XIII.
Nadat het gezelschap
vertrokken was, bleven Conrad en Hermelijn alleen tegenover elkander.
"Ik kan niet komedie spelen zooals jij," sprak hij barsch.
"Ik moet zoo veel, wat ik niet kon," antwoordde zij.
"Maar begrijp je dan niet, hoe ik hun gelijk geef, hoe zij zich
zullen verheugen omdat alles zoo goed is gegaan, en ik mij in mijn lot
geschikt heb?"
"En dus omdat mijnheer Conrad zoo zwak is geweest een stuk te teekenen,
dat een huwelijks-contract heette, moest ik aan hem opgeofferd worden,
moest ik voor de geheele familie de Géran mij laten behandelen
als een verstooten vrouw, moest men mij beklagen, moest ik door ieder
besproken worden? Neen, er is geen middenweg, je dient mij in hun bijzijn
te behandelen als je vrouw, niet hartelijk, dat is niet noodig, maar
tenminste mij niet beleedigen, zooals je op de heele reis hebt gedaan,
of ik ga naar je vader en zeg hem, dat ik weiger met je onder één
dak te leven, dat ik bedrogen ben door valsche brieven. Hij is een man
van eer, aan dat bedrog heeft hij stellig geen schuld; mocht ik bij
hem geen bescherming vinden, dan ga ik naar Samarang en klaag je allen
aan!"
"Voor mijn part kan je dat doen. Zij hebben het spel doorgedreven,
de gevolgen zullen zij dragen."
"Maar je hebt je toestemming gegeven, dat wascht het water der
zee niet af."
"Men heeft mij die afgedwongen."
[103:]
"Zoo iets
laat men zich niet afdwingen. De familie de Géran heet over geheel
Java hoogst achtenswaardig en nobel, gehecht aan den godsdienst van
hun adellijke voorouders, maar ik noem de dingen, die bij hen voorvallen
schandelijk en misdadig. En jij bent de schuldige,Conrad!"
"Ik?"
"Ja! Je hebt mij je naam gegeven en nu weiger je mij je liefde,
je vertrouwen; je zoudt het liefst het liefst me willen verjagen uit
je huis, mij mishandelen om je haat aan Corona bot te vieren, waarom
mij dan getrouwd?"
"Omdat omdat ik medelijden had met Kitty."
"Met Kitty?"
"Kitty wilde trouwen met Portias; zij was met hem gevlucht, omdat
Papa zijn toestemming niet mocht geven; maar zij hebben hen achterhaald
en toen werd zij opgesloten in haar kamer en nadat ik maanden lang geweigerd
had om Corona's wil te doen, heb ik eindelijk "ja" gezegd,
op die voorwaarde alleen wilde Corona Papa verzoeken hun huwelijk toe
te staan."
"Dus ik ben opgeofferd aan je broederliefde, ik, die droomde van
je trouwe herinnering aan mij, ik, die zooveel illusiën had, maar
ik zoek niet beklaagd te worden. Zeg me alleen wat je vader weet."
"Hij weet niets en hij mag het nooit weten! Hij weet niets van
Kitty's misstap, als hij 't wist, en daaom . . . daarom wil ik dat je
het verzwijgt."
"Alweer uit liefde voor je zuster! En denk je dan niet Conrad,
hoe ongelukkig ik ben?"
"Ongelukkig? en je houdt zooveel van Corona en ze gaf je diamanten
en zoo'n mooi huis en alles wat er in is. Paarden, rijtuigen, geen van
ons allen heeft zooveel gekregen."
"Ik veracht haar."
"Ik geloof je toch niet. Je houdt niet van de Indischen, mijn moeder
was een Nonna, geen Hollandsche als die van Corona; als je samen bent,
lach je me uit."
"Op zulke laffe beschuldigingen verwaardig ik mij niet te antwoorden
dus je kiest mijn eerste voorstel."
"Ja, om Kitty."
"Natuurlijk, om wie anders! Laten we het leven
[104:]
dan maar in 's
hemelsnaam verder voortslepen. Goedennacht, Conrad!"
Hij stond besluiteloos; het was of er een stem in zijn hart opkwam,
die sprak van vergeven of liever van vergeten. Hij was jong en had goede
oogen; hij zag genoeg welk mooi en bevallig vrouwtje hij het zijne noemen
mocht maar toch kon hij 't niet over zich verkrijgen haar een vriendelijk
woord toe te voegen.
