LVIII.
't Is winter, een
echte ouderwetsche winter; het sneeuw kleed is gespreid. over velden
en steden; de breede rivier is een uitgestrekte ijsvlakte, waarover
honderden en honderden met levenslust op het gelaat en blijden glans
in de oogen opgewekt heen en weer zwieren.
Holland is nu zichzelf meer dan ooit; op schaatsen, volgens het buitenland,
is de hollandsche jonkvrouw het schoonst en het bevalligst; dan worden
de bleekste wangen met een zacht fijn rood overtogen, dan komt er in
de flauwste en matste oogen een vonkje stralen, tintelend van genot.
Uit het diepste van een schijnbaar onbeduidend wezen stijgt alles op,
wat daar binnen gloeit aan verborgen warmte en geest; de ouderen van
dagen voelen de herinnering aan vroeger genoegen hun op nieuw vervullen,
voor een oogenblik schijnt gelijkheid op aarde neergedaald, alles krielt
door elkaar, ieder heeft voor den ander een woordje, een hoofdknikje
veil; zijn de schaatsen ondergebonden, dan is de rijder evenals de grieksche
tooneelspeler, die zich
[224:]
op zijn cothurnen
omhoog heft, een ander mensch geworden; hij vergeet alles wat geen ijs
is, hij laat de herinnering aan zijn dagelijksch werk, aan zijn beslommeringen
aan den oever, hij denkt nu alleen aan zijn uitspanning, aan zijn vermaak.
En zij, die sints jaren de ijs vreugde vaarwel zeiden, zij, die het
nooit nog genoten, allen voelen zich als door magnetische kracht aangetrokken
door de geheimzinnige vreugde, welke de gladde oppervlakte mededeelt
aan allen, die haar betreden, ook zij wagen zich, de eenen om dadelijk
weer door het oude vuur, dat hen eenmaal vervulde, op nieuw te worden
bezield en zich weer jong te voelen voor enkele oogenblikken; anderen
om zuchtend tot de ontdekking te komen dat zij werkelijk oud en stram
zij is geworden en tot niets deugen dan om door hun val den glimlach
op te wekken van hen, die zelf voetje voor voetje zich tevreden stellen
met op het ijs te loopen, want de schaatsenrijders in het vuur van hun
rit lachen niet als er tol betaald wordt aan het gladde element.
En boven al die bevallige vrouwengestalten in korte mantels met bont
omzoomd, in toiletten ontdaan van alle nuttelooze aanhangsels van twijfelachtigen
smaak, waarvan enkele voortzweven als gedragen door de tonen eener voor
oningewijden onhoorbare muziek, andere het laatste grientje sierlijkheid
verliezen, dat hen anders nog kenmerkt op het asphalt, door hun haastig
voortschuifelen, door hun gebogen houding en hoofd boven al die kloeke
mannen in eenvoudig wambuis of lichte paletot, die daar of met zelfbewuste
gratie kunststukken met de schaats uitvoeren even gemakkelijk als passen
in de danszaal, of die met schijnbare onverschilligheid de handen over
de borst gevouwen zich doen kennen als de meesters van het terrein -
boven allen, leerlingen en toeschouwers, kenners en spotters, welft
zich de hemel in haar saffieren glans even strak en even blauw als 's
zomers, wanneer de zon in de kabbelende thans verstijfde wateren speelt.
Nu werpen haar schuine stralen een lange streep purper over de gevels
der huizen en doen in het verschiet hemel en aarde elkaar omhelzen onder
een sluier van verblindend zilver; de sneeuw glinstert als een tapijt
van
[225:]
diamanten waar
zij nog rein en onvertreden is, het ijs neemt tinten aan van paarlemoer
en kristal, waar de schaatsenrijders het niet tot een zwarte massa hebben
gemaakt; 't is winter, maar hoe leeft, hoe ademt alles, hoe stroomt
van alle kanten een ontwaakt leven naar de rivier, die heet door den
winterslaap bevangen te zijn.
Winterslaap! dwaas woord, want juist de winter lokt tot beweging, tot
leven uit; is dat slaap, het feest, dat gevierd wordt midden in den
nacht, als de andere helft van de bevolking vergetelheid zoekt en vindt,
is dat een ontheiliging wellicht van de rust, die de natuur neemt, in
afwachting van haar ontwaken tot bloeien en rijpen? Neen, 't is het
Noordsche leven in volle kracht, in volle leven! Het ijs is de eenige
vergoeding, die den bewoners van een meest doffen, killen, vochtigen
hemel verleend wordt voor het gemis aan zonnelicht en warmte. Hoe zelden
echter brengt de ijskoning zijn bezoek aan deze streken, hoe kort, hoe
verraderlijk is dan zijn verblijf, hoeveel beloften geeft hij, welke
niet zullen vervuld worden, hoeveel teleurstelling laat hij achter door
zijn plotseling vertrek, hoe grillig zijn de gunsten, die hij uitdeelt,
en toch, om dat korte bezoek, zoo dikwijls aangekondigd en zoo veel
uitgesteld, heeft de Hollander zijn winter zoo liet, neemt hij de herinnering
daaraan mee naar de nachten vol bloemengeur en poëzie onder den
tropischen hemel, zucht hij naar zijn vaderland te midden der eeuwige
lente.
