XXXVIII.
Hermelijn was teruggekeerd
in haar eenzame woning.
Na de hartelijkheid en warme liefde, waarmee Dolly haar omringd had,
viel de koude ontvangst en de onverschillige begroeting van haar man
dubbel hard.
Zij ging haar weg, en bekommerde zich in 't minst niet om hem; zij speelde
piano, zong als de vogeltjes, zonder er om te vragen, of iemand naar
haar luisterde; hij kwam niet eens meer aan tafel en liet haar geheel
alleen.
"En dat noemt Iwan opkomende liefde," dacht Hermelijn. "'t
wordt hoe langer hoe zwaarder, 't is niet meer te dragen. En toch 't
moet eens eindigen, maar hoe?"
Alle woorden en daden van Conrad maakten den indruk of hij met geweld
zeker gevoel onderdrukte, dat hem te machtig werd. Hermelijn beefde
in stilte, niets zou haar natuurlijker zijn voorgekomen dan als hij,
door 't een of ander getergd, plotseling opgesprongen was om zich met
een mes op haar te werpen.
Zij hoorde hem onrustig heen en weer loopen, terwijl zij voor de piano
zat en de liefelijkste melodieën van Schubert zong; hij mishandelde
zijn hond, dien hij anders zoo verwende, sloeg den huisjongen, die hem
wat lang op vuur liet wachten, de tali api [Vuurtouw] tegen het gezicht,
en toen eindelijk Hermelijn opstond, daar hare bevende vingers het haar
onmogelijk maakten langer te spelen, snelde hij naar het instrument,
wierp het deksel met geweld dicht, zoodat de bobèches in stukken
vlogen en de snaren een dof geknars deden hooren.
"Ik wist niet dat mijn spel je hinderde, Conrad,"
[71:]
sprak zij zacht
en kalm, terwijl haar stem hoorbaar trilde, "waarom het mij niet
bedaard gezegd?"
Hij zag haar aan met een woeste uitdrukking, het was of zijn vuisten
zich balden, of hij zich op haar wilde storten.
Zij verroerde zich niet en zag hem onverschrokken in het wit der rollende
oogen, hoewel haar hart tot brekens toe klopte.
Als door bovenmenschelijke inspanning overwonnen, keerde hij zich om
en verliet het huis zonder naar haar om te zien.
De arme Hermelijn viel bevend in haar stoeltje neer.
"Mijn God, sta me bij! 't Is zoo duister," bad zij, "alleen
met hem zijn, met dien woesteling! En toch, wat heb ik te vreezen? Mijn
leven! wat is 't mij waard? Niets meer! Dolly is moedig en sterk, maar
zij heeft nog haar kinderen en ik ben verlaten, eenzaam. O vader, als
u 't wist. . .!"
Zij sloot zich in haar kamer op; de nacht viel, maar Conrad kwam niet
t'huis; een zwaar onweer brak los, het gebergte schudde en beefde, de
boomen ruischten woest en wild, telkens doorboorden de bliksemflitsen
de neerhangende jalouzieën en vervulden haar kamer met de helderheid
des daags; de donderslagen volgden elkander bijna zonder tusschenpoozen
op, en het arme Hermelijntje lag achter haar wit tullen gordijnen te
huiveren en te trillen, zij die vroeger geen angst kende.
Zij was bang voor het weer, bang voor haar man, bang voor alles, bij
eIken slag, elk weerlicht.
Eindelijk toen het onweer voorbij trok, viel zij in een onrustige sluimering,
waaruit ze plotseling gewekt werd door een licht, dat haar vlak op het
gelaat viel en door de gesloten oogleden drong; zij sloeg ze op en staarde
verward rond.
Daar zag zij Conrad in de kamer staan, met verwarde haren en druipende
kleeren, een lamp in de hand; zijn oogen waren strak op haar gevestigd
en hij zag er zoo schrikwekkend en vreemd uit, dat de reeds opgewonden
Hermine sidderend haar oogen afwendde en met een angstigen gil het gelaat
in de kussens verborg.
