V I J F T I E N D E H O O F D S T U K
HET OFFER AAN EERZUCHT GEBRACHT
Wij vinden Louise Van Amerongen weder in een prachtig wit zijden bruidskleed; een lichte kanten sluier is smaakvol om het schoone hoofd geplooid, en omzweeft als een dunne wolk de fijne, ranke gestalte. Kostbare paarlsnoeren kronkelen om den blanken hals en armen, en een fraaie krans van oranjebloesems en witte rozen ligt op een stoel aan haar zijde. Haar gelaat is bleek, haar oogen schitteren en haar handen zijn
[109:]
wit en koud. Overigens
is zij kalm en geen woord, geen beweging verraadt wat er in haar ziel
omgaat.
De resident treedt met een glimlach om de lippen de voorgalerij binnen
en beeft licht terwijl hij de hand zijner bruid in de zijne wat.
"Zal zij mij gelukkig maken?" vroeg hij zichzelven met eenige
twijfeling af, en toen hij zijn oog vragend op zijn schoone Louise vestigde,
ging hem een koude rilling door de leden, terwijl hij zichzelven verzekerde
dat haar buitengewone schoonheid ruimschoots vergoeden zou hetgeen zij
aan verstand of hart ontbreken mocht.
"Zal het mij mogelijk zijn dien man gelukkig te maken?" waren
ter zelfder tijd de gedachten der bruid, en toen zij haar donker oog
onzeker over den menigte liet weiden, trof haar de zachte, treurige
uitdrukking van Henri's edel gelaat en ook haar ging een koude rilling
door de leden, terwijl zij haar blikken nedersloeg en zichzelve ontkende
immer iets om haren neef gegeven te hebben.
Arm meisje! Hoevelen handelen als gij, en werpen zich met een bloedend
hart in de armen van een man die haar onverschillig is! Hoevelen brengen,
als gij, aan een fortuin, aan een rang het geluk van gansch haar leven
ten offer en verloochenen, vergeten, versmaden zichzelven en anderen
voor een denkbeeldige grootheid, die haar waarde verliest zoodra men
gevoelt haar bereikt te hebben!
En gij, dwaze man! gij die de menschen kent en voor wien de wereld niet
nieuw meer is, gij die geen jeugd, geen onervarenheid, geen plichtbesef
ter uwer verontschuldiging
[110:]
kunt bijbrengen,
hoe kunt gij u aan een woesten hartstocht overgeven waartegen uw verstand
u waarschuwt en geheel uw ziel zich verzet? Hoe kunt gij, die alles
gezien, gekend, genoten hebt, wien niets onthouden is geworden, zelfs
niet de rampen die kracht geven en de teleurstellingen die tot nadenken
brengen, hoe durft gij thans op een gelukkige toekomst hopen?
Toch zijn er velen als gij, die op een gevorderden leeftijd een jonge
bruid naar het echtaltaar voeren zonder een oogenblik aan het geluk
der aanstaande levensgezellin gedacht te hebben. Die haar uit eigenliefde,
hoogmoed tot pronkzucht, het jawoord als afpersen en haar van haar ouders
afbedelen of koopen om het nietig genot te hebben van der wereld toe
te roepen: "Zij, die de mijne is geworden, was te goed voor allen,
de grootsten waren te gering voor haar en de rijksten te arm; maar zij
heeft mij haar leven en haar toekomst toevertrouwd, mij heeft zij haar
jeugd en haar sclloonheid geschonken."
Het leven is een leerschool, heeft men meer dan eens gezegd, en toch,
hoevelen hollen dat leven door, zonder omzien, zonder nadenken, zonder
vergelijken, zonder berekenen, verblind door al wat schittert, medegesleept
door al wat kracht heeft, voortgestuwd door al wat buiten hen is. Zij
zien alles en begrijpen niets, gevoelen alles en kennen niets, ondervinden
alles en doorgronden niets: Uitgelaten vroolijk in voorspoed, zijn zij
hopeloos in droefheid en verwoed over de geringste teleurstelling. Niets
is blijvend voor hen; wat zij heden liefhebben, versmaden zij morgen;
watzij gisteren deugd noemden, is heden misdaad voor hen.
[111:]
Zij leven geheel
voor het oogenblik, gevoelen zonder herinnering en handelen zonder aan
een toekomst te denken. Vandaar dan ook dat men er zoo velen ziet die
in de werkelijkheid grijs geworden zijn om hun leven in een illusie
te eindigen.
In de kerk knielde de jonge bruid aan Stevens zijde neder, zijn oogen
zochten de haren, de haren bleven onafgebroken neergeslagen. En toen
de plechtigheid geëindigd was en zij op zijn arm geleund de kerk
verliet, verried een hoog rood een onbestemd gevoel van schaamte en
berouw dat zich onwillekeurig van haar meester maakte.
De resident gevoelde iets dergelijks, maar begreep het niet. Zijn oog
viel op het bekoorlijke schepsel dat hem t o e b e h o or d e , en half
bevend fluisterde hij haar in het oor:
"O Louise, mijn engel! Thans zijt gij de mijne voor eeuwig!"
Nu eerst gevoelde het meisje, welk een vreeselijke band er tusschen
haar en dien man gelegd was geworden. Nu verstond zij eerst recht die
ijselijke woorden, die een oogenblik te voren nog bloote klanken voor
haar geweest zouden zijn.
Arme, arme Louise! De groote stap is thans gedaan. Mor niet tegen hetgeen
geschied is, maar draag zorg voor de toekomst; wend de verblindheid
uws echtgenoots ten uwen voordeele aan: hij beminde u tot heden zooals
hartstocht, zooals begeerte alleen bemint, maar temper, wijzig die liefde,
leid haar met verstand opdat zij een bron van geluk moge worden, voor
u en voor den
[112:]
man wiens toekomst ook de uwe wezen moet. Ontzie uw echtgenoot daar waar gij niet met hem overeen zult stemmen, acht hem, zoo niet om zijnentwille dan uit achting voor u zelve, en bemin hem, zoo niet met uw hart, dan toch met uw geweten; want gij hebt hem gansch uw leven beloofd en zijt hem dus medewerking en genegenheid verschuldigd. Leef, ja leef geheel voor hem, jonge, schoone, rijke vrouw, en hij zal door uw deugden leeren u lief te hebben, te achten en te eerbiedigen zooals hij nog nimmer een vrouw vóor u lief gehad, geacht en geëerbiedigd heeft.