21 Juni.
Hij leeft nog maar
onder het vreeselijkste lijden.
De dokter wil mij sparen - maar ik lees het op zijn gezicht, het ergste
staat mij te wachten. Ach! ons jong, mooi geluk, moet ik het zoo verliezen!
[178:]
Heer! van leven
en dood! Red mijn Hugo, ik kan hem niet missen of laat mij heen gaan
met hem!
Niemand van mijn familie wil ik hier hebben; ik schrijf hun 't ergste
niet - zij vreezen de besmetting zoo en alles zal toch spoedig beslist
zijn - - maar hoe? Ik sidder en beef, maar moet mij sterk houden voor
hem!
Inhoudsopgave | Vorig hoofdstuk | Volgend hoofdstuk