6
November.
Zoo druk heb ik
't gehad met mijn onvergetelijken waschdag, dat ik nog geen tijd kon
vinden om andere indrukken op te schrijven en toch is er al zoo 't een
en ander voorgevallen, dat wel't opschrijven waard is.
Ten eerste moet ik bekennen, dat Bergveld bij den dag leelijker, stiller
en doodscher wordt; het weer is heel slecht, het regent en sneeuwt,
en regent al weer, dus verkeeren de straten bijna altijd in drijvenden
toestand. Niemand gaat voor zijn pleizier op straat, en in Amsterdam
begint nu juist de Sint Nicolaasdrukte en wordt het er zoo heerlijk
gezellig, met die mooie uitstallingen in de winkels en die levendigheid
op straat.
Van het slechte weer merkt men er zoo bitter weinig, daar is de tram
goed voor, en is 't maar eens eventjes droog, dan gaat men er op los
zijn boodschappen doen.
Maar hier lijkt het wel of het zonder ophouden door regent of sneeuwt
en of de modder niet van de straten is; de winkels zijn binnen het kwartier
afgekeken, aan Sint Nicolaas denkt nog niemand! En toch
[24:]
klaag ik niet!
Wat kunnen mij die stille, morsige straten schelen, als bij ons t'huis
het zonnetje maar schijnt en dat is altijd het geval. Wij zijn zoo gelukkig,
dat mij soms een plotselinge angst overkomt en ik denk: zoo kan 't niet
duren! en dan bid ik in stilte: "Ach Heer! Laat mij dit geluk niet
eens duur betalen!"
Wij genieten elk uurtje van ons samenzijn. Hugo ziet op zijn jongeheerenleven
terug, als op een ellendig tijdperk, en mij schijnen mijn jonge-meisjesdagen
zoo leeg en hol toe, en zoo koud in vergelijking van de warmte, die
nu mijn hart vervult.
Zeker, zij hielden t'huis ook van mij, maar dat voelde je zoo niet;
deze had dit en die had dat op mij te zeggen, en nu is alles wat ik
doe goed, 't eenvoudigste door mij verricht noemt Hugo een meesterstuk.
Hij is ernstig van aard, en daarom vind hij het zoo'n genot, mij te
hooren lachen, en ik weet zeker dat hij mij menige domheid zal vergeven,
als ik die met een grap goed maak.
Sedert dien vreeselijken waschdag, toen ik de verbrande overblijfselen
van mijn kookkunst, terwijl Rika naar bed en Hugo even naar de brievenbus
was, door de achterdeur naar buiten op den mesthoop van onzen buurman
gooide, heb ik goed mijn best gedaan en tracht ongemerkt veel van Rika
af te kijken.
't Is niet gemakkelijk, want Rika voelt reeds verbazend haar meerderheid
boven mij en laat het mij telkens merken, dat zij die nieuwbakken mevrouw
getaxeerd heeft op haar volle waarde.
Ik heb soms een paar leelijke bokken geschoten; in 't begin wist ik
op geen ons na, hoeveel spliterwten b. v.
[25:]
noodig waren voor
erwtensoep, en toen Rika mij vroeg of zij die halen moest, en hoeveel,
antwoordde ik flinkweg:
"Twee pond!"
"Dat is toch niet voor een dag, mevrouw?" zeide Rika met iets
spottends in de stem.'
"O, neen," antwoordde ik toen, "'t is goed, erwten in
huis te hebben. Ik houd er niet van, telkens bij kleinigheden iets te
halen."
"En hoeveel moet ik nu nemen?" ging het onuitstaanbare schepsel
voort.
"Zooveel als noodig is," beet ik haar toe.
"O zoo!" klonk het veelbeteekend. De erwtensoep des middags
was heerlijk, maar ik weet tot nu toe nog niet, hoeveel erwten er noodig
zijn voor een erwtensoep, bestemd voor drie personen.
't Is dikwijls onuitstaanbaar, zooals dat schepsel mij kan aanzien,
als ik haar wat zeg, en dan heeft zij zoo'n manier om niets te antwoorden
en toch haar eigen gang maar te gaan. Ik vind het allerhatelijkst, ik
ben toch mevrouw, niemand behandelt mij als kind tegenwoordig, dan alleen
die nare meid.
Wacht maar! Rika! zoodra ik 't koken machtig ben ga jij de deur uit;
't is misschien ondankbaar van mij, maar 't kan me niet schelen. Ik
wil er niet onder raken. Ik ben niet getrouwd om onder de pantoffel
te komen van een meid, al is die ook eens zoo oud als ik.
Anders bevalt mij dat mevrouwtjes-leven heel goed. De kamers zijn nu
in orde en zien er verrukkelijk uit, ik heb ze toch zoo aardig versierd
op mijn manier,
[26:]
volgens mijn eigen
uitvinding, waar ik niet weinig trotsch op ben.
Er was een ding, dat mij zeer hinderde: wij hadden gebrek aan schilderijen.
De meubels en tapijten waren zoo duur, dat mama niets wilde hooren van
overtollige dingen, zooals zij schilderijen noemde. Die moesten wij
maar zelf koop en of die zou ik wel cadeau krijgen, maar jawel! daar
kreeg ik drie stel gemberlepels, vier aspergetangen, een half dozijn
majolica vazen en bloempotten en meer van die nuttige dingen, maar geen
enkel ding om aan den muur te hangen.
Op de huwelijksreis kochten wij een paar mooie photo's en lieten die
omlijsten; schoonmama stuurde mij een paar van die ouderwetsche gravures
- "Le Départ", "Le Retour" - welke men liefst
een beetje hoog hangt en met behulp van een paar mooie schotels had
ik het salon en de huiskamer tamelijk vol, maar in de slaapkamer hadden
wij zoo goed als niets.
Dat vond ik erg vervelend; het behangsel is daar afschuwelijk: van die
groote bonte rozen met papegaaien er tusschen, alles even kakelbont,
ouderwetsch, schreeuwerig, wij hebben met al ons mooi praten er geen
nieuw papiertje op kunnen krijgen.
Ik martelde mijn hersens om er iets op te verzinnen, en kijk eens aan,
daar kwam mij mijn groote teekenmappe in de gedachten, daar zitten mijn
meesterstukken in, aquarellen, koppen, landschappen, gedoezeld en in
crayon. Heel veel artistieks is 't niet maar toch in elk geval beter
dan dat foei-leelijke behang. Ik koos de beste er uit, klopte en hamerde
tot ik er rood van werd en keek met de grootste voldoening rond. Boven
[27:]
ons bed hangt mijn
mooie "Ecce Homo", die ieders bewondering opwekte; aan weerszijde
van de waschtafel twee landschappen uit Capri en Zwitserland, tegenover
ons bed, de koppen van Cicero en Caesar; onbegrijpelijk hoe goed het
staat. Ik heb nauwelijks geduld te wachten tot Hugo komt; wat hij zeggen
zal van de verrassing?