[158:]
ZESTIENDE HOOFDSTUK
Aan de feesten kwam
weldra voor goed een einde.
De zalen van Saint Leu en Rue Cerutti hoorden niet langer de zoete liefelijke
klanken van zang en piano, geen vroolijke, geestige gesprekken meer
- er werd druk pluksel gemaakt voor de arme gewonden, die in steeds
grooter getale de hospitalen van Parijs vulden.
Hortense gaf het voorbeeld; de blanke vingers der dames pluisden het
linnen uit; men vermoedde niet wat men thans weet: hoe het zoo goed
bedoelde werk door infectie bijna evenveel slachtoffers zou maken als
de wapenen der overwinnaars.
Behalve de zorg voor de gewonden had Hortense nog een andere taak. Napoleon
had haar benoemd tot prinses-beschermvrouw der scholen van de leerlingen
van het Legioen van Eer - dochters van ridders dier orde - in Ecouen
en Saint Dénis. Zij had gedaan gekregen dat haar vroegere meesteres
madame Campan er directrice van werd; haar komst op die scholen was
steeds een feestdag voor meesteressen en
[159:]
leerlingen. Door
haar tact, vriendelijkheid en, 't zij dan gemaakten of werkelijken,
eenvoud was zij voor dezen werkkring bijzonder geschikt.
Maar het einde van den Napoleontischen droom naderde met reuzenschreden.
Nieuwjaarsdag van 1814 brak dreigend en somber aan. Vergeefs trachtte
Napoleon nieuwe troepen uit den grond van Frankrijk te doen oprijzen;
helaas! de rijke bodem was uitgeput en leverde geen kanonnenvleesch
meer.
In de eerste dagen van Januari kwam Louis terug uit Gratz, waar hij
de laatste jaren in rust en kalmte had doorgebracht en vanwaar men hem,
die door zijn weldadigheid en goedheid zeer bemind was, ongaarne zag
heengaan. Nu Oostenrijk tot de verbonden legers behoorde, die Napoleon's
ondergang besloten hadden, kon hij er moeilijk langer blijven. Hij bood,
alle oneenigheid vergetend, zijn diensten aan. Napoleon ontving hem
zeer koel; hij kon nog niet vergeven, nog minder vergeten. De arme ex-koning
scheen trouwens ook geen groote hulp: hij was zieker dan ooit, bijna
geheel verlamd. Hortense prees zijn bereidwilligheid om den keizer bij
te staan, verklaarde trotsch te zijn op zijn daad, die hem als goed
Franschman deed kennen. Zij verzekerde dat hij een eerlijk man was,
maar dat zij beiden fouten hadden waardoor hun karakters niet konden
overeenstemmen. "Ik meende misschien te veel waard te zijn",
verklaarde zij "en hij was achterdochtig".
[160:]
Na dele erkenning
en nu het ongeluk van alle kanten hem bedreigde, had het Hortense zeker
fraaier gestaan als zij zich oprecht met hem verzoend had; maar het
was te laat, men zegt zelfs dat ook de ex-koning zich reeds op zijn
manier in zijn verlatenheid had getroost.
Napoleon's toestand werd hachelijker dan ooit.
Geheel Europa keerde zich tegen hem; zelfs Murat verklaarde hem den
oorlog. Hij verdacht nu ook Eugène te weifelen om zich aan de
zijde van zijn schoonvader den koning van Beieren te scharen. De bondgenooten,
van wier hulp hij zich verzekerd hield, voegden zich bij den vijand;
zelfs de vader van zijn innig geliefde Marie Louise bedreigde hem. Den
24 Januari verliet hij Parijs. De keizerin was tot regentes benoemd,
en kort daarop weerklonk de vreeselijke kreet: "De kozakken zijn
in aantocht!"
In deze omstandigheden toonde Hortense veel moed, veel meer dan de zwakke,
onbenullige Marie Louise, die in deze dagen van gevaar het hoofd verloor
en aan niets anders dacht dan zich zelf in veiligheid te brengen, zonder
zich over het verlies van troon en kronen te bekommeren.
De verbonden legers naderden Parijs en er werd over gesproken dat de
keizerin de hoofdstad zou, verlaten. Hortense begaf zich dadelijk naar
de Tuileriën en drong er op aan, dat zij blijven zou. Haar vertrek
beteekende het verlies van de kroon, de ondergang van het keizerrijk,
de val van alle Napoleoniden.
[161:]
- Ik moet den Regentschapsraad
gehoorzamen, was het eenige antwoord, dat de Oostenrijksche haar gaf.
