LX.
Het waren dagen van onvermengde zaligheid en geluk, die nu voor Iwan en Corona aanbraken; zij namen hun liefdesroman op, van de plaats, waar zij dien neergelegd hadden. Vluchtig gingen zij over het oogenblik heen, toen het verhaal zoo plotseling afgebroken was; het geluk was de beste geneesheer voor Corona, zij wilde sterk worden, zij wilde Iwan iets beters gunnen
[242:]
dan een gebrekkige
vrouw en zoo ging haar gezondheid snel vooruit.
Zelfs haar arm leerde zij gebruiken, daar hij het verlangde. Iwan waardeerde
nu ook beter haar liefde, hij zelf was wijzer geworden en begreep dat
haar karakter, hoe ook veranderd, geleid moest worden door zachtheid
en geduld; Hermelijn had er den weg toe gevonden, hij wilde haar werk
in alle opzichten voortzetten en besloot in de eerste plaats te trachten
werkelijk haar meerdere te worden om voortdurend niet alleen haar liefde
maar ook haar achting waardig te blijven.
Zoo gingen zij het huwelijk tegemoet als menschen, die de lessen van
de hardste leermeesteres, de smart, ontvangen hebben en er hun voordeel
mee wisten te doen; zij hadden geleerd dat, daar waar de natuurrijke
neiging van het hart te kort schiet om het goede te verrichten, de stem
van den plicht moet gehoorzaamd worden, die den rechten weg aanduidt;
zij zochten het geluk van elkander op ieders wijze te bevorderen; zij,
door naar hem op te zien als naar een veiligen leidsman, hij, door dat
vertrouwen te blijven verdienen.
Zijn vroolijkheid vulde aan wat aan de hare ontbrak; haar geluk toch
werd getemperd door de herinnering aan het verledene; de gelukkige tijden
van haar eerste engagement herleefden telkens in haar geest; zij dacht
aan haar vader, aan de arme Dolly, aan haar zwakheid tegenover Iteko;
hij daarentegen voelde zich trotsch op de overwinning, die hij op zichzelf
had behaald, toen hij haar vergaf en vertrouwde op de toekomst, die
nog zooveel herstellen kon.
"Maar vertel me nu iets over je wedervaren in dien tijd,"
zoo verzocht hem Corona eens, terwijl Hermelijn hen gezelschap hield
aan de theetafel, "heeft niemand mijn plaats bij je bekleed?"
"Wel stellig, ik ben geëngageerd geweest, Hermelijn had bijna
gelijk: het scheelde maar een haar of ik zou nu getrouwd zijn. Zal ik
je de geschiedenis vertellen?"
Op Corona's voorhoofd dreef een wolkje, maar zij knikte van "ja."
[243:]
"Nu dan, ik
kwam in mijn Hollandsch huis terug zooals mijn goede pleegmoeder Kaatje
zeide "vleugellam." Ik had genoeg van alles, ik had in niets
moed."
"Evenals ik!" fluisterde Corona.
"Ik moest toch een besluit nemen en toen dacht ik: Mijn leven lang
deed ik alles, waarin ik lust had, nu ga ik voortaan doen, wat mij volstrekt
niet aantrekt, dat is iets nieuws, misschien zal me dat genezen. En
zoo besloot ik dan Limburgsche boer te worden en te trouwen met een
meisje, dat klein, blond, zacht en onbeduidend was."
"Je ideaal!"
"Het tegenbeeld! Ik vond ze spoedig, ze was weinig meer dan een
boerenmeisje, het deerde me niet, ik vroeg haar ten huwelijk en denzelfden
dag verscheurde ik met betraande oogen zeker portret."
"Corona," fluisterde hij haar toe, "als je wist hoe hard
't mij viel ook van je beeld te scheiden," en hardop ging hij voort,
"we waren verloofd tot groote verwondering van iedereen, Mimi.
. ."
"Heette ze Mimi?"
"Ja, Mimi werd benijd. Waarom, mag de hemel weten; ik begrijp niet,
wat voor aantrekkelijks schuilen kan in de hoop op een hart, dat aan
een ander toebehoort; ik had haar mijn liefde niet verklaard, alleen
gevraagd of zij mijn vrouw wilde worden. Het kind was en bleef bang
voor mij en ik gevoelde mij in haar tegenwoordigheid zoo diep ongelukkig,
zoo neergeslagen als nooit te voren, ik geloof dat de zes weken van
ons engagement dubbel rekenen in mijn leven. Ik dacht slechts aan mijn
Corona terwijl ik Mimi liefkoosde."
"Zoo zou 't mij ook gegaan zijn als ik met Alain de Géran
geëngageerd was geraakt."
