[94:]
NEGENDE HOOFDSTUK
Den 1 Januari 1807
had er in het paleis in den Haag een schitterend bal plaats. De etiquette
werd tot in de kleinste bijzonderheden door den koning geregeld; met
bijna pijnlijke nauwgezetheid hield hij zich bezig, niet alleen met
de groote staatsbelangen, maar ook met de geringste onderdeelen van
de hofhouding.
Zijn achterdocht bleek duidelijk uit de voorzorgen die hij nam bij het
aanstellen der hofbedienden. Zelfs de minste koksjongen of stalknecht
mocht niet benoemd worden dan bij koninklijk besluit, na de strengste
informaties, en als het Franschen gold, dan moesten de getuigen nog
ernstiger onderzocht worden.
Dit bracht tusschen de beide partijen hoe langer hoe meer ontevredenheid
teweeg; maar op het bal, dat zeer geammeerd was, schenen de veeten voor
een oogenblik vergeten, men dacht er slechts aan zich te amuseeren en
de treurige tijden uit de herinnering te verdrijven. Helaas! reeds in
een der volgende dagen had in Leiden de ontzettende ramp plaats, van
[95:]
het in de lucht
springend kruitschip, den beoefenaars onzer vaderlandsche geschiedenis
zoo welbekend.
Dat koning Lodewijk zich toen in waarheid de vader des vaderlands toonde
en alles deed om zooveel mogelijk het leed te verzachten en de treurige
gevolgen te verminderen; dat hij met zijn persoon, zijn voorbeeld en
zijn geld zich aan het hoofd stelde der comité's, die den nood
beproefden te lenigen - dit alles strekt hem zeker tot groote eer.
Toen de koningin teruggekeerd was, bleek het duidelijk dat de verhouding
tusschen hen door de afwezigheid geen verbetering had ondergaan: beiden
schenen ontevreden en verdrietig. Hortense kon het ruwe voorjaarsklimaat
niet verdragen, zij klaagde over haar gezondheid en zag er werkelijk
slecht uit. Ook Lodewijk sukkelde en werd steeds achterdochtiger, hij
omringde zijn vrouw met spionnen, die hem van al haar woorden en handelingen
verslag deden; hij liet zelfs haar brieven openen en stond haar niet
toe iemand zonder zijn toestemming te ontvangen.
Zij leefden geheel gescheiden, elk in een vleugel van het paleis, zoo
ver mogelijk van elkander; slechts bij officieele gelegenheden zag men
hen te zamen.
Meestal trok Hortense zich terug in haar appartementen, maakte er muziek
met haar dames, teekende of schilderde en hield zich bezig met haar
kinderen, die zich heerlijk ontwikkelden.
Napoleon kwam deze treurige verhouding natuurlijk
[96:]
ter oore, en hij,
die even gemakkelijk het plan voor een grootschen veldtocht ontwierp
als een wetboek in elkaar zette, meende ook in het huiselijk leven van
zijn familieleden met succes te kunnen ingrijpen. Ingelicht door Josephine
zeker, maar ook van ouds zijn broer Louis kennend, schreef hij hem een
alles behalve malschen brief uit Finkenstein, gedateerd 4 April 1807.
"Uw twisten met de koningin dringen in het publiek door. Toon toch
in uw huiselijken kring dat vaderlijk en verwijfd karakter dat gij in
uw bestuur laat zien, en heb in uw zaken die strengheid, welke gij in
uw huishouden toont. Gij behandelt uw jonge vrouw zoo. als men een regiment
commandeert. Gij hebt de beste en deugdzaamste echtgenoote en gij maakt
haar ongelukkig. Laat haar dansen zooveel als zij wil, dat past haar
leeftijd. Ik heb een vrouw van veertig jaar. Van het slagveld schrijf
ik haar naar het bal te gaan. En gij wilt dat een vrouw van twintig,
die haar leven ziet voorbijgaan, die er alle illusies van heeft, leeft
in een klooster, of als een voedster altijd bezig met haar kind te wasschen.
Gij bemoeit u veel te veel met uw huishouden en niet genoeg met uw regeeringszaken.
Ik zou u dit alles niet zeggen zonder de belangstelling die ik voor
u koester. Maak de moeder van uw kinderen gelukkig, gij hebt slechts
één middel: haar veel achting en vertrouwen te bewijzen.
Ongelukkig hebt gij een al te deugdzame vrouw; als gij een coquette
hadt; zou zij u bij den neus leiden, maar gij hebt een
[97:]
vrouw vol fierheid,
wie het denkbeeld alleen dat gij een slechte meening van haar hebt,
bedroeft en tegenstaat. Gij hadt een vrouw moeten hebben zooals ik ze
in Parijs ken. Zij zou u onder den duim hebben gekregen en u aan haar
voeten hebben gezien. 't Is mijn schuld niet, ik heb 't dikwijls aan
uw vrouw gezegd!"
Hoe raak en verstandig deze woorden mochten zijn en hoe vleiend voor
Hortense, 't is te begrijpen dat ze op den jaloerschen, mistrouwenden
Louis een geheel tegenovergestelde uitwerking hadden.