Het was hem niet mogelijk geweest Hermelijn anders dan onverschillig
en onbeleefd te ontvangen, overtuigd als hij was dat zulk een houding
Corona diep zou grieven; het liefst ware hij weggevlucht, verre van
daar, doch de gedachte aan Kitty en Portias weerhield hem; alles zou
dan uitkomen door Corona's verbittering.
Die vrees had hem zekere grenzen niet doen overschrijden; hij was in
tweestrijd geweest tusschen zijn wensch om zijn zuster werkelijk te
plagen en om aan den anderen kant haar toorn niet op te wekken, waarvan
Kitty en Porti as de slachtoffers zouden zijn.
Hij had het plan eenigen tijd voor het oog der wereld met Hermelijn
vereenigd te blijven en dan de een of andere reden te zoeken om haar
te kunnen verlaten en misschien van haar te scheiden.
In een opgewonden oogenblik, bezield door medelijden voor de troostelooze
Kitty, die niets meer vreesde dan de verbittering van haar afwezigen,
op het punt van grondbeginselen zoo strengen vader, had hij ja gezegd,
maar dadelijk reeds had 't hem berouwd en zijn doel was het thans die
nicht van Corona te laten boeten voor den zedelijken dwang hem opgelegd.
Hermelijn's houding boezemde hem ontzag in; hij voelde zich tegenover
haar geheel als kwajongen en om dat bewustzijn van zich af te zetten,
beproefde hij onbeleefd te zijn, maar het ging hem slecht af. Als hij
half gekleed tegenover haar zat, was hij niet op zijn gemak, hij schaamde
zich, vond dat hij een belachelijke figuur maakte en was op zich zelf
vertoornd, daar hij dit meende. Nu voelde hij zich nog dieper ongelukkig
dan ooit te voren en achtte het vreeselijk Corona te moeten doen gelooven
dat hij zich naar haar wensch schikte, maar toch 't was of het niet
[105:]
meer zou gaan,
Hermelijn in tegenwoordigheid van anderen onbeleefd te behandelen.
Hij bleef alleen in de voorgalerij, er lag een boek op tafel, hij nam
het op en zag het in; 't was Fransch dat hij slecht verstond.
"Hoe geleerd was zij toch, misschien nog geleerder dan Corona,
die vier talen sprak" en hij haatte geleerde vrouwen omdat hijzelf
niet had mogen leeren.
Kort was hij maar in Europa geweest, omdat Corona het lang genoeg vond;
alles beredderde zij, alles! Wie verzekerde hem dat die twee zich niet
met elkander over hem en over zijn domme broers en zusters vroolijk
maakten!
Hij balde de vuisten en wipte in machtelooze woede op en neer.
"We zijn poppen, niets meer! Corona met haar nicht zullen ons samen
regeeren; 't is niets, 't zal altijd vroeg genoeg zijn om dienst te
nemen naar Atjeh; maar ik wil me niet laten beetnemen door die blonde
Hollandsche! Als ik haar zin doe is het omdat ik 't ook het beste vind.
't Zal haar wat kunnen schelen hoe ik mij tegen haar gedraag, zij heeft
haar mooie Fransche en Engelsche boeken, zij kan zingen en pianospelen,
wat geeft het haar of ik stil en knorrig ben? Wanneer ik nog die mooie
mijnheer was, die haar zoo goed schijnt te kennen, dan was het nog iets,
maar ik, wat ben ik naast die deftige dames met al hun geleerdheid?
Een eenvoudig Indisch meisje zou ik duizendmaal liever hebben gehad
als ik toch moest trouwen."
Intusschen vond hij noch Poppie, noch Toetie naar zijn smaak en onder
al zijn kennissen was er geen die hij gaarne zijn vrouw had genoemd
maar die Hermine in 't geheel niet. Vroeger, in Holland, was zij wel
aardig geweest, maar zijn herinnering daaraan scheen zoo flauw. Bij
haar was zij levendig gebleven; de tijd, toen zij als ziekenoppaster
had gespeeld, rekende in haar leven, bij hem waren de indrukken snel
door andere verdrongen, en er bleef nu weinig meer van over.
Dat hij 't blonde meisje eens lief had gevonden, kon mogelijk zijn,
maar toen wist hij niet dat zij de nicht van Corona was of liever hij
wist nog weinig van
[106:]
Corona af; haar
trouwen was nog ver van haar lief vinden en zoo matte hij zijn gedachten
af, terwijl Hermelijn ook slechts aan hem dacht en aan de treurige rol
die zij hier kwam spelen.
