8 Juni.
De schoonmaak is
voorbij en de zusjes zijn heen.
't Waren heerlijke, gezellige dagen en toch - toch ben ik blij dat wij
weer onder ons zijn; de volgende maand gaan wij naar huis. Ik kan haast
niet slapen van pret, als ik er aan denk mijn ouders terug te zien en
de kennissen en mijn lief Amsterdam en toch is er iets in mij dat mij
zegt:
"Je zult blij wezen weer kalm terug te zijn in je eigen hutje,
je eigen te huis. Hoe innig saamgegroeid je ook mag zijn met je ouderlijke
woning, als je daar geweest bent, zal je het duidelijk voelen dat hier
in je eigen woning de eenige plaats is, waar je thuis hoort."
Ik kon 't voelen bij mijn samenzijn met de zusjes; in zoovele opzichten
ben ik haar ontgroeid.
Menschen en dingen, die ons vroeger het grootste belang inboezemden,
zijn voor haar hetzelfde gebleven en mij laten ze koud en omgekeerd,
wat mijn leven is, vinden ze nauwelijks de moeite waard over te spreken
en toch zijn Mimi en Jet aardig, hartelijk, sympathiek. Zij lieten hier
aangename herinneringen na, zelfs bij mijn schoonmoeder, die ze zeker
veel liever vindt dan mij - omdat zij ze maar veertien dagen lang heeft
bijgewoond. Zij konden zich hier al goed wennen en als Mies niet half
geêngageerd was
[171:]
geweest geloof
ik zeker, dat Brands wel idée op haar had gekregen.
"Zou u denken?" vroeg Clara den eersten keer dat wij weer
alleen waren, "dat mijnheer Brands erg in juffrouw Mimi doet?"
"'t Kan wel wezen, maar je weet dat zij geëngageerd is en
't geeft dus niets."
"Ja - maar misschien kan hem dat niet schelen. Ik - ik geloof dat
juist het onbireikbare hem aantrekt dat maakt hem juist zoo ongelukkig."
"Of zoo mal! Je kunt waarlijk wel iets beters doen Clara, dan je
voor zoo'n man te interesseeren."
Zij bloosde hevig door mijn onbarmhartig dringen in het heiligdom van
haar hart; maar daar hoorden wij paardengetrappel en zij vloog naar
het hekje dat op den wal uitkomt - wij zaten in den tuin; na een oogenblik
kwam zij juichend terug.
"Twee schimmels te gelijk, nu zijn er vijftig!"
Ik keek haar verbaasd aan.
"Wat kunnen je de schimmels van andere menschen schelen? En waarom
moeten het er juist vijftig zijn?"
"Niet vijftig maar negen en negentig en dan een schoorsteenveger
en dan komt het uit."
"Maar Clara!" riep ik ongerust, "ben je niet wijs geworden?
Wat bazel je toch voor onzin?"
"Weet u dat niet?" vroeg zij verlegen lachend, "ik dacht
dat alle jonge meisjes schimmels telden? Ziet u, als men binnen een
jaar negen en negentig schimmels ziet en een schoorsteenveger en dadelijk
daarop een heer de hand geeft, dan is 't zeker dat men met hem
[172:]
trouwt, ja heel
zeker," verzekerde zij vol vuur en een beetje beleedigd over mijn
luid gelach, "bij Anna Dirks is 't precies zoo uitgekomen en nu
ben ik ook begonnen schimmels te tellen!"
"En sedert hoe lang?"
"Zoowat sedert een half jaar. Maar nu moet ik weg," zeide
zij, zeker om andere vragen te ontkomen, "'t is reeds zeven uur!"
Wij namen afscheid en ik bleef kalm en vredig den mooien avond genieten
in mijn aardig tuintje met zijn bloeiende rozenstruiken en reseda-bedden.
't Is waar, je hoeft niet ver te kijken om koolstronken en boonenstaken
te zien - maar is 't niet hetzelfde in het leven?
De kunst bestaat er in, zich te verheugen over het bloeien der rozen
en niet te vergeten dat ook de leelijke moestuin zijn nut heeft.
Terwiil ik daar zoo prettig zat en thee zette in afwachting van Hugo's
komst, daar naderde de geheime oorzaak van Clara's schimmelmanie; hij
slenterde loom en lui als gewoonlijk maar zag er nu werkelijk bleek
en betrokken uit; in het voorbijgaan wierp hij zijn gewonen verachtelijken
blik op mijn arme slabedden.
Hij zette zich na een korten groet op den stoel tegenover mij neer en
staarde strak voor zich uit.
Hugo is niets ongerust meer over hem, maar hij heeft me toch bekend
dat die lummel hem soms heel veel jaloersche oogenblikken bezorgde.
Maar dat is nu voorbij 't is of er honderd jaar tusschen liggen; ik
kan nu gerust de rol van "moederlijke vriendin" bij hem spelen.
"Wel," zoo begon ik het gesprek toen ik merkte
[173:]
dat hij volstrekt
geen trek scheen te hebben om te praten, "wat is er gebeurd? U
ziet er uit of u een ongeluk is overkomen."
"Een ongeluk? Wat voor bijzonder ongeluk kan mij overkomen? Mijn
geheel bestaan is niets dan een aaneenschakeling van rampen en teleurstellingen
- ik -"
"Nu ja, laten wij de oude dingen rusten, dat weten wij nu eenmaal;
vertel maar liever wat u vandaag is gebeurd, want dat u iets bijzonders
heeft zie ik duidelijk."
