[172:] LI.
"Hemel en hel
zijn getergd, geen wonder dat de wereld nu verwoest is," sprak
de grijze Hadji Abu-Moessin, tot eenige zijner getrouwen terwijl hij
het tooneel der verdelging aanschouwde, dat zich op de helling van den
Merawoe ontrolde. "De slang Naga-Djoenia, waarop Java rust was
reeds opgeschrikt door de talrijke ongeloovigen, die zich op zijn lichaam
nestelden, en die slechts aan feesten en dansen dachten zelfs in den
tijd der poewasa [Vasten.], terwijl de grooten onder de Orang Slam [Mohammedanen.]
hen trouw daarin hielpen. Zij hebben de visschen verontrust in de heilige
meren, zij hebben de gewijde apen vervolgd en gedood, zij hebben de
rust van de reuzen-slang gestoord door de klanken van hun muziek en
het geknal van hun vuurwerk. De straf van Allah bleef niet uit! Zie
wat er geworden is van het vruchtbare land! Wat van de menschen, die
het bewoonden!"
Het groote huis van Ngaroengan was ten halve verwoest, de groote pendoppoh
in elkander gezakt en een der pavilloens ingestort. Men zag er nog overblijfselen
van het groote maal dat den franschen gast tot afscheid was aangeboden,
juist op het oogenblik der uitbarsting.
De koffietuinen waren grootendeels vernield door de gesmolten lava,
de boomen gedood door het kokende water, wat den krater ontborrelde,
groote rotsblokken op verren afstand weggeslingerd. Sinds menschengeheugen
had men van zulk een ramp niet gehoord, ver strekte de vernieling zich
uit; tot in de vlakte vond men de sporen der uitbarsting.
Zwaar werden de Gérans door de ramp getroffen. Zij zaten aan
het feestmaal; Corona schitterde van haar diamanten, die zij bijna alle
over hals, schouders en lokken met meer kwistige pracht dan smaak had
geworpen, zij zat aan de zijde van haar grafelijken neef, die zijn oogen
niet kon afwenden van den schier ver
[173:]
blindenden glans,
van haar uitgaande, die hem belette aandacht te wijden aan haar verwelkte
schoonheid.
Misschien berekende hij wel, hoeveel I v re s d e re r e n t e, die
edelgesteenten vertegenwoordigden, hoeveel genot men in Parijs als sportsman
of jeune gommeux daarvoor koopen kon; misschien wekte dat gezicht bij
hem nog half slapende wenschen op naar genietingen en verstrooiingen,
liefst zonder de vrouw, die hem zoo veel weelde aanbracht aan zijn zijde,
misschien berekende hij zijn kansen, en overwoog de voor- en nadeelen
van een huwelijk met zijn schoone, rijke nicht.
Toen hij haar den arm bood, om naar de feestzaal te gaan, hadden velen
geglimlacht, de Franschman scheen zoo klein, zoo nietig naast haar koninklijke
gestalte, zij helde over toen zij haar hand op zijn arm legde, zij moest
op hem neerzien als hij met haar sprak.
Een snijdende pijn, die door geen muziek te verdooven, door geen diamanten
glans, door geen droomen van eerzucht te verdrijven was, vervulde plotseling
haar hart.
"O God! hoe ledig is dat alles, hoe ijdel!" dacht zij, misschien
ondanks zich zelf, "hoe veilig steunde ik eens op een anderen arm,
hoe vertrouwend zag ik naar hem op, hoe trotsch voelde ik mij door zijn
liefde, hoe fier was ik, in hem mijn meerdere te weten! Wat een verschil
tusschen hen, hoe kan ik in die komedie nog langer een rol spelen!"
Zij lachte en schertste terwijl haar hart deze woorden verzuchtte, maar
haar scherts klonk bitter en haar lach schel en schor; tegenover haar
zat haar vader gedrukt en somber. Hij dacht waarschijnlijk aan de bannelingen;
de overigen waren vroolijk, opgewekt, soms zelfs uitgelaten.
