[68:]
ZEVENDE HOOFDSTUK
Frankrijk leefde
in die dagen als in een wonderdroom.
Het scheen een sprookje, het gebeuren der laatste twaalf à vijftien
jaren. Het oude hof verwoest, koning en koningin onthoofd, prinsen en
prinsessen, hertogen en hertoginnen met geheel den adel op het schavot
gedood of in ballingschap gevlucht - alles in schrik en angst - bloedbaden
overal, en buiten de grenzen militaire roem, schitterende veroveringen
- eindelijk de groote Man, wien Frankrijk niets kon weigeren, het opperbevel
der Tegers, het consulaat, het keizerschap.
Orde en wetten gaf hij het diep geschokte land terug, men herleefde,
men durfde weer te gevoelen als vanouds, men mocht weer gelooven, hopen,
bidden als voorheen; men knoopte den band met het verleden opnieuw aan
- de geschiedenis, brutaal afgebroken in 1789, mocht weer op school
worden geleerd.
Madame Campan had haar oud-leerlingen moeten raden toch vooral de fransche
historieboeken te lezen, want op haar instituut was het evenals elders
in Frankrijk verboden geweest de roemrijke daden van het
[69:]
koningschap te
verhalen, niets rekende mee dan de republiek. Men mocht thans weer eerlijk
liefhebben en elkander trouw zweren voor het altaar - de vorstelijke
kinderen ontvingen het doopsel van Paus en kardinalen onder het hooge
peetschap van keizer en keizerin. Allen waren jong en gelukkig, vol
blijden levenslust.
Toen het T e D e u m plechtig gezongen was in de heropende Notre Dame
in tegenwoordigheid van den consul en zijn hof, scheen het koor van
de oude kathedraal in een bloementuin herschapen. Josephine in den vollen
luister harer bevalligheid had daar getroond, omringd door zestig jonge
vrouwen van wie de meesten niet ouder waren dan twintig jaren en allen,
zonder uitzondering haast, mooi, frisch, stralend van geluk en liefde,
want Napoleon wilde slechts blijde jonge paren om zich heen zien. Hij
duldde geen verdachte reputatiën, geen dubbelzinnige verhoudingen;
hij zelf gaf het voorbeeld van een ten minste uiterlijk onberispelijk
huwelijk en eischte hetzelfde van zijn generaals, officieren en hofbeambten.
Na de loszinnige moraal van het fransche hof, waar het een der grootste
grieven tegen den laatsten koning Lodewijk XVI geweest was, dat hij
de huwelijkstrouw bewaarde, en, na de zedeloosheid van het Directoire,
werd het weer mode dat man en vrouw elkander liefhadden en het in het
openbaar toonden.
Madame Campan vermaant Caroline Murat, haar man in de Opéra toch
niet in 't openbaar te liefkoozen;
[70:]
Pauline Leclerc
knipt haar prachtige haren af in de eerste weduwsmart. Het ongelukkige
huwelijk van Louis en Hortense Bonaparte viel dus tusschen al die tortelduifpaartjes
dubbelop. Josephine was er bedroefd, Napoleon boos over.
Toch had hij het niet afgeleerd op hoog bevel te doen trouwen zonder
de belanghebbenden te raadplegen.
Nu was het weer Eugène's beurt. Na den vrede van Presburg begon
de Keizer zijn stout plan te volvoeren, om zijn nieuwe dynastie vast
te smeden aan de oude vorstenhuizen. Maximiliaan de keurvorst van Beieren
was juist met de koningskroon begiftigd, zijn dochter Augusta Amelia
had hij verloofd aan den erfprins van Baden. Beiden waren met de aanstaande
verbintenis ingenomen, meenden zelfs elkaar lief te hebben - 't deed
er niet toe. Eugène moest onmiddellijk van Milaan naar Munchen
komen, zijn snorren afscheren om er niet al te krijgshaftig uit te zien
en zijn jonge bruid niet te verschrikken, en Augusta onmiddellijk een
afscheidsbrief aan den Badenschen prins schrijven; deze werd schadeloos
gesteld door de belofte van een huwelijk met Stéphanie de Beauharnais,
achternichtje van Josephine's eersten man, door Napoleon plechtig als
zijn dochter aangenomen. De vader stemde in alles toe, zijn dochter
zou eerst vice-koningin, later koningin van ltalie worden - de overwinnaar
begon reeds zijn spel met kronen en scepters.
De jonge prinses schreef den brief onder tranen;
[71:]
als gehoorzame
dochter moest zij den wil harer ouders doen, zich voor haar land opofferen
- de Badensche prins trachtte zich te verzetten, het hielp hem niets.
Wat beteeken en jonge harten bij de strenge eischen van een geniale
politiek?
Josephine werd uit Parijs ontboden; gaarne had Hortense haar moeder
vergezeld, maar Louis weigerde zijn toestemming. Zij mocht niet bij
het huwelijk van den innig geliefden broeder zijn.