Voor één van zulke dagen als deze, tart hij maanden vol
mist en regen, een zomer vol stof en muggen, zou hij afstand doen van
een wonderland, dat het zijne niet is, zou hij jegens ieder durven volhouden,
dat er geen natuur is, zoo schoon als de ijsvlakte, door den winterkoning
uitverkoren om er zijn troon op te slaan.
"Een heerlijk, opwekkend gezicht. Wil je gelooven, Corry, dat mijn
voeten tintelen van verlangen om er aan deel te nemen?" vroeg Hermelijn
de Géran aan haar schoonzuster, die, op haar sofa uitgestrekt,
uit het midden der hotelkamer het voor haar geheel nieuwe schouwspel
met belangstelling volgde.
[226:]
"Maar Hermelijn,
wat belet je het te probeeren? Ik zou je zoo gaarne op het ijs zien.
Me dunkt, je zult het zoo bijzonder bevallig en vlug kunnen doen."
"Meen je dat, Corona? 't Is waar, ik was er dol op, ik heb 't indertijd
veel gedaan met . . . . Och ja, als men jong is en ongetrouwd."
"Met wien heb je veel gereden, Hermelijn? Ik geloof dat ik het
weet. Ik ben zeker dat hij het mooier doet dan een van allen, daar voor
ons."
"'t Is zoo, Corona, ik heb zijns gelijke op het ijs niet gezien,
we hebben zoo menig heerlijk tochtje samen gemaakt."
"Je hadt een paar moeten worden, je hoordet zoo bij elkander."
"Ik dank je voor die zorg, zusje, maar ik ben tevreden met mijn
eigen man en Leni is het ook met haar vadertje, haar jong, aardig vadertje,
niet waar, kleine stoute bengel? Zal je papa weer kennen als je hem
ziet?"
"Ach, wanneer zal dat wezen, Hermelijn? Ik bid je, laat mij nu
achter; ik zal nu zoo geduldig zijn, zoo gewillig om mij te laten helpen
door wie ook!"
"Ik geloof dat het helpen veel minder noodig zou zijn wanneer je
zelf eens probeerdet niet zoo hulpeloos te zijn. Je weet, wat de dokter
gezegd heeft."
"Och Hermelijn, je wilt niet gelooven hoeveel verdriet je mij doet
door me telkens die hulpeloosheid te verwijten als zou zij aan mij liggen."
"Maar Corona, ik verwijt je niets, ik zou je graag geheel hersteld
willen zien en je weet wat de dokter zei: niets anders dan een vaste
wil om je ledematen te gebruiken ontbreekt je nog; zoodra je het zelf
wilt, zullen ze je weer ten dienste staan. Beproef het eens!"
"Ik kan 't niet, Hermelijn, ik kan 't niet. Het zou immers de kroon
stellen op al mijn slechtheid wanneer ik je nu moedwillig hier hield,
alleen omdat ik geen lust had mij op te heffen. 't Is geen onwil, 't
is niet om je te dwingen bij mij te blijven. EIken dag is me een nieuwe
kwelling, een nieuwe wroeging dat je hier bent om mijnentwille, terwijl
je plaats toch is op Java naast je man."
"Wie zullen zien of de nieuwe verpleegster, met wie
[227:]
ik in onderhandeling
ben, een geschikt persoon is, maar ik zal met een veel lichter hart
vertrekken als ik wist dat je loopen. . . ."
"En dansen, en zelfs schaatsenrijden kon. Lieve zus, ik heb van
dansen te veel gehouden, ik geloof dat ik een dolle liefhebster van
schaatsenrijden zou wezen, als ik het maar eenmaal kon, doch ik word
gestraft in hetgeen mij het meeste waard is, in lichaamsbeweging. .
. ."
"Geen reden om er zich zoo kalm bij neer te leggen en niet te trachten
de kwaal te overwinnen. Zal ik je eens helpen naar het raam te wandelen?
Kom moed!"
"Ach neen, Hermelijntje, waarlijk niet! Ik zou 't doen als ik het
kon, maar geloof me, 't is onmogelijk."
