XXVIII.
Den volgenden morgen
zat Corona niet zeer vroeg na een onrustigen nacht voor haar toilettafel.
Zij had gedroomd van den rooden hond, en van Hermelijn, van Nènèk
Tjioeng en Thoren van Hagen, alles krielde in de grootste verwarring
door haar hoofd; 's nachts had zij nooit gedacht dat zij die dwaasheden
ooit weer zou ontwarren, maar nu bij de vroolijke lachende zon spotte
zij met haar eigen angsten.
Zooals gewoonlijk zat zij te lezen, terwijl Sima haar lokken uitkamde
en samenvlocht.
Een onderdrukt gesnik trof haar; zij zag om en bemerkte dat het javaansche
meisje schreide.
"Wat scheelt er aan?" vroeg zij verwonderd.
"Och Nonna, 't is zoo slecht met Djario."
"Slecht? Gisteravond heb ik hem bezocht en hij zat goed en wel
voor de deur."
"Van morgen is zijn zusje Roesa er geweest; zij zeide, dat hij
reeds stijf was van de koorts en van de krampen."
Corona verbleekte; een geheime vrees kwam in haar op. Zij bezat een
groote medicijnkist, door een geneesheer voor haar toebereid met een
handleiding en instrumenten; daarmede behandelde zij alle zieken op
Ngaroengan en dikwijls met voldoend succes.
Poppie zeide dikwijls als Corona het niet hoorde:
"Cor verwijt mij altijd dat ik obat maak en zijzelf dan, wat doet
ze anders? Van mij is tenminste al dikwijls geprobeerd, en zij moet
maar gelooven haar dokter."
[211:]
Gisteren had zij
vrij sterke medicijnen voor Djario gemaakt; hij had koorts meende zij
en krampen en werkte dus daarop. Een namelooze angst vervulde haar plotseling;
als die verergering der kwaal eens een gevolg was van haar medicijnen!
Haastig stond zij op, trok haar donkerblauwe zijden kabaya aan en liet
de Américaine inspannen.
"Neem de medicijnkist en ga met mij mee, Sima!" beval zij.
In dien tusschentijd nam zij de handleiding en las nog eens over wat
zij voor hem toebereid had; zij begon te twijfelen of zij wel het rechte
fleschje had genomen, of de druppels niet te groot en te talrijk waren
geweest.
"Als Djario eens stierf zou ik ooit die gedachte van me kunnen
afzetten?" vroeg zij zichzelf af.
Zij hoorde het rollen van het rijtuig dat vóórreed en
snel stapte zij in, gevolgd door Sima; 't kwam haar niet in de gedachte
dat zij nog niets had gebruikt, zij wilde hulp aanbrengen, misschien
zekerheid hebben.
Zij reed den eenzamen weg af van gisteravond, die nu echter blakerde
in de zonnestralen en niets afschrikwekkends meer vertoonde. Op het
voorbankje zat het javaansche meisje met de kist op haar schoot. Corona
hield veel van Sima, zij had haar van jongs af onder haar leiding genomen,
mooi naaien, borduren en kappen geleerd; haar kennis met Djario had
zij bevorderd en op haar hoog bevel mocht het huwelijk, dat anders bij
de Javanen schier onmiddellijk de verloving volgt, niet zoo spoedig
voltrokken worden.
Men kon slechts rijden tot het voetpad, waarlangs de oude grootmoeder
gisteravond naar beneden was geklauterd; hier stapten beide vrouwen
uit en moedig ging Corona voor. Weinige oogenblikken later stond zij
voor de bamboezen hut, die zij binnentrad.
Daar zaten een paar kinderen in een hoek gehurkt, rondom de grootmoeder,
een dof, gerekt gehuil uitgalmend en met de beenige handen in haar schaarsche
lokken wroetend.
Op de baleh-baleh lag Djario bewegingloos uitgestrekt, zijn groote oogen
puilden uit hun kassen, zijn
[212:]
lange haren hingen
verward langs zijn uitgeteerd gelaat, handen en voeten waren ineengekrompen,
en slechts onrustig hijgen verried dat hij nog leefde.
Voor 't eerst misschien in haar leven voelde Corona zich hulpeloos tusschen
de vrouwen en kinderen, die slechts aan klagen en niet aan helpen dachten;
een gevoel van machteloosheid, haar geheel onbekend, overviel haar.
Het was of een onuitsprekelijke angst, een wantrouwen in zichzelf al
haar bewegingen en besluiten verlamde en toch zij moest dat overwinnen;
allen zagen in haar, zoo meende zij tenminste, een reddende engel, die
alleen hulp kon aanbrengen.
