LIII.
Zoo betraden dan
Conrad en Hermelijn met hun zieke zuster het huisje, waaraan reeds zoo
vele herinneringen voor hen waren verbonden.
Hermelijn's voornemen had groot opzien gebaard; men lachte en spotte
er over, zette Conrad in 't geheim op tegen die dwaasheid van zijn vrouw,
maar vergeefs! hij was te overtuigd geraakt van haar meerderheid en
beantwoordde alle opmerkingen met een hardnekkig zwijgen.
Hoe voorzichtig ook de tocht naar Djantong geschiedde, toch verergerde
Corona's toestand er gedurende eenige dagen aanmerkelijk door.
"Ik vrees dat zij voor goed verlamd zal zijn aan haar rechterkant,"
sprak de geneesheer. "'t Is jammer, dood jammer van die mooie vrouw."
Tegen Hermelijn was Corona nu eens zacht en vriendelijk, dan weer scherp
en veeleischend; als Conrad het maar niet hoorde, dan was Hermelijn
er geheel onverschillig onder, doch zij wist hoe zijn wenkbrauwen zich
dun konden fronsen en zijn lippen zich onte
[189:]
vreden plooien om
den last, die zijn vrouw op zich had genomen.
Moeilijk genoeg viel het haar, hem niets te doen verliezen van de huiselijke
gezelligheid en tegelijk haar plichten als ziekenoppaster te vervullen.
"Hermelijn, wat bezielt je toch, dat je zoo goed tegen mij zijt?"
vroeg Corona in een harer goede buien. "Ik heb 't er toch niet
naar gemaakt."
"Als ik ziek ben, zal je me immers ook oppassen?"
"Zal ik dat ooit kunnen? Ik vrees dat ik arm en hulpbehoevend zal
blijven, mijn leven lang! Ik word gestraft, daar waar ik gezondigd heb.
O die schuldige arm! Kon ik maar geduldig het leed dragen, dat ik verdiend
heb door mijn eigen schuld."
Hermelijn vroeg geen nadere uitleggingen, zij wachtte geduldig totdat
Corona haar een volledige bekentenis deed van alles wat er tusschen
haar en lwan was voorgevallen. Hermelijn sidderde; zij kende lwan's
karakter en begreep met hoeveel verbittering en wrok hij zich die mishandeling
had laten welgevallen; een beleediging, waarvoor hij geen herstel kon
vragen, een smet, die niet was uit te wisschen.
"O je weet niet, wat ik geleden heb," snikte Corona, "in
die slapelooze nachten, vóór dat ik tot opium mijn toevlucht
nam om ten minste voor enkele oogenblikken te vergeten, wat ik gedaan
had. De arm, die daar nu zoo machteloos neerligt, hoe heb ik soms verlangd
hem te straffen. maar ik wond mij op, door de gedachte dat hij me eigenlijk
niet beminde, dat hij alleen dacht aan jou, Hermelijn."
"Corona, wat een vermoeden!"
"Je weet niet, je weet niet, hoe die lage lteko mij vervolgd heeft
met haar half bedekte beschuldigingen, hoe zij alles wat er zwaks en
slechts in mijn karakter lag, wist op te wekken en te prikkelen; zij
maakte mij Iwan 's liefde verdacht en jou deugd; zij. . . . zij is dood,
ik wil haar niet meer beschuldigen, maar dat Akkeveen nog niet ontmaskerd
is, dat mijn broers en zusters met hem heulen, o die gedachte maakt
me soms zoo verbitterd."
"Maar zou 't dan niet goed zijn, als je het aandeel dat hij er
in gehad heeft, bekend maakte?"
[190:]
Corona glimlachte
treurig.
"Wat zou 't baten, Hermelijn? Zij zijn zoo verblind, zoo tegen
mij ingenomen; 't is zulk een gemakkelijk werk, om, nu de groote Cor
hulpeloos neerligt, haar te vertrappen en sarrend om haar heen te dansen!
Ze zijn allen dezelfde."
"Conrad niet."
"Omdat zijn vrouw de reine, blanke Hermelijn is! Dat ik je ooit
kon vergelden, wat je mij doet! Als ik Iwan niet verdreven had, dan
ware hij sinds lang mijn man, mijn beschermer geweest; hoe zouden die
lafaards voor hem ineengekrompen zijn; ik was niet afhankelijk geweest
vall iemands christelijken, edelmoedigen vergevingszin. Ach, wat heb
ik van me afgeworpen! 't Is of ik niet genoeg gestraft werd door zijn
verlies."