Een enkele lichtstraal ontdekte Hermelijn in haar duistere toekomst:
Conrad had Kitty lief, Conrad was vatbaar voor teedere aandoeningen,
voor zelfopofferende liefde; als hij haar eens leerde beminnen. . .
mettertijd, zooals Portias zeide.
Wat zij het meeste vreesde, zou zijn te moeten erkennen dat Conrad een
onbeduidende knaap was, haar liefde geheel onwaardig; met die erkenning
zou alles onherstelbaar verloren zijn, maar zoolang zij hem nog bleef
liefhebben, zoolang zij in haar hart nog belang kon stellen in den onbuigzamen,
wilden jongen, zoo lang was alle hoop niet verloren.
"Waar liefde is, daar blijft ook leven; ik wil strijden en ik zal
overwinnen," dit besloot zij vast.
Intusschen had hij het boek voor zich genomen en las.
Het waren verzen van Lamartine; slechts enkele woorden wist hij te vertalen;
hij ging naar zijn kamer en haalde een versleten dictionnaire voor den
dag, die ergens onder zijn weinige boeken stond.
Woord voor woord begon hij te zoeken, het vers scheen hem te boeien.
"Bonaparte" was het gedicht waarop zijn aandacht viel. Dit
was niet flauw, dat sprak niet van liefde, en wat zijn vrouw kon lezen,
dat wilde hij ook verstaan.
Waarom niet? Hij was niet dom zoo als August en de kinderen van de laatste
stiefmoeder; maar hij had niet geleerd, daar kwam zijn domheid vandaan;
Cor vond het veel gemakkelijker als haar broers en zusters dom bleven,
dan durfden zij haar niet tegenspreken.
In alles zag hij haar werk en zoo zat nog midden in den nacht de jonge
echtgenoot Fransche woorden te vertalen, en verheugde zich als hij een
paar regels zonder dictionnaire kon lezen.
Bonaparte was gelezen en nu vond hij een ander gedicht: "Le Lac."
Dat had Kitty gezongen, hij herkende de woorden, dat was toch knap geweest;
neen, hij begon pleizier in
[107:]
zich zelf en in
zijn vorderingen te krijgen. 't Ging goed, de avond was omgevlogen,
als hij dit meer beproefde, dan behoefde hij zich tenminste in zijn
gedachten niet beschaamd tegenover zijn vrouw te gevoelen.
Den volgenden morgen verscheen hij niet aan het ontbijt en 't was voor
Hermelijn een verlichting, zijn boos, zwijgend gelaat niet tegenover
zich te zien; haar plan was gevormd, zij wilde haar leven zoo bezig
mogelijk inrichten om geen tijd tot nadenken te hebben.
Het opzicht over het kleine huishouden, de zorg voor haar bloemen en
vogels, het maken van handwerken en vooral het lezen en de muziek vulden
afwisselend haar dagen; zij ging haar weg en bekommerde zich volstrekt
niet om Conrad. Hij bracht den morgen in de koffietuinen door, jaagde,
en reed; wanneer het regende bleef hij t'huis zagen; lezen deed hij
alleen, wanneer zijn vrouw naar haar kamer was; hij vreesde niets meer
dan dat zij hem op zulk een misdaad betrappen zou, overigens legde hij
haar niets in den weg;
zij gingen bedaard naast elkander, de gedachten van den een steeds met
den ander vervuld en toch schijnbaar, als merkten zij niets van elkaars
bestaan.
Toen het zondag was, zeide Conrad 's morgens:
"Wij moeten vandaag naar het groote huis!"
"Om hoe laat?"
"Om tien uur!"
"Ik zal klaar wezen."
Zij kleedde zich met nog meer zorg dan anders, geheel in Europeesch
wandel toilet met een veeren toque op, een voilette vóór,
glacé handschoenen en een licht manteltje om.
Natuurlijk was zij allerliefst, maar de uitdrukking in Conrad's oogen
werd er niet beter door; hij had zich ook op zijn zondagsch gekleed
en zooals zij daar in de voorgalerij gereed stonden om in het rijtuig
te stappen, was er geen mooier, jeugdiger paar te denken, alleen zou
men bij hem zoo gaarne dien geheimzinnigen gloed hebben gevonden, welken
slechts de liefde kan geven en bij haar dien schalkschen, innig gelukkigen
blik, bij de jonge bruid te voorschijn geroepen door de warmte, die
dezen gloed uitstraalt.
[108:]
Zij stapten in
en reden altijd door zwijgend naar Ngaroengan. Toen zij door aankwamen,
waren Guillaume, zijn vrouwen een paar kinderen er ook; Portias en Kitty,
verder het jongere geslacht, Corona en haar vader.