Den 7 Januari 1806 schrijft de moeder haar uit Munchen:
"Ik wil geen oogenblik verliezen, lieve Hortense, om je te melden
dat Eugène's huwelijk met prinses Auguste voor goed is vastgesteld.
Evenals ik zal je dit nieuwe bewijs van genegenheid, dat de keizer aan
je broer geeft, op prijs stellen. Niets ter wereld kan mij aangenamer
zijn dan dit huwelijk. De jonge prinses, vereenigt met een lief uiterlijk
alle hoedanigheden in zich, die een vrouw interessant en beminnelijk
maken".
En de keizer schrijft haar:
"Mijn dochter! Eugène komt morgen en trouwt over vier dagen.
Ik zou heel blij geweest zijn, als ge het huwelijk hadt, bijgewoond.
Nu is het te laat. Prinses Auguste is lang, mooi en vol goede hoedanigheden.
Ge zult, een zuster uwer waardig aan haar hebben. Duizend kusjes aan
mijnheer Napoleon" (haar zoontje).
Boven verwachting liep dit zoo haastig op kommando
[72:]
gesloten huwelijk
goed af. Eugène kwam, zag en overwon. De Beiersche prinses dacht
aan geen Badenschen prins meer; zij werd doodelijk van haar opgedrongen
bruidegom. Eugène, een charmeur als zijn moeder en zuster, wist,
heel anders dan Louis Bonaparte, een vrouw te veroveren. Hun huwelijk,
met vele kinderen gezegend, werd voorbeeldeloos gelukkig; de afstammelingen
van Eugène en Augusta bekleeden den Zweedschen troon, leven voort
in het Braziliaansche keizershuis, in het hertogelijke geslacht van
Leuchtenberg en in vele Europeesche vorstenfamilies.
De erfprins van Baden had meer moeite met zijn nieuwe bruid; de tegenstand
kwam echter van haar kant.
Zij had volstrekt geen lust Parijs te verlaten, en haar pleegvader,
voor wien zij een genegenheid vol dwepende bewondering koesterde; zij
was niet te bewegen naar het onbekende woeste Zwarte Woud te trekken,
en eerst toen Josephine's scherpe oogen een langer verblijf aan het
keizerlijke hof als ongewenscht zagen, werd zij kwaadschiks daarheen
gezonden - 't duurde jaren vóór zij in haar lot leerde
berusten. Eerst toen zij ouder en verstandiger was geworden, schikte
zij zich in het onvermijdelijke en het huwelijk was niet ongelukkig.
Nu moest Napoleon aan koninkrijken denken voor zijn broers en zusters.
Jozef kreeg de kroon van Napels, Murat werd groothertog van Berg, voor
Louis bestemde hij het koninkrijk Holland.
De afgevaardigden der Bataafsche republiek, die
[73:]
zich in een hopeloozen
toestand bevond door het verlies van haar onafhankelijkheid en den ondergang
van haar handel, kwamen den keizer verzoeken zich over hun landje te
ontfermen en het onder zijn bescherming te nemen.
De deputatie bestond uit de heeren Verhuell, Brantsen, van Styrum en
Willems; in Maart kwamen zij in Parijs en de onderhandelingen duurden
in groot geheim voort tot Juni. Er werd gemompeld over de oprichting
van een koninkrijk met een constitutioneele wetgeving en Louis Bonaparte
als koning; maar zooals het Napoleon's gewoonte was: de hoofdpersoon
wist er niets van.
Eindelijk kregen de heeren verlof met hun aanstaanden souverein over
de zaak te spreken en hem de hollandsche kroon aan te bieden. Zij begaven
zich naar Saint Leu en deden alles wat zij konden om hem te overreden
hun koning te worden; tevens verzekerden zij hem ten plechtigste, dat
de natie hem uit vrijen wil het koningschap opdroeg.
Maar Louis wist wat deze vrije wil bij huwelijken en troonwisselingen
beteekende, als Napoleon de zaak wenschte en regelde; hij maakte bedenkingen,
aarzelde, weigerde zelfs.
- Je hebt ongelijk; altijd ben je bang! Doe wat ik je zeg! snauwde Napoleon.
Admiraal Verhuell verzekerde hem dat minstens negen tiende van de natie
hem smeekte hun lot aan het zijne
[74:]
te verbinden en
hen daardoor te beletten in andere handen te vallen, maar nog kon Louis
niet besluiten.
- Ik had je niet moeten raadplegen, dat was geheel onnoodig. Moet een
onderdaan niet altijd gehoorzamen? beval de keizer, en toen voelde Louis,
dat wat hij ook persoonlijk mocht wenschen, er niets te doen viel dan
zich voor den onverbiddelijken wil van zijn broer te buigen, zoo als
hij met zijn huwelijk te kwader ure had gedaan. Er viel niets tegen
in te brengen, het hoofd der familie en van het rijk wilde dat hij koning
van Holland zoude zijn, gehoorzamen was 't eenige wat hij doen kon.