"Nènèk," vroeg zij met onvaste stem, "wanneer
is dat begonnen?"
"Van nacht," antwoordde de vrouw, die meer naar haar toekroop
dan liep.
"En mijn obat, heeft hij die niet ingenomen?"
"Ja zeker, hij wilde en moest die innemen, maar kort daarop is
't begonnen. Allah, allah, ill-allah!"
"Maak toch geen leven, maar tracht hem dit in te geven."
"Neen, nonna, neen, nonna's medicijnen werken als vuur, zij hebben
hem zoo erg gemaakt."
Corona 's bloed steeg haar naar het hoofd bij deze beschuldiging en
toch kon en durfde zij die niet afweren.
"Neem dan ten minste dit vocht en smeer hem daarmee in! Kom Sima,
zit nu zoo niet te huilen! en steek de handen uit de mouw!"
"Neen, 't mag niet, nonna! 't Is nonna's schuld niet! nonna is
goed maar haar obats deugen niet. Toewan Allah wil Djario straffen,
en nu moet hij sterven. Er is niets aan te doen, niets! Hollandsche
obat helpen niet, en Javaansche niet meer."
"Maar je kunt hem niet zoo hulpeloos laten! Sima, ga naar den koetsier
en zeg, dat hij naar Soekarenga rijdt om den dokter te halen; laat hem
't paard doodrijden als het moet!"
Haar handen beefden, terwijl zij haar medicijnen uithaalde, de fleschjes
opende en ze weer sloot; zij voelde zich zoo klein zoo onmachtig tegenover
den vreeselijken gast, wiens nabijheid zij voelde; 't was vermetel den
strijd op te vatten tegen dien geweldigen
[213:]
dood, wiens komst
zij misschien door haar onvoorzichtigheid verhaast had.
Zij liet Djario ether opschuiven, zij verbrandde haar vingers met helschen
steen, die zij in plaats van pepermuntolie op haar hand uitstortte,
zij knielde neder en wreef met haar fijne handen zijn bruine, ruwe huid
in de borstholte; hij begon nog harder te kermen.
"Nonna zal maken, dat hij nog veel meer pijn lijdt, vóór
hij gaat sterven," steunde Nènèk Tjioeng.
"Mijn God, sta mij bij!" smeekte Corona. "Ik ben zoo
hulpeloos!"
Als hij nu eens stierf onder haar handen; zij ijsde bij de gedachte
en had er behoefte aan het uit te snikken.
"Daagde er nergens redding? Nergens?"
Zij voelde of verbeeldde zich te voelen dat Djario koud werd, dat het
doodszweet bij hem uitbrak! Zij durfde niet voortgaan met wrijven en
kon ook niet besluiten werkeloos te blijven; het akelige klagen der
oude vrouw vermeerderde haar onrust.
"Is 't hier?" hoorde zij een heldere stem in 't Maleisch vragen,
vlak bij de deur.
Zij sprong op en zonder nog te weten wat zij deed, vloog zij den binnentredende
tegemoet.
Door een opgeschoten javaanschen knaap gevolgd, trad Thoren van Hagen
binnen.
"He, juffrouw Corona! U ook hier? Djario is een broer of neef van
mijn vleugel-adjudant; hij moet niet recht wel zijn, hoor ik!"
"Als hij nog maar leeft," antwoordde zij bevend, "heeft
u verstand van medicijnen?"
"Och, als men zoo gezworven heeft als ik, dan krijgt men verstand
van alles. Laat eens kijken, wat scheelt den armen kerel?"
Hij ging vertrouwelijk op de baleh-baleh zitten, er was iets in zijn
manier van doen dat kalmer stemde, dat de dingen weer op hun rechte
waarde bracht.
Corona stond terzijde met gewrongen handen, bijna even bleek als de
zieke zou zijn, ware hij minder bruin.
"Pols erg zwak! Jongen, hij heeft 't fameus beet, maar als ik voor
dokter spelen moet dan kan ik zoo'n huilende familie niet om mij heen
hebben. Hoor eens
[214:]
Mak of Nènèk,
jij kunt nier blijven mits je diam [stil.] bent, maar dat kleine grut
moet allemaal de deur uit."
"Weg, weg!" riep de oude en greep er een bij den sarong, zijn
eenig kleedingstuk, waarin hij zich van af de schouders wikkelde.