Hortense's ridderlijke ziel kwam in opstand tegen zooveel lafheid; zij
zou op geheel andere wijze de rechten van haar stiefvader en haar kinderen
hebben verdedigd! Er was echter niets aan te doen: Marie Louise's vertrek
werd door haar mederegenten - Napoleon's broers - besloten. Om één
uur 's nachts verliet Hortense de Tuileriën, verontwaardigd over
de zwakheid van haar schoonzuster.
- Men stort Frankrijk en den keizer goedmoeds in het ongeluk. 't Is
ongeloofelijk dat zij vertrekken! O, in de groote omstandigheden des
levens hebben alleen vrouwen moed. Ik blijf! Ik zal met de Parijzenaars
de goede en slechte kansen van een oorlog deelen!
Moeilijk was het een beslissing te nemen; maar Hortense begreep terecht
dat haar vertrek de Parijzenaars nog meer zou demoraliseeren. Zij wist
dat als de hoofdstad gevallen was, het ook met het keizerrijk gedaan
zou zijn.
Eindelijk vond zij gelegenheid wat rust te zoeken, maar nauwelijks was
zij even ingesluimerd of zij werd gewekt; er verscheen een bode van
haar man om haar te bevelen Parijs te verlaten vóór de
keizerin vertrok. Louis vreesde zijn kinderen in handen der vijanden
te zien vallen.
Hortense antwoordde dat zij bleef. Nog twee keer werd haar nachtrust
gestoord door estafetten, door welke haar
[162:]
man bleef aandringen
op haar vertrek. Den laatsten keer liet hij haar zeggen, dat hij zijn
zoons zou laten afhalen.
Hortense kon er niet toe besluiten heen te gaan.
Strijden tot het laatst, met eere vallen was haar leus.
- Men moest maar volhouden, verzekerde zij: de keizer zou wel redding
brengen als men den moed had te wachten. Inderdaad toonde Hortense zich
thans de eenige man in de familie Bonaparte, de anderen haastten zich
het zinkende schip te verlaten. Zelfs trachtte zij de Nationale Garde,
de eenige verdedigers van Parijs, door haar voorbeeld tot verzet aan
te sporen.
Maar het vertrouwen in den grooten keizer was verdwenen - niemand liet
zich door haar woorden meer bezielen.
Steeds dringender werd zij aangespoord te vluchten, maar zij bleef zich
verzetten. Eindelijk, toen Louis haar aanzeide, dat zij zelf moest weten
wat zij doen wilde, maar dat hij zijn kinderen niet als gijzelaars in
de macht van den vijand kon laten en ze dus onmiddellijk terug verlangde,
om ze mee te nemen buiten Parijs, zwichtte zij en vertrok met haar twee
zoontjes en haar hofhouding. Zij begaf zich eerst naar Trianon, waar
men de kanonschoten kon hooren van den veldslag, die nabij Parijs geleverd
werd. Spoedig was zij hier niet meer veilig en vertrok naar Rambouillet.
Daar vond zij alle onttroonde koningen: Joseph, Jerome, Louis - dien
zij na vier jaar voor het eerst terugzag.
De nederlaag bleek volkomen; het geheele keizerrijk
[163:]
scheen op de vlucht;
de straatwegen waren versperd door paarden, rijtuigen, karren, voetgangers.
Alles zocht een goed heenkomen: ministers, raadsheeren, generaals, maarschalken,
prinsen en prinsessen, koningen en koninginnen. Het schitterend avontuur
dat tien jaar lang Europa in spanning had gehouden, zoo ontzettend veel
bloed en tranen kostte, liep ten einde.
Hortense verliet spoedig Rambouillet, waar haar man en zwagers haar
niet veel vriendelijkheid bewezen, voor Navarre, dicht bij Evreux, het
verblijf van haar moeder.
Hier vernam zij de vreeselijke gebeurtenissen, die zich hadden afgespeeld
in deze paar dagen: de overgave van Parijs, de intocht der verbonden
Mogendheden, Napoleon's vlucht en abdicatie, zijn verbanning naar het
eiland Elba. De beide vorstinnen ontsloegen hun hofhouding en behielden
slechts eenige vertrouwde personen in hun nabijheid.
Hortense wist niet welk besluit te nemen; haar moeder klaagde en weende,
betreurde het dat zij Napoleon's vrouw niet meer was om hem in de verbanning
te volgen, nu de andere hem verliet.
Hortense zelf, als altijd bewerend niets om macht en rijkdom te geven
- toen zij ze bezat wist zij er heel goed gebruik van te maken - wenschte
niets liever dan naar Martinique te gaan om er zich geheel aan de opvoeding
harer kinderen te wijden. Zij zond dus mademoiselle Cochelet, haar trouwe
adjudante, naar Parijs om haar zaken te regelen. Deze vond het hotel
harer meesteres
[164:]
in de Rue Cerutti
door zweedsche officieren bewoond, die zich echter als gentlemen gedroegen;
zij lieten zelfs haar kamers ongebruikt.