Zoo jammerde zij telkens; niets was in staat haar uit die diepe moedeloosheid
op te heffen; dagen gingen voorbij, dat zij zonder een woord te spreken
rustig neerlag, maar als de koorts zich op nieuw verhief, werd zij onrustig,
bijna onhandelbaar. Zij had voor niemand ontzag en tergde Hermelijn
met allerlei onzinnige verlangens. Later vroeg zij dan weer nederig
vergiflenis en wierp alle schuld op haar treurigen toestand.
Nooit echter maakte zij er toespelingen op, dat zij haar ongeluk te
wijten had aan de redding van Akkeveen's jongetje, die juist aan het
bestaan van dat kind het recht meende te ontleen en haar te vervolgen.
"Wat is Dolly gelukkig; arm schepsel! Ik moet telkens en telkens
aan haar denken. Zoo jong en reeds afgerekend met het leven! Wat zou
haar lot, ondanks haar hooge levensbeschouwing. op den duur zijn geworden
naast dat wezen? Je hield veel van haar, Hermelijn?"
"Ja. Ik achtte haar hoog. Ik heb veel van haar geleerd."
"Zij is ook ongelukkig geweest door mijn schuld. Ik heb haar gekoppeld
aan Akkeveen! Al mijn zonden bezoeken mij thans, alles komt op mijn
hoofd terug, wat ik misdeed en 't ergste verplettert mij nog je goedheid.
Hermelijn, zend me weg, laat huurlingen
[191:]
mij oppassen, niemand
voelt nog iets anders voor mij dan medelijden. Hij zelf zou me beklagen,
als hij mij in dezen toestand zag. Ik weet hoeveel die trouwe oppassing
je kost en hoe Conrad 't met leede oogen aanziet, dat je zoo goed tegen
mij zijt."
"Lieve Corona, denk daar niet aan. Ik doe 't met liefde."
"Dat weet ik helaas! Je moet assistentie hebben, plaats een advertentie
in de courant om een ziekenoppasster."
Er kwam hulp voor Hermelijn in de persoon eener handige dame, maar deze
kon 't Corona niet naar den zin maken; met een volharding, die soms
aan gestoorde geestvermogens deed denken, bleef zij telkens om haar
schoonzuster roepen en de juffrouw vroeg haar ontslag, overtuigd, dat
zij hier niets kon uitrichten.
Toen kwam Kitty eens over, die het in de rumoerige, inlandsche huishouding
ook niet kon uithouden; zij was van goeden wille, zij verlangde niets
liever dan haar zuster te verzorgen, maar Corona kermde het uit als
zij haar kussens verschikte, het eten, dat zij bracht smaakte haar niet;
elke dienst werd afgekeurd en ten einde raad trok ook Kitty zich terug.
"Ik denk, dat we zoodra alles opgeschreven is, naar Batavia gaan,"
zeide Kitty, "men heeft Portias voorgesteld directeur te worden
van Polyhymnia, hij kon dan tegelijk een cursus houden van muziek, en
ik wil hier ook niet langer blijven. Poppie neemt het huishouden waar
op haar manier, Toetie brengt alles in de war, ze kibbelen soms, dat
de sloffen en de haar kondés er bij te pas komen. Er is nergens
orde of regelmaat, de kinderen. verwilderen heelemaal. Ik heb er zoo
dikwijls over geprutteld dat Cor te streng was en papa in alles haar
zin deed maar nu zie ik in, hoe noodig 't was om zoo'n bende brandals
[Roovers.] met de karwats te regeeren."
"Dat moet je haar eens zeggen," zei Hermelijn.
"Er wordt niet geregeld meer gegeten, niet meer geleerd; de kinderen
loopen rond op bloote voeten, zitten In den stal of in de bediendenkamers,
plagen de
[192:]
pauwen en bederven
de bloemen, schelden de volwassenen uit en worden voor niets gestraft.