[72:]
"Je behoeft
niet bang te zijn en niet te schreeuwen," hoorde zij hem zeggen,
"morgen is het gedaan!"
En toen zij het hoofd weer bevend omhoog hief, was hij verdwenen. Eindelijk
was die nacht van verschrikking voorbij en een zonnige morgen van zilver
en diamanten brak over het woud en het gebergte aan, maar terwijl de
kalmte, het leven en het geluk in de natuur terug keerden, waren de
beide jonge harten slechts vervuld van angst, schrik en woede.
Hermelijn was reeds vroeg buiten, zij zag naar haar bloemen, waarvan
vele door den storm geleden hadden; zij trachtte kalmte en hoop te putten
uit het gezicht der lachende, stralende morgenure, maar haar hart was
te vol zorg en zelfs bitterheid en wrok om ergens troost en moed te
vinden.
"Ik zal mijn liefde voor hem verliezen, als het langer duurt; hij
is onrechtvaardig en haatdragend, ik heb alles gedaan wat ik kon om
hem te toonen, dat ik niets liever wilde dan een goede, liefhebbende
vrouw voor hem te zijn. Maar hij bedreigt me, hij zal me mishandelen,
wat moet ik doen?"
Alleen zat zij aan het ontbijt, dat zij nauwelijks aanroerde; zij had
te veel op haar krachten gebouwd, nu kon zij niet meer; haar dagelijksche
werkzaamheden boezemden haar afkeer in, neen, alles zou haar nu welkom
zijn geweest, het liefst de dood!
Dan zou zij niet meer zijn verwrongen gelaat behoeven te zien, dat haar
steeds vervolgde als een angstig vizioen, zijn woedende stem en uitbarstingen
niet meer hooren welke haar aan het redelooze dier herinnerden; het
was of zij haar arme liefde zag als een teeder, dartel vlindertje, dat
hoewel gewond, telkens het zonnelicht te gemoet vloog, maar nu eindelijk
in zijn laatste stuiptrekkingen stervend ter aarde lag.
Hij kwam niet in de galerij, en zij liet door den huisjongen hem een
kop koffie op de kamer brengen.
"Toewan slaapt op de bank, met al zijn kleeren aan, en zie eens,
dat lag naast hem."
Het was een revolver.
Hermelijn huiverde en zag den bediende aan, die veel hoorde en zag,
maar met zooveel kieschheid zweeg als weinige beschaafden zouden toonen.
[73:]
"Ik dank je,
Sarko, ik dank je!" zeide Hermelijn en de knecht verwijderde zich,
stijf als een automatisch beeld en even stom.
Zij zat met het hoofd in de handen voor de tafel, zonder kracht om op
te staan, zonder iets te kunnen eten, zonder aan .het volgende uur,
het volgende oogenblik te willen denken, dat misschien de ontknooping
van het drama kwam brengen, waarin zij de hoofdrol speelde. Daar buiten
kweelden de vogeltjes, stoeiend met de zonnestralen, daar hieven de
bloemen hun bedauwde kelkjes omhoog, alles scheen te zingen, te juichen
in liefde en jeugd en zij worstelde hier alleen met waanzin en dood.
"Laat me vertrouwen op u, o God, op uw hulp! Gij tenminste verlaat
mij niet," zoo bewogen zich haar lippen maar haar hart was bang
en moe; 't was of elke minuut haar nader bracht aan iets vreeselijks,
iets onherstelbaars.
Hoe lang zij daar onbeweeglijk zat, wist zij niet, het hadden uren maar
ook minuten kunnen zijn, doch de zon teekende niet langer de slingers
van klimop en de scherpe bladeren der cactussen op den rooden vloer,
toen het gerol van wielen haar uit haar mijmering deed opschrikken.