Koningin en gezelschapsdame voerden een drukke briefwisseling. Mlle
Cochelet behartigde de belangen harer meesteres met den grootsten ijver,
niettegenstaande Hortense haar steeds schreef voor zich zelf niets te
verlangen dan rust, kalmte, vergetelheid. Zij was overtuigd van de nietigheid
van alle aardsche grootheid, beweerde zij. "Mijn stiefvader",
had zij eens in de schitterende dagen gezegd, "is een komeet; wij
zijn niets dan zijn staart. Wij moeten hem volgen, zonder te weten waarheen
hij ons voert. Is het tot ons geluk, of tot ons ongeluk?"
Alle Napoleoniden trachtten nog te redden wat er te redden viel. De
Bourbons kwamen terug, en de heftigste keizerlijken, vooral zij, die
de meeste weldaden van Napoleon hadden ontvangen, haastten zich als
vurige royalisten op te treden. Hortense had te veel goeden smaak om
dit voorbeeld te volgen; zij liet haar eerejuffer werken, allerlei invloedrijke
personen spreken en wist den schijn aan te nemen, zelfs tegenover het
trouwe meisje, dat alles buiten haar om ging, dat zij niets verlangde,
geen eerzucht bezat, op niets aanspraak maakte dan alleen hierop: haar
kinderen bij zich te mogen houden om hen eenvoudig op te voeden, geschikt
voor goede en kwade dagen.
- Cochelet dringt er op aan dat haar meesteres naar
[165:]
Parijs komt; zij
heeft een ouden kennis, den gezant van Rusland, de Nesselrode, voor
de belangen van haar koningin gewonnen; en deze sprak er met den ridderlijken
keizer Alexander over. Allen schenen vol sympathie voor Hortense en
haar moeder, die beiden door de Bonapartes, haar echtgenooten, verlaten
waren.
De graaf de Nesselrode zeide:
- Wie zou niet trotsch zijn haar zijn zuster te mogen noemen? Zij is
de parel van Frankrijk.
En niemand minder dan Talleyrand, prins van Benevente, verklaarde:
- Zij is de eenige van de keizerlijke familie die ik acht.
Toch bleef Hortense aarzelen een gunst van de geallieerden of van het
nieuwe hof aan te nemen; werkelijk uit trouw aan haar stiefvader of
uit berekening? Zij liet zich bidden, zelfs nadat de zaken der Bonapartes
waren geregeld en haar het verblijf in Frankrijk en een jaargeld van
400.000 francs was toegestaan. Zij wilde niet in Parijs terugkeeren,
dat vol geestdrift zijn nieuwe vorsten vierde. Eerst bood zij in Rambouillet
keizerin Marie Louise haar diensten aan en trachtte haar over te halen
naar Elba te gaan. Haar bezoek bleek echter vruchteloos; Marie Louise
was reeds vast besloten haar lot van de keizerlijke zaak af te scheiden.
Zoolang Napoleon haar glans en grootheid kon geven, vergat zij de wijze
waarop hij zich had opgewerkt tot gelijke van haar vader en meende zij
hem
[166:]
waarlijk lief te
hebben. Nu hij diep gevallen was, schaamde zij zich over haar mésalliance
en trachtte in de liefde van Neipperg en op haar ouden dag van graaf
de Bombelies haar kort keizerinneschap te vergeten.
Hortense vond haar veel minder bedroefd dan haar eigen moeder het was,
en nam koel afscheid. De keizerin liet haar gaan; zij had blijkbaar
genoeg van alles wat Bonaparte heette en verlangde terug naar Weenen,
naar haar landgenooten, haar familie en vrienden.
Ondertusschen had Josephine Malmaison weer betrokken en Hortense voegde
zich bij haar. Cochelet was radeloos geweest over de reis naar Rambouillet.
Keizer Alexander, dien zij geheel gewonnen had voor de belangen harer
meesteres, wilde niets liever dan haar bezoeken en de verzekering geven
dat hij haar voorspraak zou zijn bij Lodewijk XVIII, opdat zij in Frankrijk
zou mogen blijvefl. Hortense ontving den keizer waardig en op zulk een
wijze, dat hij zich verbeelden moest een gunst van haar te ontvangen
indien zij zich verwaardigde zijn diensten aan te nemen. Zoo deze manier
bestudeerd was, dan moet men Hortense's tooneelspeelkunst diplomatieke
wijsheid bewonderen. Slechts met blijkbaren tegenzin en op het herhaalde
aandringen van mademoiselle Cochelet nam zij Alexanders weldaden aan.