Niemand heeft meer iets te zeggen, allen commandeeren tegelijk. Akkeveen
denkt aan niets dan te trouwen met de rijke Gerardine van Dijk. Schandelijk,
zoo kort na den dood van onze lieve Dolly; Guillaume drinkt en speelt,
hij is bijna nooit in huis, August zegt geen woord. Conrad en Portias
zijn nog de eenigen, die wat uitvoeren. Margot is de boezemvriendin
van Gerardine en wordt een onuitstaanbaar nest. Philip is den heelen
dag niet te zien, de hemel weet, wat hij doet. Zoodra dus de boel wat
geregeld is. groeten wij die leelijke Vulkaan en gaan op het goddelijke
Batavia wonen."
Toen Hermelijn Corona iets vertelde van den loop der dingen te Ngaroengan
zuchtte de zieke diep en vroeg:
"Had papa niet goed gezien toen hij Iwan als zijn opvolger wilde
bestemmen? 't Is alles, alles mijn schuld, alle ellende die nu komt;
mijn vervloekte drift, mijn onzalige eigenzinnigheid hebben die rampen
veroorzaakt. Als Akkeveen op zijn plaats t'huis ware geweest en niet
op het feest, dan zou Dolly misschien gered zijn, als. . ."
"Vermoei je nu maar niet met die alsjes uit te denken; je moet
toch ook iets overlaten aan de beschikkingen der Voorzienigheid, die
zulk een ramp over ons zendt."
"Maar hoe heel anders zouden we die ontvangen hebben als ik met
Iwan getrouwd ware. Je moet me wat vertellen, Hermelijn, 't is iets
wat mij onuitsprekelijk kwelt. Weet je ook waarom hij papa vroeg om
een betrekking op het koffieland?"
"Hij heeft het me nooit gezegd maar ik raad het toch, Iwan was
niet volmaakt, hij had vele gebreken, een daarvan was zijn rusteloosheid.
Hij had 't met de meeste mannen gemeen, dat liefde alleen zijn hart
niet kon vullen. Zij moeten iets hebben om voor te werken en over te
denken; hij kende die kwaal van hemzelf het best en om die te overwinnen
vroeg hij papa een betrekking. Hij wilde waardig blijven, je altijd
te mogen beminnen."
"Hij is edel geweest als altijd. Wat moet hij me thans verachten,
dat valt mij zoo zwaar!"
[193:]
Hermelijn trachtte
in Corona's zwakke oogenblikken haar levensmoed op te wekken, haar kracht
in te spreken, maar zij bleef even mat, even lusteloos; haar sterke,
levendige geest was niet alleen tot werkeloosheid veroordeeld door de
onmacht van het lichaam, maar ook gedwongen, zich altijd met haar gedachten
in een kring te bewegen om éen middelpunt.
"Dolly sprak van de smart, die den inwendigen mensch moet louteren,"
dacht zij dikwijls, "ik geloof dat zij mijn ziel slechts verbittert;
ik heb alles gevoeld, ziele- en lichaamssmart, ik heb getracht het te
dragen als een straf, als een beproeving, het. wordt er niet beter om.
Mijn verbittering neemt toe, 't is me nu of ik krankzinnig zal worden
bij de gedachte dat ik misschien tot mijn dood zulk een leven zal voortsleepen,
mijzelf en anderen tot last."
En toch deed zij niets om dien last te verminderen, dwong zij met alle
kunstgrepen van een ondeugend kind op Hermelijn's bijna gestadige tegenwoordigheid
aan.
Conrad werd ongeduldig; hij liet een consult van eenige geneesheeren
houden, hun oordeel luidde kort en beslist; hier was er geen genezing
te hopen, in Europa wellicht.
Blijkbaar durfde niemand de zware verantwoordelijkheid van haar behandeling
aan; haar gestel was daarbij te geschokt om zulk een reis nog te kunnen
uitstellen; haar zenuwen waren overprikkeld, de zeelucht, verandering
van omgeving zouden wellicht een goeden invloed oefenen en hoe spoediger
zij vertrok hoe beter.
De doktoren namen de zware som aan, die dit advies waard was, gaven
flauwe hoop op genezing, en vaste verzekeringen dat een langer verblijf
op Java stellig dood, krankzinnigheid of verlamming ten gevolge zou
hebben.
Toen zij vertrokken waren stonden Conrad en Hermelijn radeloos.
"Wat moet er nu gedaan worden, Coen?" vroeg Hermelijn.
"Zij dient te vertrekken!" antwoordde hij somber.