't Viel Corona op, in andere omstandigheden had 't haar misschien geërgerd,
dat de onwillige grootmoeder van daareven nu zoo grif gehoorzaamde en
van zins scheen alles te doen, wat Thoren beval.
"Zie zoo en nu kunnen we beginnen! Maar wat heeft u daar, juffrouw
de Gèran, een medicijnkist? Daar kan wat goeds in zijn. Heeft
u hem wat ingegeven?"
"Nu niet," antwoordde zij haperend, "maar gisteren heb
ik hem quinine-pillen gegeven en en laudanum."
"Die hij misschien in eens opgebruikt heeft, waar is die obat,
Nènèk, van gisteren."
"Zou u denken?" vroeg Corona, hijgend.
"Alle overdaad schaadt," antwoordde hij bedaard, "zoo,
is dat er van over? Nu, dan heeft hij zich gehaast, hoeveel pillen waren
er in?"
"Dertig, om de twee uren drie."
"Ik denk dat het klokkenstelsel bij onze Nènèk wel
't een en ander te wenschen overlaat, en dat zij zich niet precies aan
den tijd heeft gehouden; sedert gisteravond heeft hij er dus vijf en
twintig gebruikt. Het kan wel! En de laudanum, wist u dan precies, wat
hem scheelde?"
"Hij klaagde over krampen en had dagelijks koorts."
"Maar u weet dat beide symptomen gevolgen van verschillende ziekten
kunnen zijn. Nu, 't is alleen erg wanneer men er te veel van gebruikt."
"Zou het dan vergift kunnen worden?" vroeg Corona.
"Hij heeft er de helft van ingenomen; de arme duivel had haast
beter te worden en stelde een volledig vertrouwen in uw geneeskunst."
Corona sloeg de banden voor het gelaat; zij voelde zich vernederd, en
dat het nu juist door hem moest zijn!
"Is er geen hoop?" vroeg zij sidderend.
"Och, waar leven is, moeten wij altijd hopen! Kom
[215:]
maar eens hier,
manneke! Drink dit uit! Een flinke teug."
Hij goot zijn veldflesch tusschen de droge lippen van den zieke, nam
toen van den brandewijn in de holte zijner hand en wreef met alle kracht
over Djario's borst en rug.
"Om zoo'n knaap te behandelen moet men meer kracht tot zijn beschikking
hebben dan in uw lieve handjes schuilt," sprak hij glimlachend.
Corona zweeg; hoe onaangenaam haar later vele dingen ook zouden voorkomen,
nu voelde zij slechts een groote verlichting omdat zij van een deel
der verantwoordelijkheid ontheven was.
Het kermen hield op; de uitpuilende oogen schenen achteruit te treden
en sloten zich. Nénék zat op haar hurken, vlak bij de
baléh, en gehoorzaamde elk bevel van Thoren.
"Leg een kruik, maar die heb je niet, een steen, je loempang [Steenen
stamper.] desnoods in het vuur," zeide hij, "heb je niet een
stuk van een wollen lap? Nu, smakelijk ziet dat ding er juist niet uit!
Geef maar hier!"
"Kan ik u niet helpen?" vroeg Corona.
"Op 't oogenblik neen. Hij komt bij; merkt u niet?"
"Ja, ja, Goddank!" zeide Corona en plotseling overmand door
een gevoel van dankbaarheid, riep zij uit:
"hoe zal ik u mijn dank betuigen?"
"Mij dank betuigen? Juffrouw de Géran, u houdt me toch voor
geen kind. Als de grootmama zich nu nog in 't hoofd stelde, dankbaar
tegen mij te wezen; maar u, wat voor dienst heb ik u bewezen, door uw
ambt als dokter op mij te nemen?"
Zij bloosde en boog het hoofd diep; 't was haar onmogelijk te erkennen,
dat bij goed maakte wat zij bedorven had. Zou hij 't niet weten?
"Ik heb den dokter van Soekarenga met mijn rijtuig laten halen."
"Die kan hier niet zijn vóór 12 uur als hij onmiddellijk
meegaat. Mag ik uw verzameling eens nazien, misschien vind ik daar iets
in, dat den patiënt wat doet ophalen."
[216:]
Hij bezag de etiquettes
en keek het boekje door terwijl een glimlach over zijn lippen speelde.
"Is dat de eerste, die u van uwe geneeskundige bekwaamheid laat
profiteeren?"" vroeg hij met zijn gewonen spottenden lach.
"Bij wien ze minder goed werkt, ja," antwoordde zij, met het
wijken van het gevaar kwam haar trots weer boven, "maar 't is toch
mijn schuld niet, als hij misbruik maakt van hetgeen ik voorschreef."