Meer dan ooit begreep hij, hoe Hortense de rol van vervolgde onschuld
speelde en hoe zij beklaagd werd wegens zijn tyrannie. Deze brief versterkte
hem ook in zijn vermoeden dat zijn vrouw alles wat hij haar onaangenaams
aandeed, overbriefde aan zijn grootsten tegenstander; zoo beschouwde
hij haar dan ook als zijn natuurlijke vijandin, tegen wie hij zich moest
wapenen. Dat Hortense hem aanleiding gaf tot jaloerschheid wegens haar
lichtzinnig gedrag schijnt in dezen tijd zeer onwaarschijnlijk. De zwartgallige
Lodewijk moge zuur hebben geglimlacht bij het brevet van deugdzaamheid
haar gegeven door zijn op alle punten - behalve in vrouwenzaken - scherpzinnigen
broer - ernstige aanmerkingen op Hortense's huwelijkstrouw kon hij toch
niet, volgens de algemeene getuigenis met goed recht maken.
De Hollanders spraken met de grootste achting van haar, zij roemden
haar lieftalligheid en weldadigheid en
[98:]
betreurden het
alleen dat de koningin zich in hun land niet kon of wilde gewennen.
Dirk van Hogendorp zegt in zijn "Herinneringen", dat zijn
vrouw - een prinses van Hohenlohe, zeer intiem met de koningin bevriend
- vast overtuigd was van Hortense's onberispelijk gedrag en een hoog
denkbeeld had van haar deugd. Aan haar beminnelijkheid twijfelde volgens
hem niemand, want zij was algemeen zeer bemind; den koning vindt hij
verbitterd en zonder reden belachelijk jaloersch.
't Is te begrijpen dat Louis het onaangenaam vond den naam te hebben
zijn vrouw ongelukkig te maken, de schuld te krijgen als zij er slecht
en bedroefd uitzag, nog erger: te weten dat zij in Parijs over hem klaagde,
zoodat Josephine en Napoleon hem voor haar beul aanzagen. Maar inplaats
van haar vriendelijk tegemoet te komen, behandelde hij haar steeds koeler
en wantrouwender, liet haar boeten voor zijn eigen fouten. Hij was,
ondanks zijn vele goede hoedanigheden, die hem misschien moreel hooger
deden staan dan zijn keizerlijken broer, een lastig mensch om mee om
te gaan. Allerlei kleine hebbelijkheden maakten het ook zijn hovelingen
moeilijk steeds in vrede met hem te leven; vooral zijn koppigheid en
vasthoudendheid aan eenmaal opgevatte denkbeelden, samengaande met groote
wispelturigheid, deden hem onbetrouwbaar zijn en waren oorzaak, dat
harten, die eerst hem tegemoet waren gekomen, zich weer terugtrokken
en
[99:]
verkilden. Zijn
ziekelijke toestand - somtijds leed hij aan aanvallen van hevige gewrichtspijnen,
miste hij het gebruik van been of arm - was hiervan tot op zekere hoogte
oorzaak; wanneer het echter waar is, dat voor eIken mensch één
manier bestaat om met hem om te gaan, dan is het zeker te betreuren
dat Hortense deze niet heeft kunnen of willen vinden.
Een groot karakter, diepe godsdienstige beweegredenen bij gebrek aan
innige liefde hadden een vrouw misschien in staat gesteld het hart van
den "lammen" koning - zooals zijn onderdanen hem s o t t o
v o c e noemden - te winnen, zijn achterdocht te bestrijden, zijn donkeren
levenskijk te verhelderen; maar Hortense, hoe lief en aantrekkelijk
ook, was te oppervlakkig en te veel met zichzelf ingenomen en innerlijk
niet sterk en niet vroom genoeg om zulk een verovering te willen beproeven.
Noch haar opvoeding, noch haar omgeving of levensopvatting Hadden haar
op een voldoende hoog standpunt geplaatst om vóór alles
zich zelf te vergeten en te trachten haar man op zijn wijze gelukkig
te maken.
In deze maanden fluisterde men ook, dat Louis zijn vrouw reden gaf tot
jalouzie door zijn oplettendheden jegens een van haar hofdames, mevrouw
Huyghens, geboren Löwendal, een mooie, geestige en eerzuchtige
vrouw. Hoe onverschillig Hortense ook tegenover haar man mocht zijn,
ontrouw van hem was haar ondragelijk; misschien ook was het haar doel
hem
[100:]
die haar met zijn
achterdocht vervolgde, op haar beurt van schuld te overtuigen - zij
nam de zaak, die misschien in den grond onbeteekenend maar door lasteraars
aangedikt was, zeer hoog, volgens velen te hoog op. Als freule Löwendal,
werd verteld, had mevrouw Huyghens in Kopenhagen, waar haar vader gezant
was geweest, aanleiding gegeven tot praatjes.
De koningin benoemde een commissie, bestaande uit aanzienlijke Nederlanders,
om in Denemarken te onderzoeken naar het gedrag van haar hofdame; 't
scheen een intrigue met een deenschen prins te betreffen. De commissie
vertrok; met groote kosten werd het onderzoek daar geleid alsof het
een staatsbelang gold, en 't merkwaardigste was zeker dat de koning,
van alles op de hoogte, niets deed om de dwaze onderneming te beletten.
Het rapport der ambassade scheen niet gunstig te luiden, want mevrouw
Huyghens verliet het hof, begaf zich naar Frankrijk, waar zij in behoeftige
omstandigheden haar leven eindigde. De andere hollandsche hofdames namen
Hortense dit krasse optreden kwalijk. Het waren de dames Clifford, van
Heeckeren en van de Poll, die haar ernstig hadden afgeraden zulke maatregelen
tegen hun landgenoote te nemen.
't Was intusschen Mei geworden, en toen viel de ontzettende slag, die
aan al dit kleine, geniepige gedoe van het hollandsche hof een treurig
einde maakte.