En zij begon te schreien; Hermelijn haalde de schouders op; de dokter
had verklaard dat alleen goede wil haar ontbrak, maar met alle zenuwlijders
had zij het gemeen, dat zij aan wilskracht te kort kwam. Niets scheen
gemakkelijker dan op te staan en zich te bewegen, maar zij beweerde
dat het haar onmogelijk was en Hermelijn durfde niet te veel bij haar
aandringen, uit vrees dat zij dien raad aan den wensch zou toeschrijven
zich haar eigen taak te vergemakkelijken.
"We zullen er niet meer over spreken, Corry," zeide zij, bij
de sofa zittend en haar liefkoozend, "ben je werkelijk er op gesteld
mij te zien rijden? Ik zelf heb er den grootsten zin in, vóór
dat ik naar Indië terugkeer. Leni zal ik maar in haar mandje leggen,
dan zal je er geen last van hebben. We moesten de sofa aan het raam
schuiven."
"Dat kunnen we morgen wel doen. Ga maar op het ijs, Hermelijn;
hoe meer genot je in Europa hebt, hoe liever het mij is. Conrad zal
't met mij daarover ten minste eens zijn."
"Zou hij 't goed vinden?"
"Dat is me ook een vraag! Kom gauw, anders wordt het te laat. Ga
je kleeden!"
Hermelijn zag er allerliefst uit in haar wintermantel met bever omzet,
het bonten mutsje op de dikke, blonde lokken, terwijl de frissche kleur,
door den hollandschen winter op haar wangen getooverd, in volle harmonie
was met haar schitterende oogen.
[228:]
Zij wierp een laatsten
blik op haar beide kinderen zooals zij Corona en Leni noemde en nadat
zij zich overtuigd had dat alles in orde was, verliet zij het hotel
om zich eerst van schaatsen te gaan voorzien.
't Duurde een poosje vóór Corona haar op het ijs zag.
Eindelijk viel het lichte bont van haar mantel de zieke in het oog;
spoedig was zij op dreef.
"Wat doet zij het elegant," dacht Corona, "hoe buigt
ze zich gracieus, wat maakt ze lange strepen. Zoo moest Conrad haar
zien! Ieder kijkt haar na. Heb ik wel goed gedaan 't haar aan te raden?
Ik ben tegenover Conrad verantwoordelijk voor zijn mooi vrouwtje. Daar
zweeft ze heen, ik kan haar niet langer meer zien. . . . Die heer doet
het ook mooi! Als ze eens samen reden!"
Die heer, wiens fraaie kunst Corona in het oog viel, had een fluweelen
jasje aan en droeg een pelsmuts; hij was reeds een keer langs gekomen.
Corona moest hem nog eens zien, hij trok haar aan.
"Hij is even groot 't is dezelfde gestalte. . . ." zoo sprak
zij tot zichzelf, "ik wilde dat ik hem meer van nabij kon zien.
Me dunkt, zij gelijken op elkander. Daar komt Hermelijn terug hij staat
stil. . .. en zij kijkt om daar rijdt hij op haar af. . . . Mijn God!
het kan toch niet zijn. . . . als hij 't eens ware!"
Het koudzweet parelde op haar voorhoofd, zij beefde over alle leden;
zonder meer aan haar ziekte te denken, richtte zij zich half op en staarde
naar buiten, maar het raam stond haar in den weg; zij kon niet zien
of ze met elkander spraken, en toch, het scheen zoo te wezen, want geen
van beiden verscheen weder onder de rijders.
Een schier ondragelijke spanning maakte zich van haar meester.
"Zou hij 't zijn, en in gesprek met Hermine! Dan weet hij ook dat
ik hier ben. . . o die onzekerheid is niet te dragen, kon ik mij bewegen!"
Doch er verscheen niemand, misschien waren er nog geen twee minuten
verloopen maar in Corona's schatting waren het twee uren; zij kon niet
langer geduld oefenen en beproefde zich op te heffen, nu zat zij recht
op de sofa en trachtte op te staan, langzaam en on
[229:]
zeker; voor het
eerst sints maanden raakten haar voeten den grond aan. Het was een zonderling
gevoel of duizend spelden haar staken, het scheen of zij telkens in
elkander moest zakken, maar toch bleef zij overeind. Toen greep zij
een stoel en deed haar best een stap vooruit te gaan; wat zij steeds
geweigerd had met behulp en steun van haar zuster, gelukte haar thans
boven verwachting.
Langzaam en wankelend, zich vasthoudend aan tafels en stoelen, schoof
zij vooruit tot zij het raam bereikte en in een fauteuil neerviel; de
geneesheer had gelijk, niets ontbrak haar dan wilskracht, maar nu dacht
zij aan niets meer, niet aan de groote overwinning door haar behaald
op de ziekte, niet aan de tegenspraak, waarin zij met zich zelf was
gekomen, niet aan de voldoening, waarmede Hermelijn straks haar zou
zien, zij dacht aan niets dan aan den man, die daar stond te spreken
met Hermelijn.