De groote diplomaat dé froqué aartsbisschop Talleyrand
kwam in Saint Leu en las hem het verdrag en de constitutie van het nieuwe
koninkrijk voor. Op diens vraag of hij zijn goedkeuring er aan gaf,
antwoordde Louis met zijn gewone nauwgezetheid, dat hij over zulk een
belangrijk stuk niet kon oordeelen bij éen enkele voorlezing.
- Keurt u maar goed, prins!
- Maar ik was niet bij de discussiën, ik weet niet of men mij meer
laat beloven dan ik houden kan.
- Wat kan u dat schelen?
- Zeg dan aan mijn broer, dat ik mij opoffer.
Den volgenden zondag begaven Louis en Hortense zich naar Saint Cloud,
waar zij tot koning en koningin van Holland zouden worden geproclameerd.
't Was een droevige tocht daarheen. Louis was meer uit zijn humeur dan
ooit; hij sprak geen woord en keek
[75:]
somber voor zich
uit. De verregaande lichtzinnigheid waarmede Talleyrand zulk een belangrijke
zaak had behandeld, de haast, die er achter werd gezet, konden hem niet
bevallen. 't Gold de toekomst van hem, van het land, dat hij beloofd
had als het zijne te beschouwen, van zijn kinderen, en alles was tot
nu toe buiten hem om behandeld. Als hij koning moest worden, wilde hij
't niet enkel in naam zijn.
Om twee uur had de plechtigheid plaats in de troon
zaal van het paleis Saint Cloud. Napoleon zat op den troon, omringd
door alle grootwaardigheidbekleeders van zijn rijk en ontving de deputatie
der Hollanders.
Admiraal Verhuell als president deed het woord en vroeg den keizer de
gunst hun zijn broer als koning te willen geven, hopende dat Holland,
thans verzekerd zijnde van de genegenheid van den grootste aller monarchen
en nauw verbonden aan de bestemming van het onsterfelijke keizerrijk,
de dagen van zijn oude glorie weer zou zien aanbreken, een rust genietend,
die het sinds lang verloren had, en zijn voorspoed herwinnend.
En om zoover te komen had men het oude roemrijke geslacht der Oranjes
over de grenzen gejaagd!
De almachtige keizer verwaardigde zich te antwoorden dat hij hun verzoek
zou inwilligen; Frankrijk was zoo edelmoedig afstand te doen van alle
rechten die het door de wapenen op Holland verkregen had, en hij riep
prins Louis tot koning van Holland uit.
[76:]
Tot Louis hield
hij ook een preekje, waarin hem vóór alles tot plicht
werd gesteld Franschman te blijven, in zijn volk de gevoelens van liefde
en eendracht jegens Frankrijk aan te kweeken - in één
woord het land te verfranschen. Hij eindigde op zeer pathetischen toon:
- Wees de schrik der boozen en de vader der goeden. Dat is het kenmerk
van een goed koning! Hij had het m é t i e r d e r o i goed aangeleerd,
de advocatenzoon van Ajaccio! Koning Lodewijk begaf zich tot vóór
de treden van den troon en sprak met diep bewogen stem een kleine redevoering
uit, waarin hij, na zijn verknochtheid te hebben uitgedrukt jegens zijn
broeder, den grooten keizer, verklaarde over Holland te willen regeeren
omdat het volk het wenschte en Zijn Majesteit het beval. "Ik zal
trotsch zijn over hen te heerschen, maar hoe roemrijk ook de loopbaan
is die men mij opent, de verzekering der trouwe bescherming van Uw Majesteit,
de liefde en het patriotisme van mijn nieuwe onderdanen kunnen mij alleen
de hoop geven de wonden te genezen, veroorzaakt door zoovele oorlogen
en andere gebeurtenissen in zoo weinige jaren opééngestapeld"
Ten slotte hoopte hij dat zijn volk, door gevoelens van liefde en dankbaarheid
jegens hun koning, innig vereenigd zoude zijn met den keizer en met
Frankrijk. Na deze wisseling van beleefdheden, mochten de
[77:]
heeren afgevaardigden
vertrekken. De keizer trok zich in zijn appartementen terug en liet
zich voorafgaan door zijn broer. De deurbewaarder, die de poort voor
hem opende, kondigde voor het eerst aan:
- Zijne Majesteit, de koning van Holland!
Zij begaven zich naar de keizerin, die met de nieuwe koningin Hortense
vol ongeduld het verloop der gebeurtenissen afwachtte. Het sombere slachtofferachtige,
was uit het gelaat van den jongen koning verdwenen, hij straalde van
geluk en moest bekennen dat hij den mooisten dag zijns levens beleefde.
In de hofkringen werd verteld, dat bij de particuliere afscheids-audiëntie,
door Napoleon aan de afgevaardigden verleend, hij den kleinen kroonprins
liet binnenkomen om met zijn vaders aanstaande onderdanen kennis te
maken.
- Hij kan reeds fabels van Lafontaine opzeggen verklaarde de keizer
trotsch. Kom! wat ken je zooal laat eens hooren!
En het prinsje declameerde: de fabel van de kikvorschen, die aan jupiter
een koning vroegen!