samen weer op den Haagweg, weer rustte zijn
hand besturend op mijn fiets en weer tintelde het zoo vreemd beklemmend
en toch zoo vreugdevol in mij, toen ik zoo vlak naast hem reed, bijkans
stuur aan stuur, en mijn oogen schuchter, doch onweerstaanbaar, telkens
weer zijn donkere oogen zochten, die ik altijd vond. . . . op mij gericht!
Toen zag ik niet, de gele plompen in het water, den bloeienden meidoorn
tusschen rood beukenloof. Bij de Naald rustten wij, veel langer dan
gisterenavond, ofschoon wij slechts met ons beidjes waren, en op den
terugrit kon ik reeds alleen rijden, zoo nu en dan, bij de verhoogde
bruggetjes, gaf hij mij een steuntje door zijn hand op mijn schouder
te lenen. . . . ik voelde de warmte door de sportblouse heen van die
krachtige mannenhand, gespierd door sport.
Ik scheidde van hem met een afspraak voor den volgenden morgen. . .
en ik gevoelde mij den ganschen dag als zwevend door geurende bloesemdreven.
. .
Maar de angels bleven niet uit!
Des middags kwam mijn intiemste vriendin, Trudie Aldorf. Wij spraken
over koetjes en kalfjes zoolang mama in de kamer draalde, maar zoodra
had deze niet
de deur achter zich dichtgetrokken, of Trudie zeide: "Zeg, ik zag
je van ochtend met Henk Of
[25:]
voorbij fietsen.
. . Een leuke jongen hè!" Toon en woorden waren gewoon,
maar zij keek mij oplettend aan.
. . ."Jawel. . . ." zeide ik kort, zoo onverschillig mogelijk,
innerlijk plotseling vreemd bevangen en o. . . , die domme kleuren op
de ongeschikste oogenblikken!
Trudie's grijze oogen lichtten spottend: "Zoo, zoo," en toen
heel emstig: "Ik zou-je raden op te passen, ik kom expres om je
er over te spreken: je moet nooit meer van Henk Of verwachten dan wat
een prettige cavalier, een gezellige flirter, je geven kan."
"Wie zeg-je dat ik meer doe!" viel ik overdreven boos uit.
Ik had het land, dat ik Trudie's rustige kalmte niet kon evenaren.
"Nu ja, ik beweer ook nog niet anders, maar ik wil-je toch waarschuwen,
je kent hem nog pas zoo kort! En doordat ik een broer heb, hoor ik nog
wel eens wat meer en wat anders van de studenten. Wist je dat Henk Of
al drie jaar te Delft is en nog geen examen goed achter den rug heeft!
Het eerste jaar heeft bij het geprobeerd, maar toen al een pretmaker,
is hij met glans gezakt, sinds dien tijd heeft hij het college loopen
er aan gegeven. Hij is in Koen's club en Koen hoopt over een jaar al
klaar te zijn. Het is zoo jammer van Henk, Koen en de anderen mogen
hem allen even graag, er zit zoo'n goed fonds in hem, zeggen zij, maar
zij noemen hem nu al voorbeschikt om geheel te mislukken...., vreeselijk
hè..."
[26:]
Trudie had haar vrlendinnenroeping volbracht, en toen mama kort daarop
weer binnenkwam ging zij heen.
En als een
zware onderstreeping van Trudies waarschuwing kwamen nu Thee-teetjes
minachtende woorden over den student "Henk Of".
Toch... den volgenden morgen fietste ik weer met denzelfden Henk Of
en op zijn aanraden maakte ik ook elk tochtje van de fietsclub mede.
Hendrik van Offenberg bleef steeds aan mijne zijde, ook toen hulp heelemaal
niet meer noodig bleek en nog heel dikwijls, als gedachteloos, legde
hij de hand op mijn stuur en op mijn schouder.... en dan altijd zagen
wij niets van den weg, of het moest de afspiegeling ervan zijn in ons
beider oogen...