Eerst hield zij zich op een afstand, en bleef gereserveerd, maar de
jonge, knappe, geestige keizer wist haar vooroordeelen te overwinnen
- misschien wenschte zij
[167:]
niets liever dan
ze overwonnen te zien - zij werd vriendelijker, kwam hem meer tegemoet
en scheen toeschietelijker. De Tsaar waardeerde haar terughouding en
bescheidenheid, daar, waar anderen hem met hun verzoeken bestormden,
hem vervolgden met hun huldebewijzen en vleierijen.
Geveinsd of oprecht, Hortense's tactvolle houding maakte indruk, en
toen zij haar gewone lieftalligheid jegens hem toonde, was hij verrukt
en deed zijn best haar toestand zoo dragelijk mogelijk te maken. Hij
zorgde er voor dat haar landgoed Saint Leu tot hertogdom werd verheven
en zij den titel mocht dragen van hertogin de Saint Leu. Ook voor Eugène
werd gezorgd, en Josephine dankte den goeden keizer Alexander in de
aandoenlijkste woorden voor de goedheid, welke hij haar kinderen en
kleinkinderen bewees.
De oude bekoring, die van Malmaison en haar beide onvergelijkelijke
gastvrouwen uitging, werkte ook op de verbonden vorsten. Vooral keizer
Alexander voelde er zich door aangetrokken; de eenvoud en huiselijkheid
waarmede Josephine en Hortense hem ontvingen bekoorden hem zeer. Dat
er berekening kon zijn in de beminnelijke wijze, waarop zij met den
overwinnaar omgingen, wisten de twee allerliefste vorstinnen wonderwel
te verbergen.
Hortense maakte met den keizer, Eugène, mevrouw Ney en andere
goede vrienden en vriendinnen rijtoertjes door de bosschen rondom Saint
Leu en wist op slimme
[168:]
manier Alexander
te toonen hoe klein haar hertogdom geworden was, waarvan het grootste
gedeelte aan den prins de Condé was gegeven. In de salons teruggekeerd
bracht zij door het zingen van haar eigen romances den romanesken vorst
in verrukking. Hij was vol bewondering voor de onderworpen, zelfs opgeruimde
wijze, waarop keizerin en koningin haar vernedering droegen, en daar
hij diep in zijn hart nog iets bewaarde van zijn vroegere vereering
voor Napoleon, bracht hij deze gevoelens op diens vrouw en dochter over.
Malmaison was zijn liefste uitgang, nergens voelde hij zich beter thuis.
De bonapartisten zagen deze vriendschap met leede oogen aan en noemden
de houding der beide vorstinnen niet waardig.
Behalve Alexander kwam ook de koning van Pruisen met zijn beide zonen
op Malmaison. De beide prinsjes, kinderen van Hortense, woonden de ontvangst
bij, en de kleinste vroeg-aan zijn gouvernante, wie die lange heeren
waren.
- Het is de koning van Pruisen, antwoordde de gouvernante, - en die
met hem spreekt is de keizer van Rusland.
't Kind, gewoon aan zijn koninklijke ooms, vroeg of dat ook ooms waren
en of hij ze zoo noemen moest.
- Neen, gij moet zeggen "Sire".
- Maar waarom zijn zij mijn ooms niet?
De gouvernante fluisterde hem toe, dat zij de overwinnaars waren van
Frankrijk.
[169:]
- Dan zijn het
de Vijanden van mijn ooms? vroeg het kind toornig. - Waarom heeft de
keizer van Rusland mij dan omhelsd?
De gouvernante legde hem uit, dat Alexander een edelmoedig vijand was
en dat zonder hem hun aller lot nog veel treuriger zou zijn.
Den volgenden dag toen de keizer op Malmaison kwam, drukte Louis hem
steelsgewijze iets schitterends in de hand: het was een ringetje dat
hij van zijn oom Eugène had gekregen en dat hij den keizer wilde
geven uit dankbaarheid, omdat deze zoo goed jegens hen was. Alexander
maakte het aan zijn horlogeketting vast en beloofde aangedaan het levenslang
te zullen dragen.
De twee pruisische prinsen maakten blijkbaar niet veel indruk op de
kleine Bonapartes. Louis kon niet vermoeden, dat de jongste eenmaal
zijn met zooveel moeite weer opgericht keizerrijk jammerlijk zou doen
ineenstorten en dat hij nog eens - nu als keizer Wilhelm - zijn triomftocht
zou herhalen door het veroverde Parijs.