Daar hief de graaf zijn glas op en dronk in fijn uitgezochte bloemrijke,
hoffelijke woorden, door zijn gouverneur neergeschreven en door hem
uit het hooggeleerd, de gezondheid van zijn hooggeschatten gastheer
en zijn schoone gastvrouwe, die hij eens wachtte in Frankrijk, daar
waar hun gemeenschappelijke bakermat stond.
[174:]
Allen stonden op,
de blonde champagne parelde hoog in de lijn geslepen glazen.
"Mag ik meer hopen," fluisterde graaf Alain zich tot Corona
neerbuigend, "u weet, ik heb u lief!"
't Was of bij dat woord iets in haar hart verkilde, of haar jammerlijk
verwoest leven in een akeligen, helder en glans voor haar uitgespreid
lag.
"Wat is dat?" riep de graaf plotseling, "zoo'n schitterend
vuurwerk zag ik nooit."
Het was klaar dag geworden, een groenachtig, vreemd licht spreidde een
doodschen gloed over de gasten rond de tafel, tegelijk deed zich een
onderaardsclt gedruisch hooren dat allen met schrik vervulde.
"De Merawoe!" gilden zij en stortten naar buiten, de glazen
vielen rinkelend op de steen en, de kleederen der dames scheurden, de
meubels stortten omver.
Buiten viel de asch over de feestgewaden en de met bloemen versierde
lokken; de aarde scheen in opstand, boven hen bulderde en toornde de
berg, nu eens met dikke duisternis het aanzijn van sterren en maan verduisterende,
dan weer den hemel kleurende in hel blauw, slangkleurig groen of bloedrood.
't Was een Bengaalsch vuurwerk, door een reus ontstoken, duizendvoudig
weerkaatst in de diamanten der vrouwen, die kermend en biddend bij elkander
waren gescholen.
In de verte hoorde men het jammerend gehuil der wilde dieren, vermengd
met het krakend neerstorten der woudreuzen; hemel en aarde schenen te
vergaan.
De grond dreunde en danste, boven hen verhief zich de ontzettende rookkolom,
die nu eens vurige vonken tegen de zwarte lucht deed flonkeren, dan
weer asch en rook over het landschap uitstortte; soms knalden er geweldige
schoten, het waren de gassen, aan de gapende rotswanden ontsnapt die
als een leger monsters van grilligen vorm, den spoken gelijk, welke
het brein der arme bergbewoners plachten te verontrusten, zich over
de geplaagde wereld verspreidden, boden van schrik en dood.
"Zijn de kinderen veilig?" vroeg Corona plotseling; de kinderen
sliepen in een paviljoen, tegenover dat van Kitty gelegen; niemand had
aan hen gedacht.
Zij wachtte geen antwoord; alle geestkracht was in
[175:]
haar ontwaakt;
zij drong in het gebouwtje voor welks deur Iteko stond, die er nog kleiner,
nog wanstaltiger dan anders uitzag in haar verwarde kleeding.
Kleine mannetjes en vrouwtjes zaten huilend of verstomd op den golvenden
grond
"Zijn ze er allen, Iteko?" vroeg Corona.
"Ik geloof 't, juffrouw, een, twee, drie, vijf, zes; kom niet binnen,
het dak is aan het kraken, de kleine Guillaume is er niet bij, hij ligt
in de achterste kamer."
"Zijn er geen mannen om te helpen?" vroeg zij bitter en het
was of zij haar Iwan zag, schoon als een aartsengel, die alleen de verwoesting
durfde trotseeren; toen wierp zij zich in het instortende gebouw, naar
niets meer luisterende.
"Julfrouw Corona!" smeekte Iteko.
Zij rukte zich los en verdween in het huis, dat op zije grondvesten
wankelde.
"Waar is Corona?" riep haar vader.