Geen twijfel meer, hij was het, die dag en nacht haar gedachten bezig
hield, de man, die haar stellig haatte, maar dien zij nog lief had,
meer dan ooit te voren.
Hij stond met den rug naar het hotel en hij zag haar niet; Hermelijn
sprak levendig en opgewekt, hij luisterde met afgewenden blik.
Wat zou zij zeggen? Zeker hem verhalen hoe ongelukkig Corona er aan
toe was; hoe bitter berouw zij had, hoe zij smachtte naar vergeving!
O, kon zij zich voor hem in het stof vernederen maar dan moest hij niet
meenen, dat zij, de gebrekkige, verzwakte Corona van heden, hoopte de
banden van vroeger aan te knoopen. Daar dacht zij niet meer aan; op
zijn vriendschap zelfs maakte zij geen aanspraak meer. Neen, zij verlangde
niets van hem, dan dat hij niet langer in vijandschap aan haar zou denken.
Daar legden zij met elkander op en voort ging het langs alle groepjes
schaatsenrijders heen; ieder zag hen na, het was een bewonderenswaardig
paar. Corona bewonderde hen misschien het meest, doch geen zweem van
jalouzie was er meer over in haar ziel. Het lijden had haar werkelijk
beter gemaakt, zij kende inderdaad slechts één wensch
- zijn vergiffenis. Als Hermelijn
[230:]
die voor haar verkrijgen
kon, dan zou zij de kroon stellen op al haar goedheid en weldaden.
Spoediger dan zij dacht kwam het paar terug; Hermelijn bond haar schaatsen
af, Iwan hielp haar, toen gaven zij elkaar de hand tot afscheid, hij
reed naar den overkant der rivier om aan wal te stappen.
Geen blik had hij geworpen naar de ramen, waarachter zij leed, die hem
zoo doodelijk had beleedigd.
Zuchtend leunde Corona achterover en sloot de vermoeide oogen; er was
niets dat haar meer belang inboezemde, nu hij het ijs had verlaten.
"Corona!"
Met dit woord; vol verbazing en schrik uitgesproken, trad Hermelijn
binnen; het was of zij droomde, de hulpelooze Corona bij het raam in
een fauteuil gezeten. Na dien uitroep, zag zij haar schoonzuster vragend
aan.
"Maar hoe kom je daar? Toch niet geloopen!"
"Ik weet het niet," was het antwoord. "ik begrijp het
zelf niet, hoe ik hier gekomen ben. Ik moest hem zien, toen hij met
je sprak! Hermelijn, wat heeft hij gezegd?"
"Je weet het dus. . . Ik had gehoopt dat je het niet zien kon.
. . ik zou 't je niet verteld hebben."
"En waarom niet? Wil hij van geen vergeving weten?"
"Ik heb 't hem niet gevraagd."
"Niet gevraagd, dan zal ik hem schrijven! Waar is zijn adres?"
"Dat heb ik niet onderzocht."
"Och neen, ik mag 't ook niet doen. Maar wat heb je dan samen gesproken?"
"Ik heb hem alles verteld, wat er gebeurd is."
"Van mijn ziekte en wat zeide bij er van?"
"Geen woord, maar hij luisterde aandachtig."
"En hoe zagen zijn oogen er uit, zoo ernstig of zoo spottend?"
. .
"Dat kan ik je niet zeggen, hij heeft alles aangehoord maar zonder
een woord te spreken, zonder mij aan te zien. . . we zijn verder gereden;
toen heeft hij me verteld, dat hij sints een paar maanden in Holland
terug is. Zijn vader heeft hij verloren en. . ."
[231:]
"En wat nog
meer!"
Hermelijn knielde voor haar schoonzuster neer, nam haar beide handen
in de hare en zag met haar lieftallige oogen Corona deelnemend aan.
"Lieve zuster, zal je sterk zijn?" vroeg zij hartelijk.
"Ben ik in geen goede leerschool geweest! Zeg alles, Hermelijn,
ik kan alles verdragen. Wat heb je gehoord? Is hij met een ander verloofd?"
Hermelijn schudde het hoofd van neen.
"Getrouwd misschien?" vroeg Corona met verstikte stem.
"Ja," fluisterde Hermelijn.
Corona boog haar hoofd op de borst, haar handen trokken zich krampachtig
samen en haar lippen trilden.
"Nu kan ik hem vrij om vergeving vragen," stamelde zij en
groote tranen rolden langs haar wangen.