"Maar hoe?"
"Dat weet ik niet, zij moet het zelf weten."
[194:]
"We mogen
't haar nog niet zeggen, haar zenuwen zouden het niet verdragen."
"Maar de reis is onvermijdelijk; we moeten geleide voor haar zoeken."
Plotseling barstte Hermelijn in luide snikken los; Conrad, die zulke
uitbarstingen van haar niet gewoon was, wist niet wat te denken en overlaadde
haar met de teerste vragen.
"O Coen, dat zou toch onmogelijk zijn, denk daar niet aan."
"Maar wat dan?"
"Dat ik met haar mee zou gaan, jou verlaten en Leni!"
"Spreek daar niet over, dat is onmogelijk," zeide hij norsch,
"niemand is zoo goed voor haar geweest, niemand heeft zoo veel
voor haar over gehad als wij; alles heeft echter zijn grenzen. 't Zou
nooit in mij opgekomen zijn aan zulk een mogelijkheid te denken."
Voorzichtig bracht Hermelijn aan Corona de uitspraak der doctoren over.
Zij zuchtte diep en schudde het hoofd.
"Daar kan niets van komen," sprak zij, "ik mag er niet
aan denken."
"Maar lieve Corona, als het zijn moet."
"O als er slechts de dood mee gemoeid ware, ik zou er mij rustig
bij neerleggen, maar levenslange machteloosheid, 't is om te sidderen."
"Vindt je het dan goed dat we er werk van maken?"
"Werk waarvan?"
"Van je reis."
"Je zult niemand vinden, die in staat is mij op te passen, dat
weet ik vooruit."
"Maar we kunnen er toch wel een zoeken."
"Ja, maar je vindt ze niet."
Nu Corona vooruit haar wil uitdrukte, was het wel te vreezen dat zij
niet licht zou zijn tevreden te stellen. Conrad deed zijn uiterste best
om geschikt reisgezelschap voor haar te vinden, maar reeds bij de kennismaking
verklaarde zij dadelijk dat zij niet tevreden was en er nooit mee tevreden
zou zijn.
"Doe maar geen moeite, Hermelijn!" sprak zij, "doe maar
geen moeite. Laat me stil begaan, gun me alleen een plaatsje om te rusten;
wellicht zal God zoo goed
[195:]
zijn een einde
te maken aan mijn ellendig nu leven. Moge het spoedig wezen!"
Haar moedeloosheid nam meer en meer toe; niets kon haar daaraan meer
ontrukken. De dokter raadde spoed aan om Indië te verlaten en stond
anders niet voor de gevolgen in.
"Och," zeide ze eens met alle onbillijkheid eener zieke, "het
is hun geheel onverschillig hoe 't met mij gaat. Leefde mijn goede vader
nog maar; nu is er niemand meer, die belang in mij stelt. Men wil mij
aan vreemden overlaten, de zee overzenden, en hoe minder men van mij
hoort, hoe beter. Ik blijf hier, er kome wat er wil."
Eindelijk verklaarde de geneesheer, die haar eenige keeren in de week
kwam bezoeken,dat zij binnen drie weken aan boord moest gaan, daar hij
anders voor de gevolgen niet instond. Hermelijn zag haar man aan met
pijnlijk verwrongen gelaat. Hij wendde den blik af.
"Mevrouw," zeide de dokter, "er is slechts één
middel, ik durf het niet aanraden. Maar bedenk, dat het leven, de gezondheid,
het verstand wellicht van uw zuster van afhangen. U moet haar vergezellen,
al ware het alleen maar op reis. U is de eenige, door wie zij wil opgepast
worden."
"Dokter, praat er niet van," riep Conrad, "U begrijpt
toch wel, dat ik het niet kan toestaan, of ik moet mee, en dat kan niet
in deze omstandigheden."
"Conrad," zeide Hermelijn met bevende stem, "ik zal doen
wat je beslist, maar ik elk geval verlaat ik mijn kind niet."
Hij stond op en ging boos de kamer uit.
"Morgen," sprak hij, "morgen zullen wij er nader over
spreken."
"Als u bedenkt, mijnheer, dat de tijd dringt," zeide de dokter
ernstig.
Drie weken later werd Corona aan boord gedragen; met diep bedroefde
Hermelijn volgde haar, vergezeld van haar kindje en twee javaansche
bedienden.