Zij stond op en voelde haar oude geestkracht terugkeeren. Het pistool
moest weggeborgen worden tot eIken prijs. Zij bracht het in haar kamer
en sloot het in haar kast, toen ging zij naar de voorgalerij om te zien,
wie haar bezocht.
De coupé van het groote huis hield juist voor de trappen stil
en Corona stapte er uit in een frisch wit morgengewaad, rijk met kant
en roode linten versierd stralend als de morgen, schooner dan Hermelijn
haar ooit gezien lfad.
Nu was zij het, die met somber geplooid gelaat haar schoonzuster ontving
want van verwelkomen was geen sprake.
"Hermelijn, weiger je mij zelfs een hand?" vroeg Corona op
droevigen, teleurgesteld en toon.
"Wie zou ik die beter weigeren dan u, die hier niets dan ellende
en jammer heeft gezaaid. Wat doet u hier?"
"U vergiffenis vragen, Hermine! U mijn hulp aan
[74:]
bieden om goed te
maken, wat er nog goed te maken valt."
"Daar is het te laat voor! Mijn vergiffenis, wat is u daaraan gelegen
en al hadt u die ook, meent u daardoor uw wroeging uit te wisschen over
het onherstelbare?"
"O Hermine, wat moet je geleden hebben, dat je zoo bitter, zoo
scherp geworden bent, ik voel nu, wat je mij eens gezegd hebt, wanneer
ik eens genegenheid zou voelen. . ."
"Is dat uur gekomen? Ik ben er blij om; voel nu, hoe je mij bedrogen
hebt, zooals geen vrouw 't ooit werd. Wees gelukkig, trouw met Iwan
maar tracht dan ook te vergeten, hoe je Conrad en mij het leven hebt
verwoest."
"Maar Hermine, hoor me aan! 't Was slecht van me hem zedelijk te
dwingen, maar ik dacht. . ."
"Je dacht dat hij van hetzelfde kneedbare deeg was als August en
Guillaume, als die arme, heilige martelares, die je aan Akkeveen ten
prooi hebt gegeven. Maar neen, Conrad heeft een karakter, een lastig
ding om daarmee door de wereld te komen, en hij heeft zich niet willen
buigen in het onvermijdelijke. Hij is getrouwd om jou wil te doen, maar
overigens bleef zijn vrouw een vreemde, erger nog, in zijn hart en huis.
Hem vergeef ik alles maar jou niets, hij heeft door zijn gedrag tegen
mij de achting herwonnen, die hij zou verloren hebben, als hij me op
je bevel gewillig getrouwd had, maar ik ben het slachtoffer en waarlijk
ik heb er nooit roeping toe gevoeld slachtoffer te zijn."
"Hermine, hoor me bedaard aan! Ik zal hem spreken."
"Dat behoeft niet, niemand mag zich in mijn huiselijke zaken dringen."
"En wat wil je dan doen? Zoo kan 't niet langer voortgaan. Kom
met mij mede naar huis, ik zal papa, die niets vermoedt, alles zeggen.
Blijf niet langer in zijn macht, hij is tot alles in staat."
"Hij mag en kan alles doen! Ik heb hem getrouwd uit vrijen wil
omdat ik hem innig liefhad en meende, dat hij om diezelfde reden mij
tot vrouw verlangde; ik zal hem niet verlaten dan als hij me wegjaagt
uit ons huis!"
[75:]
"Dat is romantaal,
Hermine, dat kan je niet meenen! Zie je dan niet hoe bitter het mij
berouwt, hoe ik alles zou ten offer brengen om je gelukkig te zien ,alles,
versta je, alles, zelfs mijn geluk!"
"Je hebt niets op te offeren, laat mij over aan mijn lot, wat het
ook wezen mag, en maak mij het leven niet zwaarder dan het reeds is."
"Ik zal er toch papa over spreken, een scheiding,. .
"Dat verbied ik je! Een enkelen troost kan je mij geven, mijn geheim,
dat alle broeders en zusters raden, blijve tenminste een geheim voor
de wereld. Dit is 't eenige, waarover Conrad en ik 't eens zijn."