"Natuurlijk niet, maar u kan met het toedienen van zulke sterke
medicijnen niet te voorzichtig zijn."
"Moet ik dan die menschen die zoo ver van elken dokter wonen, geheel
verstoken laten van geneeskundige hulp, als ik die geven kan?"
"Dat is juist de vraag! Of u die werkelijk geven kan: enkele huismiddeltjes
kunnen geen kwaad, maar om een ziekte, die u oppervlakkig beoordeelt,
met medicijnen te willen genezen, die wellicht deugen voor den schoenmaker
en niet voor den smid, dat onderstelt een kennis, die slechts door langjarige
studie en ondervinding verkregen wordt."
"Maar zou dat in elk geval niet beter zijn dan hen stil te laten
knoeien met hun obat?"
"Ik wil 't niet beweren; u weet, le mieux est l'ennemi du bien!
In elk geval verantwoordelijkheid voor menschenlevens is geen lichte
last."
Al pratende had hij in het bokaaltje eenige druppels gemengd en gaf
ze den zieke, die ze met zeker bewustzijn innam.
"Ik matig mij ook niets meer aan dan ik kan," sprak Thoren,
"en daarom geef ik hem alleen zeer onschadelijke, opwekkende dingen,
in afwachting dat de dokter komt."
"Ik ben er zoo van geschrikt, er is mij nooit zoo iets overkomen!"
"In uw praktijk? Ik feliciteer u." Dit werd zoo spottend gezegd,
dat hij evengoed, op denzelfden toon had kunnen zeggen. "'t Is
meer geluk dan wijsheid."
"Ik voer hier eigenlijk niets uit," zeide Corona, "maar
ik kan moeilijk weg; mijn rijtuig is naar de hoofdplaats en ik kan toch
niet te voet naar huis gaan."
"Des te beter!" antwoordde Thoren, "dan dragen
[217:]
wij samen de verantwoordelijkheid.
Ik heb sints zoo lang gedacht dat het een onuitsprekelijk genot moest
zijn met u samen iets te dragen, al bedoelde ik eigenlijk iets anders!"
"En dat is?" vroeg zij met kloppend hart.
"De tijd is er nog niet het te zeggen! Wil u eens er naar kijken,
hoe dat goede mensch die loempang warmt; ondertusschen ga ik mijn rol
van frère de charité uitspelen en zijn maag met brandewjjn
wasschen. Ik moet er meer hebben, hoor eens Scipio, ga naar mijn huis
en haal nog een flesch brandy; wat zou het leven van een armen zwerveling
zijn zonder brandy."
Corona hielp de Nènèk den steen warmen en na eenige gezamenlijke
pogingen met de oude vrouw om den stamper, die nu gloeiend was geworden,
op te beuren, werd hij op een tam pak [Schotel van gevlochten stroo.]
geladen en naar binnen gebracht. Thoren wilde het ding aanvatten, maar
brandde zijn vingers.
"Lieve hemel, je wilt toch zijn voeten, hoe dikhuidig die ook zijn,
niet verschroeien," riep hij lachend uit,"laat hem maar eerst
afkoelen. U heeft aanleg voor veel, juffrouw de Géran, maar voor
liefdezuster gelukkig nog niet."
"Waarom gelukkig?" vroeg zij.
"Omdat met den aanleg de roeping licht zou kunnen komen en dat,
zou ik de vrijheid nemen, te betreuren."
"Ik begrijp niet, waarom?"
"U moet ook het wat en waarom van alles weten," antwoordde
hij.
"Zie zoo, nu zijn de pootjes al wat minder stijf. Ik begin respect
voor mijzelf te krijgen, de pols slaat ook krachtiger; als nu de dokter
komt en eens vertelt, wat hem eigenlijk mankeert, zullen we er wel komen!"
"Ik moet voor dien tijd weg," zeide Corona, en toen, tot haar
meisje:
"Sima, ga als je blieft naar huis en laat den tandoe dadelijk hier
komen, of neen, ik ga met je meê, geef mij maar een pajong [Parasol.],
Nènèk."
"Over dien zonnigen weg, waar denkt u aan, in deze kleeding!"
[218:]
"Vindt U die
kleeding ongepast? Daarvoor kent u de indische gebruiken niet genoeg
en daarbij, hier in 't gebergte bemoeien wij ons met die europeesche
dwaasheden niet."
Dit woord klonk vrij vreemd uit den mond van een jonge dame, die al
haar toiletten tot in het oneindige wist te varieeren, zelfs te midden
der wildernis.