"In dien tusschentijd stierf mijn vader; hij was dood in zijn stoel
gevonden en zijn zaken verkeerden in een allertreurigsten toestand;
de man was jaren lang om den tuin geleid door bedriegers van allerlei
aard; ik had genoeg te doen om in dien chaos eenig licht te brengen
en daardoor raakten mijn toekomstplannen op den achtergrond. Ik merkte
spoedig dat Mimi niet tevreden was, dat haar illusiën niet vervuld
werden;
[244:]
ik had mij gevleid
dat zij mijn persoon lief had, die zoete hoop werd aan mijn ijdelheid
spoedig ontnomen.
Mimi had het alleraardigst gevonden, mevrouw Thoren van Hagen te worden,
omdat het zoo deftig klonk en ze mooie japonnen zou kunnen dragen en
dat men uren in het rond zou gaan spreken van het wit satijnen bruidstoilet
van de meestersdochter, den man wilde zij er wel op den koop toe bij
nemen. Gelukkig toen de keten mij ondragelijk zwaar werd, kwam ik tot
de erkenning dat hij ook haar hevig drukte. Een kleinigheid bracht de
uitbarsting teweeg, of liever de oplossing, een kalme, vreedzame oplossing
die mij een ondragelijk juk van de schouders nam. Ik had in de laatste
nachten niet meer geslapen, 't was mij of ik vluchten moest ver van
daar, en zoo mijn eerewoord tegenover een onervaren kind mij niet gebonden
had, wie weet welk besluit ik genomen had. Nu was ik vrij, maar weer
even eenzaam, even doelloos als voorheen; het boeren trok mij volstrekt
niet aan en ik maakte plannen om weer de wereld in te trekken, Europa
voorgoed te verlaten. . ."
"En nu?"
"Nu is het aan mijn bruid om te beslissen; ik ben Goddank niet
vrij meer, ik leg mijn leven in Corona's handen."
"Iwan, ga met me mee naar Indië, help mij, in mijn vaders
geest voort te leven, zijn plannen voort te zetten, orde te brengen
in die verwarring."
"Ik zal je eerste minister zijn, Corona, meer niet!"
"Wat ben ik blij om Conrad!" juichte Hermelijn, "de arme
jongen staat nagenoeg alleen. Nu krijgt hij zeker een steun en een goeden
ook!"
"En papa, die je reeds zoo lief had, verheugt er zich over,"
zeide Corona diep ontroerd, "ik zal mijn best doen, spoedig sterk
te worden, opdat ge je niet te veel over je vrouw behoeft te schamen,
Iwan!"
"Die moed heeft, het nog eenmaal te wagen met zulk een windwijzer
als ik ben geweest. . . naar ik hoop! Maar eerst moet je meer van Europa
zien, Corona, we gaan naar Italië en Zwitserland en dan volgen
we zusje Hermelijn naar huis!"
Het was een stille plechtigheid, van Iwan en
[245:]
Corona's huwelijk.
De bruid scheen nog zwak en leunde geheel op den sterken arm van haar
bruidegom; zij droeg een eenvoudig smaakvol toilet van zwart kant, door
geen diamant opgesierd; slechts een enkel takje natuurlijke oranjebloesems
had Iwan op haar kleed gestoken; haar rechterhand kon moeielijk haar
naam teekenen, toch stond zij er op, die te gebruiken. Iwan begreep
waarom.
In haar oogen blonk de glans van een rein, edel geluk en hij zag met
trots en zelfvoldoening neer op de schoone bruid, die hij na zoo veel
strijd en smart eindelijk gewonnen had.
"Iwan's oogen lachen den geheelen dag," zeide Hermelijn, die
hen in het hotel bij een eenvoudig déjeuner opwachtte, maar ook
haar geheele wezen lachte van vreugde bij het vooruitzicht dat zij reeds
morgen Holland zou verlaten.
"Mijn taak is volbracht, ik ga gerust heen," zeide zij bij
het afscheid nemen, "tot wederziens!"
Het afscheid viel echter ook haar zwaarder dan zij dacht. Corona kon
zich slechts met moeite van haar lieve, bezorgde gezellin wegrukken;
gelukkig dat zij in haar man een troost vond, die tegen alle andere
ruim opwoog.
Hermelijn vertrok met de fransche mail, zij kwammet haar Leni en de
bedienden behouden in Singapore aan; groot was haar verrassing toen
zij geheel onverwacht Conrad voor zich zag staan.
Hij had zijn ongeduld naar vrouw en kind niet langer kunnen bedwingen,
en was hun tegemoet gereisd.
