[41:] V IJ F D E
H O O F D S T U K
EEN BRIEF VAN HUIS
Mejufvrouw L. Van
Wageningen. Adres:
den WelEd. Heer Oristorio, enz., enz.
L i e f s t e L i n a !
Wel mijn kind, wat
waren wij gelukkig toen wij heden morgen de tijding ontvingen van uw
goede aankomst in Oost-Indië! Richard is den ganschen dag zóo
wild geweest van vreugde dat er geen huis met hem te houden was, Ella
Salvita was te opgewonden om te ontbijten, zelfs om mij suiker in mijn
thee te geven, nu ik beken je ronduit dat ik het niet bemerkt had vóor
dat zij zelve het zag, en mij lachend verweet dat ik even ongeduldig
en zenuwachtig was als zij! Je oude poes begreep niets van de consternatie,
maar Bijoux scheen je ganschen brief met ons te lezen, en deelde in
de vreugde alsof hij tot de familie behoorde. Mietje alleen kwam vrij
nuchter uit den hoek met haar: "Och! heetje! Is de juffer nou in
dat verre land! Wel, wel, 't is wat te zeggen!" En dan beweren
de geleerden dat Mietje meer ziel heeft dan Bijoux. 't Is mogelijk,
maar ik geloof het niet. En indien het zóo is, welnu dan acht
ik er den hond des te hooger om, daar hij beter gebruik van de zijne
maakt dan zij van de hare.
En nu heb ik je wat nieuws mee te deelen, namelijk dat ik je wijzen
raad gevolgd en Elia ten huwelijk gevraagd heb. Zij was in deze omstandigheid
weer eenvoudig
[42:]
groot, zoo als
zij in alle anderen geweest is. - "Neen," was haar eerste
woord. "Ik ben de vrouw niet die geluk in een familie brengen kan."
-"Wie kan die vrouw zijn, indien gij haar niet zijt?" vroeg
ik haar. "Waar is verstand en ziel en wil vereenigd als in u? Waar
liefde tot een hoogeren graad van volmaaktheid opgevoerd dan in de zelfverloochenende
grootheid die de grondtrek van uw karakter uitmaakt."
Zij zag mij aan, met haar groote dankbare oogen en schudde weemoedig
het hoofd, terwijl zij zacht en ferm zeide: "Neen, ritmeester,
gij hebt kinderen, voor wie gij den heiligen moedernaam zuiver en onbevlekt
bewaren moet. . . . Een actrice vernedert de kinderen die haar "moeder"
noemen, verlaagt hem die onder zijn naam de minachting tracht te verbergen,
die aan den hare verbonden is. . . .Spreek nooit meer van een huwelijk.
Laat mij bij u blijven en gelukkig zijn en bekommer u niet verder over
een leven dat, God geve het, niet lang meer duren zal."
Zij glimlachte, en verliet de kamer met een kalmte die ieder ander dan
mij, had doen denken dat zij ongevoelig was.
Ik oogde haar na toen zij den gang doorging, den trap op, in hare kamer.
. . . en toen alles stil was, volgde ik haar.
Ik vond haar op de sofa, met het gelaat in de handen, bitter schreiende.
Ik had de deur zóo zacht geopend dat zij mij niet had hooren
inkomen en dat ik naast haar zat voor zij het wist. "Ella,"
sprak ik nauw hoorbaar. "Kom,
[43:]
wisch die tranen
weg en laat ons openhartig samen spreken." Zij zag mij een oogenblik
ontsteld aan, liet toen het hoofd op mijn schouder zinken en snikte
zenuwachtig zonder een woord te kunnen uiten. Toen zij eindelijk tot
bedaren was gekomen en haar hoofd half-lachend op had gericht met de
woorden: "Laat ons nu over iets anders spreken," gaf ik haar
uw brief van de Kaap de Goede Hoop, en liet ik haar zelve lezen wat
gij omtrent een huwelijk tusschen haar en mij geschreven hadt.
Toen zij gelezen had, gaf zij mij met bevende handen brief terug.
"Verlangt gij l i e f d e, ritmeester ?" vroeg zij aarzelend.
"Neen. Ik verlang van u niet meer dan een jonge vrouw kan geven
aan een man van mijn leeftijd: achting, welwillendheid, vriendschap.
-" Zij zeide niets, opende een schrijfportefeuille, kreeg er een
paar oude brieven uit en overhandigde mij die met de woorden: "Hier
is mijn li e f d e. - De vrouw aan wie deze brieven gericht waren is
dood, haar zuster zond ze mij terug, toen zij gestorven was, en als
de weemoedige herinnering aan lang vervlogen gouden droomen, heb ik
ze bewaard, niet denkende dat zij mij ooit te pas zouden komen. - Lees
ze en verscheur ze dan - mijn verleden is dáar. - Later zullen
wij over de toekomst spreken."
Ik was gereed de brieven terstond te verscheuren en zeide haar dat ik
haar verleden als het. mijne aannam, zonder onderzoek en zonder twijfel;
maar zij smeekte mij zoo dringend aan haar verzoek te voldoen, dat ik
gehoorzaamde en haar niet weerzag vóor etenstijd.
[44:]
Wanneer gij deze letteren ontvangt, zal Ella mijne vrouw zijn, en dan mijn kind zult gij een moeder hebben, op wie gij trotsch kunt wezen. . . . . .