Het jonge paar werd met vreugde ontvangen, Hermelijn was vriendelijk,
beleefd, opgeruimd, Conrad zooals men van hem gewoon was. Thoren van
Hagen was uit rijden gegaan en nog niet terug. Met zekeren schroom naderde
Corona haar schoonzuster.
"Ben je nu kalmer?" vroeg zij.
"O ja, ik ben zoo kalm!"
"'t Doet mij plezier; nu zal je ruim gelegenheid hebben met je
nieuwe familie kennis te maken."
"De kennis met de voornaamsten heb ik reeds gemaakt."
"Wil je zeggen, dat aan de rest niet veel gelegen is! Je bent ondeugend
Hermelijn!"
"O neen! dat is mijn bedoeling niet. Ik ben overtuigd dat er een
hemelsbreed verschil zal zijn tusschen de leden die ik leerde kennen
en de anderen, wier bestaan ik slechts vermoed!"
"Nu, dan zal je over dat verschil in persoon kunnen oordeelen.
Zal ik je op de hoogte brengen van de exemplaren, die op het oogenblik
hier zijn?"
"Zeer gaarne."
"Daar heb je Guillaume, een vroolijke, luchthartige jongen, die
niet boos kan zijn, niet koppig, niet lui is, niet liegt, een uitzondering
in de Indische maatschappij."
"Een volmaaktheid "
"Volmaaktheden kennen we hier niet, en niets is ook vervelender
dan volmaaktheden; hij is nonchalant in de hoogste mate, lichtzinnig,
droomt alleen van dansen, feestvieren, als hij goed maar slordig gewerkt
heeft; Toetie zijn vrouw is zijn tegenbeeld, een blonde nonna, wat ik
afschuwelijk vind. Zie maar eens hoe hardgeel haar tint is en hoe die
haren bijna dezelfde kleur hebben. Je zult altijd zacht, mooi vel houden
Hermelijn, en je haren zijn te donker, te warm blond dan dat men ze
niet van je huid zal kunnen onderscheiden. Toetie, of wil je liever
Adolphine, is lastig van humeur, klaagt over alles, is bijna altijd
ziek, heeft stoute kinderen, die de vader bederft, en die zij ver
[109:]
waarloost. De oudsten
wonen hier en deelen met hun kleine ooms en tantes de lessen van juffrouw
Iteko, onder mijn toezicht."
"Dus zijn ze slecht gepaard?"
"Ik weet het niet! Ze kunnen het met mekaar vinden."
"Maar hoe "
"Hoe!"
"Ga voort Corona, ga voort! Ik begrijp dat het kleinigheden zijn,
waarmede uw machtige, veel omvattende geest zich niet kan bezig houden.
Als u wist, hoe ik u bewonderde."
"Ik wilde dat je mij liefhadt."
"Liefde, och kom! Wat is liefde, een stemvork, zegt Portias."
"Een flauwe aardigheid! Die man, Hermelijn, heeft de gave mij buiten
mij zelf te brengen van ergernis, verbeeld je eens. . . interesseert
je die geschiedenis?"
"Boven alle beschrijving."
"Nu dan, José Portias is van Spaansche of Portugeesche afkomst,
hij gaf in Amsterdam muzieklessen voor f 1. per uur, f 1. denk eens
aan, een gulden."
"Dat gaat nog al, dat is tegenwoordig zoo duur niet. . .
"Wat duur! 't Is belachelijk goedkoop, je ziet, wat een hongerlijder,
een knoeier hij moet zijn; maar toch scheen hij nog geen lessen genoeg
voor dat beetje geld te kunnen krijgen, of hij voerde iets minder moois
uit, want hij nam dienst als militair. Door zijn vioolspel trok hij
de aandacht te Samarang, maakte opgang, en werd door papa in staat gesteld
zich vrij te koopen en daar ik mij gaarne wilde volmaken op de viool,
verzocht papa hem te kwader ure hier te komen wonen, en de muzikale
opleiding van de kolonie op zich te nemen. Dat is nu het verleden van
dien heer."
"Hij mag zich dus niet in uw gunst verheugen?"
"Hij? Ik veracht hem, dat insekt! Toen hij hier kwam was Dolly
juist getrouwd; Kitty nog pas vijftien jaar. Ik hield veel van haar!"
Corona's stem beefde een weinig.
"Ik dacht haar de beste van allen. Zij was jong en ziekelijk toen
haar moeder stierf."