"Daar, daar! O mijn hemel! wat ik achterliet!" Iteko snelde
haar achterna; ieder dacht dat zij haar meesteres wilde redden. Portias
hield haar vergeefs tegen want Corona kwam reeds naar buiten met het
kind in de armen, maar op hetzelfde oogenblik zakte de zolder vlak voor
haar voeten in elkaar; niemand dacht meer aan de aardbeving, aan den
vuur en lava spuwenden berg; een nieuwe ramp had zich bij de andere
gevoegd.
"Help, help," riep de oude heer ontzet, "mijn kind, mijn
kind!"
Een hevige benauwdheid greep hem aan en hij stortte op een bank neer;
intusschen vlogen eenige mannen in het zakkende huis. Wolken stof en
zand stegen dwarrelend uit de puinhoopen op, Corona, met het kind op
den arm, was van voren en van achteren door de instortende muren omringd;
op weinige stappen afstand, bij haar kast, stond Iteko; rechts en links
vielen planken en steenen, die hun den weg versperden.
"Er is geen redding meer mogelijk, juffrouw Corona," riep
zij hijgend, "mijn geld! Ik heb er alles voor over gehad en nu
verlies ik het."
"'t Is de rechte tijd om aan geld te denken," sprak Corona
verachtelijk, "denk er liever aan dat wij binnen
[176:]
weinige oogenblikken
voor God zullen staan, die ons zal oordeelen."
"U heeft niets te vreezen," kermde zij, "ik ben zoo schuldig,
doch er is een ander, schuldiger dan ik."
Zij kroop tot vlak voor de voeten van Corona, die op de knieën
lag in haar zwart satijnen kleed, nog versierd met de glanzende edelgesteenten
en met haar lichaam het kind beschuttend, dat zij gered had.
Daar boven kraakte het plafond, de balken vielen rechts en links en
verpletterden de meubels, de splinters verblindden haar oogen, de muren
scheurden.
"Juffrouw Corona, ik moet het u bekennen, misschien zoo 't waar
is dat onze ziel den dood overleeft, zal u 't binnen weinig oogenblikken
toch weten en anders, wat deert het mij? Mevrouw Hermine is onschuldig;
zij heeft den brief niet geschreven. Ik deed het, omgekocht als ik werd
door meneer Akkeveen, voor f 2000. Dat geld heb ik nu verloren, een
gedeelte ten minste, nu is het hem kwijtgescholden, maar als u blijft
leven, dan ontgaat hij ten minste zijn straf niet."
"Hermine onschuldig, Iwan had gelijk, je verdient alleen verachting;
o God neem mijn leven als boete!" snikte Corona.
Een donderend gekraak vervulde de lucht; daar stortten de laatste balken
van het pavilloen naar beneden, door een schok, heviger dan de vroegere;
het was de slag die Conrad en Hermine op Samarang zoo verschrikt had.
Zij, die uit de vlakte naar boven staarden, zagen een ontzaggelijken
boom, wiens stam van rook en wiens takken van vuur schenen, uit den
berg stijgen; uren ver straalde zijn onheilspellende gloed nu eens helderder
dan somberder in den nacht, steenklompen wierp hij rechts en links;
het was of uit het diepste zijner vurige ingewanden een laatste kreet
van verbolgenheid opwelde, een laatste bewijs van zijn kracht; toen
daalden asch en zwavel neer over de welige wouden, de spiraalvormige
vuurkolom werd doffer en doffer.
De Merawoe had zijn toorn opnieuw doen voelen aan het vreedzame volk,
dat hem scheen vergeten te
[177:]
zijn, dat dartelde aan zijn voet, dat speelde op zijn geweldigen rug. De aarde keerde tot rust terug, het gebulder werd zachter en zachter om eindelijk bij na weg te sterven. Toen het morgen was, streken koeltjes zacht en verkwikkend over de gemartelde bergen en dalen, de zon verliet glanzend en stralend haar kimmen, om de natuur die zij gisteren nog in volle pracht en schoonheid had gezien, jammerlijk verwoest weer te vinden; de berg alleen stond daar nog rookend en somber, nu en dan vlammen spuwend, die gaandeweg kleiner en kleiner werden, en haar assche als een zachten motregen strooiend over het landschap.