"O 't is de moeite niet waard," zeide hij met gemaakte onverschilligheid.
"Mijn patroon heeft mij tegen Augustus mijn ontslag gegeven. Vindt
u dat niet natuurlijk, logisch, consequent?"
"Als u nalatig of onbeleefd tegen hem geweest is, ja!"
"Onbeleefd tegen hem, tegen dien Droogstoppel, dien proletariër,
dien ruwen kerel, wiens eenig doel is geld, veel geld te verdienen en
die daarvoor hersens en spieren van zijn werkvolk uitzuigt? Een nijlpaard
zou er zijn geduld bij verliezen."
"Is een nijlpaard dan zoo'n voorbeeld van geduld?" vroeg ik
lachend.
"Maar 't is goed zoo," ging hij met verheffing van stem pathetisch
voort, "ik ben dit vernederend bestaan sedert lang moe. Ik ben
te goed om een machine te worden in handen van dien slavenhouder. Wat
er verder van mij komen zal? Ik weet het niet. Ik begin in te zien dat
het vergeefs strijden is tegen het noodlot, dat sommige individus zonder
ophouden vervolgt. Het leven is de moeite van het leven niet waard,
't is alles even plat, even dor, even onverkwikkelijk. Men
[174:]
voedt zijn levensvlam
met zijn beste krachten, zijn hoop en illusiën en wat blijft er
over - asch."
Ik zag hem met vriendelijke belangstelling aan en vroeg toen met volmaakten
ernst:
"Waarom schiet u zich toch niet dood?"
"Wat belieft u?" vroeg hij verbaasd opschrikkend.
"Hoe bedoelt u dat?"
"Wel, dat hoort er bij! Dat klagen is de mode tegenwoordig en daarop
volgt dan zelfmoord, een pistool, een paar druppels cyankali en uit
.is de pret. Wie 't eene doet, moet ook voor 't andere niet terugschrikken!
Waarom zou u het toch ook niet doen? Boven godsdienstige bezwaren is
u natuurlijk ook sints lang verheven!"
"Maar mevrouw," stotterde hij, "men heeft toch ook plichten
jegens - jegens -"
"Jegens wie? Wel neen! niemand zal u missen, u heeft nooit eenige
moeite gedaan om u bij iemand onmisbaar te maken; tien andere menschen
zijn klaar om de plaats, die door u leeg is geworden weer in te nemen.
Foei," zei ik nu werkelijk ernstig, toen hij als getroffen zweeg,
"'t is schande voor een flink, gezond jong man zoo te praten. U
kan het niet meenen. Wat heeft u gedaan om tegen het noodlot te strijden,
eigenlijk niets dan klagen en jammeren. Wat heeft u aan uw talenten
en uw verstand - want die bezit u meer dan genoeg -? U poseert met uw
ontevredenheid of het een deugd was, in plaats van flink de handen uit
te steken, iets aan te pakken en 't zoo goed als u kan te behandelen!
Er is zooveel goeds in de wereld, waarom alleen naar het slechte gekeken
en daarover gejammerd? Schande is 't, dat ik, een domme,
[175:]
jonge vrouw dat
zeggen moet aan een man als u!"
Ik was zelf verbaasd over mijn brutaliteit maar het scheen hem goed
te doen zoo eens wakker geschud te worden.
"Had ik u maar vroeger gekend!" zuchtte hij, "u heeft
zoo'n flink, resoluut karakter. Wat had u een goeden invloed op mij
kunnen hebben... "
"Dit verbeeldt u zich! Er zijn nog veel flinkere vrouwen dan ik
op de wereld, maar daar mag u nog niet aan denken. Eerst moet u een
goede betrekking hebben en dan een heel ander mensch worden, vóór
u iemand vinden zal, die zoo goed zal zijn het met u te probeeren, in
plaats dat u zich verbeeldt haar zoo'n verbazend groot geschenk aan
te bieden met uw eigen kostbaar persoon!"
Daar flitste eensklaps een gedachte op in mijn geest, die mijn ziel
onmiddelijk geheel vervulde: als ik Brands een betrekking kon bezorgen
bij Clara's vader. 't Is toch altijd netter hout te zagen dan schoensmeer
te maken en als Clara hem nu absoluut hebben wou en de oude heer maakte
hem tot een flink man van zaken - wie weet of hij hem niet eens tot
compagnon nam.
Tot nu toe had ik weinig om hem gegeven, nu vatte ik eensklaps belangstelling
voor hem op - wat zou het een genot zijn als ik oorzaak werd van het
geluk dier twee menschen. Hij is zoo kwaad niet en Clara is een vrouwtje,
zooals ik mijn eigen broer - als ik er een had - zou toewenschen.
"Mag ik vragen," vroeg hij, "wat u zoo bezighoudt?"
[176:]
"Neen dat
mag u niet! Eerst moet ik met Hugo praten en dan hoort u er van."
Ik raakte hoe langer hoe meer ingenomen met mijn plan; toen ik er Hugo
over sprak, vond hij 't ook heel geschikt, het eenige middel om van
den "zieken jongeling" nog een bruikbaar mensch te maken.
Bij den ouden heer Sanders heb ik een wit voetje; hij verbeeldt zich
mij veel dank schuldig te zijn, omdat ik zijn dochter zooveel plezier
doe; ik ga dus reeds morgen naar hem toe om er over te praten.