"Maar 't is brandend heet."
"Als Sima er door kan, waarom zou ik 't niet kunnen. Ik heb hier
niets te maken, ik zou de heeren maar hinderen."
"Wat dat betreft, hierop mag ik uit vrees van te veel te zeggen,
niet antwoorden; ik durf u overigens niet vragen hier langer te blijven.
't Is in deze javaansche ziekenkamer waarlijk zoo aanlokkelijk niet."
"Dat zou voor mij geen reden wezen, maar ik heb er niets te doen,
u zal den dokter op de hoogte brengen, beter dan ik."
"Mag ik hem alles vertellen ?" vroeg Thoren van Hagen plotseling
met ongewonen ernst in de stem; zij raakte verward, voelde zich verlegen
en stamelde:
"Als het zijn moet natuurlijk!"
"Ik heb me niet vergist," sprak hij thans half luid, "laat
het aan mij over, ik weet wat ik zeggen en zwijgen moet."
"'t Is niet noodig," wilde Corona op haar gewonen trotschen
toon zeggen, maar het kon niet over haar lippen komen; zij voelde zich
zoo machteloos tegenover hem, zoo dom dat het haar kinderachtig voorkwam,
nog een schijn van eigenwaan te willen aannemen.
't Was of zij zich min of meer in zijn macht bevond, of hij nu van haar
zeggen en denken kon wat hij wilde, zoo was zij overgeleverd aan zijn
goedvinden.
"Ik herinner me juist dat ik nog niets gebruikt heb," zeide
zij, misschien meer om haar verlegenheid, waaraan zij nog zoo weinig
gewoon was, te verbergen, dan omdat zij werkelijk behoefte aan voedsel
had.
"Heb je iets voor mij, Nènèk?"
Nènèk ging naar den hoek, die provisiekast, eettafel en
keuken tegelijk scheen te wezen, en kwam met een kopje lauwe koffie,
een stuk javaansche suiker en
[219:]
wat ketan [Zoete
rijst.] van den vorigen dag terug; plotseling keerde zij zich om en
kroop rond als om iets te zoeken.
"Nonna zal dien toewan ook niet willen hebben en hij zou toch zoo
goed voor haar zijn. Nonna is niet jong meer en de toewan besaar [Gouverneur-generaal]
woont zoo ver af."
Zij wierp iets in de koffie en mompelde een paar formulieren.
Corona dronk in één teug het kopje leeg en trok een gezicht
alsof zij medicijnen slikte.
"Trima kassi" [Dankje.] zeide zij, het kopje teruggevend.
"Belieft mijnheer ook," vroeg de allesbehalve smakelijke gastvrouw.
"Ik zou 't u niet aanraden,", sprak Corona, "u zal uw
illusiën over de oostersche moka van ons koffieland verliezen."
"Heel graag, Nènèk, maar schenk dadelijk in."
De oude ging weer in den hoek aan het zoeken.
"Wat scharrelt die Javaansche Canidia daar toch!" vroeg Thoren
van Hagen lachend, "geef hier, ouwe ij
Zij had hetzelfde door den drank gemengd, dien zij hem overreikte; hij
zocht de plek, door Corona's lippen aangeraakt en dronk het kopje toen
ook even snel leeg.
"'t Is geen Mazagran," zeide hij, "maar er is een eigenaardige
smaak aan, iets dat men in geen Europeesche koffie terug vindt. Blijft
u bij uw plan, juffrouw de Géran? Als 't u maar op geen hoofdpijn
te staan komt."
"Dat heb ik er voor over," antwoordde zij.
Hij volgde haar naar buiten; de zon ging achter dikke wolken schuil.
"U treft het goed, 't is mendoeng!" [Bewolkt.] sprak hij.
Zij glimlachte zoo als zij gewoonlijk deed, wanneer hij, op indische
manier, maleische woorden door zijn gesprek vlocht.
"Goed succes verder!" wenschte zij en, zich even bedenkend,
als behaalde zij een overwinning op zichzelf, reikte zij hem haar hand
toe.
Hij hield die even vast en zag de zwarte vlekken, door de lapis infernalis
er op gebrand en die tusschen
[220:]
de ringen zonderling
uitkwamen; zoo hoffelijk als hem mogelijk was, bracht hij de vingers
aan zijn lippen ze even aanrakend, gelijk het bij zulk een vormelijke
beleefdheid past; zij trok haar hand snel terug en zonder hem meer aan
te zien, verdween zij door haar meisje gevolgd, tusschen het geboomte.