"Maar als ik nu. . ."
"Doe geen moeite, Corona, voor jou begint waarschijnijk een leven
vol geluk vol glans, voor mij is alles gedaan."
"Hou je niet meer van Conrad?"
"Je begrijpt dat ik je mijn hartsgeheimen niet zal bekennen."
"Kan ik je dan niets geven, Hermine, niets, geen raad, geen steun,
niets?"
"Neen niets; verlaat me, en spaar mij langer het verdriet om mijn
leed uit te klagen; alleen is het nog te dragen, maar als ik er over
spreek, is 't of ik er onder bezwijken zal."
"Hermine, Hermine! Laat me zoo niet gaan!"
"Komt u op bevel van Iwan?"
Daar flikkerde het oude vuur opnieuw in Corona's oogen, en op snijdenden
toon, antwoordde zij:
"Niemand heeft mij te bevelen, niemand, zelfs hij niet! Ik kom,
daar ik den toestand onhoudbaar vind en dien niet langer lijdelijk kan
aanzien."
"Uw berouw komt te laat, u ziet dat u met menschenen niet met marionetten
te doen hadt."
"Waarom weigert je dan de laatste toevlucht, die ik je bied? Kom
met mij mede in het rijtuig, blijf bij ons tot zij dien kwajongen tot
rede hebben gebracht."
"Die kwajongen is mijn man en hij zal zich even weinig door u of
door zijn vader tot rede laten brengen, als Iwan in zijn plaats zich
tot iets, wat hem niet beviel, zou laten overhalen."
"Maar vergelijk Conrad niet met lwan!"
[76:]
"Conrad staat
misschien veel hooger, hij heeft zich een man van karakter getoond.
Hij heeft zijn opgedrongen vrouw zijn naam gegeven, meer niet, maar
hoe 't ook zij, ik ben die vrouwen mag zijn gedrag niet beoordeelen."
"Hermine, nu ga je te ver. Hij heeft zich schandelijk tegen je
gedragen. Hij was vrij je te trouwen of niet; 't komt er niet op aan
hoe, hij heeft het eenmaal gedaan, nu kan hij ook wrok koesteren, tegen
mij, tegen zijn vader, maar niet tegen jou, die onschuldig zijt."
"Wanneer ik hem werkelijk getrouwd had, zonder dat hij mij persoonlijk
ten huwelijk vroeg, zonder dat hij me een teeder woordje schreef, dan
was hij in zijn volle recht, mij te minachten. Dat het zoo niet is,
komt door je laag, je schandelijk bedrog, waarvan Iwan geen vermoeden
heeft."
"Vergeef me," snikte Corona, "O Hermine, ik verneder
me voor je, zooals ik me nooit voor iemand vernederd heb. Een woord
van verzoening, een woord van hoop!"
"Vreest u misschien dat ik Iwan alles zeggen zal? Wees gerust,
ik tast niet gaarne in het leven van een ander. Ik zal weten te zwijgen;
al ben ik diep rampzalig, ik gun u het geluk, dat u meent veroverd te
hebben."
"'t Is niet uit vrees, dat ik hier kom, Hermine, neen, uit angst,
uit bezorgdheid voor je. Ik durf niet gelukkig zijn, vóór
je het ook zijt."
"Dan zal je het nooit worden, Corona! 't Is verloren moeite; geloof
me, Conrad heeft een wil, even goed als u en ik laat mij ook liever
breken dan buigen."
"Wat moet ik doen?" vroeg zij hopeloos.
"Naar huis terugkeeren, uw verloving vieren met Iwan en mij vergeten."
"Ik kan 't niet, terwijl je woorden nog in mijn ooren weerklinken.
"Dat is uw zaak en niet de mijne!"
Zoo scheidden ze; Hermine was Corona's meerdere gebleven en beiden hadden
er het bewustzijn van.