Hermelijn vergeleek deze ontmoeting met haar eerste aankomst en dankte
God in stilte dat zij, de eenzame weeze van voorheen, thans een beminde
vrouw, een gelukkige moeder, een hooggewaardeerde bloedverwante was
geworden.
Hermelijn werd niet moede van het vertellen harer lotgevallen en ondervroeg
tegelijkertijd haar man naar alles, wat in Ngaroengan was voorgevallen.
De wanorde was hoe langer hoe grooter geworden, de familie August was
een troep wilden gelijk, de kinderen van Guillaume, ook geheel aan zichzelf
overgelaten, niets minder, de zwakke vader ging zich hoe
[246:]
langer hoe meer
te buiten aan spel en drank, en ook Toetie's gedrag was lang niet onberispelijk,
Akkeveen's engagement scheen af, hij maakte het zijn zwagers met wie
hij thans ook gebrouilleerd was, lastiger dan ooit.
Margot wilde trouwen met een piepjong ambtenaartje.
"Ik geloof dat hij je reisgenoot was, Hermelijn," sprak Conrad,
"heet hij niet Simons?"
"Juist, een goedig ventje, maar geen man voor onze Margot!"
"Er is niets aan te doen, het kind luistert naar niemand. Philip
is bij Guillaume in de leer, ik vrees voor hem. Portias en Kitty zijn
naar Batavia gevlucht en leven daar recht gelukkig en tevreden, blijde
uit de wildernis ontsnapt te zijn. Er is niets meer over van de orde,
die er vroeger bij ons in de kolonie heerschte; alles' wordt verdeeld
onder eindeloos gekibbel. Ik verlang er naar dat Iwan en Corona komen,
je begrijpt hoe de tijding van hun verzoening en huwelijk ze allen te
leur stelde."
"En kreeg je vrouw de schuld niet, dat zij alles in orde of liever
in de war had gebracht?"
"Niemand durfde het zeggen in mijn bijzijn, maar dat ze je de schuld
geven is wel te begrijpen. Zij hadden nooit gedacht dat Corona zou herstellen."
"En ze vergeven het mij niet, dat zij nu weer sterk wordt als vroeger
en werpen de schuld op mij. Ik ben er trotsch op, Coen, en jij?"
"Ik ben blij dat ik je beidjes terug heb. Wat ik je toch miste!"
"Meer dan vroeger toen je mij te Samarang zoo officieel vroeg hoe
ik 't maakte."
"Deugniet! Praat daar niet over, onze Leni mocht het eens verstaan!"
"Je hebt gelijk, zij behoeft niet te weten wat een ondeugend jongetje
haar nu zoo geëerbiedigde papa is geweest."
Op Batavia werden zij door Kitty en Portias afgehaald om bij hen te
logeeren. Portias leefde tegenwoordig geheel in zijn element en verzekerde
dat hij nu eerst op orkest-toon was gestemd; Kitty had slechts oog en
oor voor kleine Leni, wat haar niet belette
[247:]
met aandacht te
luisteren naar het omstandige verhaal van Corona's huwelijk.
Na eenige aangename dagen te hebben doorgebracht, werd het vertrek naar
Samarang vastgesteld; Hermelijn had te Batavia ook mevrouw van Diteren
bezocht, die eindelijk de treurige tijding ontvangen had door een toeval;
Hermelijn's tegenwoordigheid was de eerste afleiding, die zij in haar
smart wilde erkennen; haar hart was vol bitterheid jegens haar echtgenoot.
Zelf wijzer geworden door de ondervinding, trachtte Hermelijn haar tot
kalmte en onderwerping aan te sporen in plaats van haar, zooals vroeger,
tot verzet te prikkelen.
Het was een sombere, regenachtige avond, toen Conrad, Hermelijn en hun
dochtertje hunne woning in het gebergte naderden; een intocht geheel
verschillende van haar vorige. Nergens vuurwerk, nergens vreugdevuren,
muziek of dans, maar in hunne harten was het des te lichter. In hun
oogen blonk een vuur, dat niet afhankelijk was van uiterlijke dingen
om te glinsteren en koesterende warmte om zich te verspreiden en beider
zielen vervulde een gevoel, dat niets gemeen had met de onrust, den
wrok en de vrees, die noch muziek, noch lichtglansen, op dien gedenkwaardigen
avond konden verjagen.
Met hun kind op de knieën, en het bewustzijn in 't hart veel meer
te hebben gedaan dan hun plicht, voelden Conrad en Hermelijn zich sterk
door hun liefde vol vertrouwen op de toekomst, hoe die ook zijn mocht;
moedig gingen zij opnieuw het leven in, gelukkig door het denkbeeld,
dat slechts de dood hen voortaan zou kunnen scheiden.