Maar ook Thee-teetje maakte er een vaste gewoonte van zijn kopje thee
om den anderen avond, als ik niet fietste, in onze huiskamer te komen
drinken. Op de seringen volgden ruikers sneeuwballen, daarna jasmijn
en toen hij op een middg zijn eerste "roosjes" bracht uit
zijn "tuintje," had hij zijn gekleed "jasje" aangetrokken
en sprak ernstige woorden over een groot gewichtig voornemen in zijn
"leventje".... tegen mijn ouders, want ik was uit op een fietspicnic
naar Meiëndal, dat groene plekje, doorstoofd van dennengeur, midden
in de Waaldorpsche duinen. Hendrik Offenberg en ik hadden al pratende
en stoeiende de clubgenooten alleen gelaten voor de boschwachterswoningen
waren samen, duin op, duin af
[27:]
gedwaald. Onverwacht
trapte ik in een konijnenhol, waarin mijn voet bleef steken, zoodat
ik struikelde en voorover gevallen zou zijn, zoo Henk mij niet opgevangen
had in zijn armen. Ik gaf een gilletje, en Henk schreeuwde het uit van
schrik. Hij klemde mij vast in zijn armen, ik bleef stil liggen, tegen
zijn borst. Weer zochten onze oogen elkander.
"Heb-je je erg bezeerd, lieveling," fluisterde hij zoo teeder
bezorgd.
Ik schudde met een weeken glimlach van neen, en toen overweldigd door
mijn ontroering, legde ik met een snik mijn hoofd tegen zijn schouder.
Bleek tot zijn lippen toe fluisterde hij: "Hou-je van mij... Toe,
zeg dat je van mij houdt...!" dwong hij heesch.
"Dat weet-je al zoo lang!" kon ik nog zeggen voor zijn lippen
op de mijne drukten.
"Mijn Janneke!"
Dicht tegen elkaar aangeleund zochten wij eindelijk het gezelschap weer
op, Wij hoorden ze achter de dennenbosschen praten en joelen voor wij
ze nog zien konden. Henk bleef staan, nog altijd bedekte een diepe bleekheid
zijn mooi mannelijk gezicht: "Janneke, hoor mij nog even aan!"
Hij greep mijn beide handen, hield ze in de zijne vast tegen zijn borst
gedrukt: "Laat mij een belofte afleggen. Zij hebben je zeker, en
al meermalen... niet veel goeds van mij verteld? O, zeg maar niets,
die dat deden hebben groot gelijk. Ik ben tot nu toe een doeniet van
een
[28:]
kerel geweest! Drie
jaar heb ik vermorst, niets uitgevoerd, tot groot verdriet van mijn
arme ouders, Papa heeft niets dan zijn rectorsinkomen, ik studeer van
een legaat dat een overleden tante mij naliet... Twee derden zijn daar
reeds van opgeteerd, feitelijk verbrast.... Maar van stonde af aan zal
dat nu alles veranderen! Janneke, misschien heb ik je nog niet mogen
zeggen dat ik je liefheb, of daarmede moeten wachten... Ik weet het
niet,... ik weet alleen dit ééne, ik voel dat je liefde
voor mij de vurige prikkel zal zijn tot inspanning! Janneke, het zal
jaren duren, vrees
ik, voordat ik zooveel verdien dat ik je vragen mag mijn vrouw te worden,
wil je op mij wachten, en mij in dien tusschentijd vertrouwen?"
"Al is het vijfentwintig jaar.... een eeuwigheid... ik zal wachten
en vertrouwen!"
Weer kusten wij elkaar: "Goed, van nu af, zal ik je waard worden!"
Hij strekte zijn rechterhand uit, waarin ik de mijne legde, die hij
krachtig drukte, daarbij zagen wij elkander recht in de oogen, ernstig,
een glimlach vol moed om den mond. Wij hadden een bond gesloten voor
het leven!