"De moeder van Conrad?"
"Juist, 't is moeilijk moeders en kinderen uit mekaar
[110:]
te houden, vindt
je niet? Maar met een beetje geheugen komt men er wel! Nu, ik gaf weinig
om haar, misschien ben ik geen model-stiefdochter geweest, later heb
ik haar eerst gewaardeerd toen ik mijn stiefmoeder No. 2 kreeg, een
dwaas, onzinnig schepsel. Maar Hélène had mij de liefde
van mijn vader ontstolen. O, ik was alles voor hem, hij alles voor mij,
toen hij hertrouwde."
"En hoe oud was u toen?"
"Nog geen zes jaar."
"En reeds jaloersch op uw vader! Geen wonder dat nu ieder overtreft,
als u reeds zoo vroeg rijp was."
"Ik ben nu ruim zes en twintig! Ik schaam mij niet mijn leeftijd
te zeggen; voor mij is het geen schande zo oud te zijn, wel voor de
mannen, dat er onder hen geen is, dien ik waardig keur mijn meester
te worden. Waarover spraken we ook? o ja, over Kitty's moeder, zij stierf
bij de geboorte van Margot."
Corona zocht naar woorden, 't scheen dat dit onderwerp haar moeite kostte
om aan te roeren.
"Er is maar een ding, dat ik meer haat dan stiefmoeders, het zijn
zwagers. Mijn stiefmoeder was dood en de vijfjarige Kitty werd mijn
kind; ik was toen dertien en nog grooter dan Margot nu is, en had reeds
twee huwelijksaanzoeken gehad. Alles had ik voor Kittty over; altijd
waren we samen; ik heb haar alles geleerd wat zij kan, en zij is verreweg
de meest ontwikkelde van allen; zij was dol op mij, nooit waren we gescheiden.
Ik was misschien getrouwd indien het me niet te veel had gekost haar
te missen. Cor's schaduw werd Kitty genoemd en nu. . . kan zij mij niets
meer schelen, niets."
Zij sprak die laatste woorden sissend uit, haar oogen schoten vonken,
haar handjes balden zich tot vuisten.
"Hoe is die groote liefde zoo in onverschilligheid veranderd?"
vroeg Hermelijn, met iets spottends in de stem, dat Corona echter niet
opmerkte.
"Portias kwam hier; hij logeerde in het paviljoen, ook Akkeveen
had gelogeerd, mijn zusters hebben 't op meesters voorzien, nu zullen
er geen Ngaroengan betreden. Iteko moet die aspirant-zwagers vervangen."
[111:]
"En u behoeft
in haar geen schoonzuster of stiefmoeder te vreezen?"
"Daarom heb ik ze gekozen. Ik heb een advertentie in de courant
laten plaatsen. "Een gouvernante gevraagd, vereischten: zeer geleerd
en buitengewoon leelijk." Een enkele schreef er op en zij bezat
die vereisten in de hoogste mate, maar ik dwaal telkens af.
Portias gaf mij les en werd natuurlijk verliefd op mij. Bah, 't is zoo
afgezaagd, er kan hier geen meester, geen logé komen, of hij
gaat heen, omdat hij zich aan mij declareerde, 't is ellendig vervelend."
Zij wrong haar zakdoek in elkaar en fronste de wenkbrauwen.
"Nu maak u zoo boos niet Ik kan u toch niet beklagen."
"Dat is trouwens niet noodig. Portias componeerde muziekstukken
en droeg ze mij op, ik zong de wijs met de dwaaste woorden, toen sprak
hij van zelfmoord en Kitty kreeg medelijden met hem; zij begon die mopjes
voor hem te zingen en ik lachte, domoor die die ik was; ik plaagde haar
met Portias, eerst vond zij het aardig, later niet meer, zij werd stiller
en nog veel hartelijker tegen mij dan anders en eindelijk kwam het hooge
woord er uit: Portias had zijn liefde overgebracht op haar en ook zij
beminde hem."
"Wat zal dat kind een storm hebben doorstaan."
"Ik was radeloos; nu vertellen die lafaards, dat ik Kitty wilde
laten trouwen met den resident, maar dat is niet waar, ik trachtte zijn
aanzoek te doen dienen als reddingsplank, want ik vond het idee van
Kitty's huwelijk reeds als kind vreeselijk. Toen de resident zag, dat
ik niet te bewegen was hem te trouwen, verzocht hij mij een vrouw uit
mijn hand."
"Een bewijs voor uw roem als vrouwenzoekster."
"Ach ja, ik moest de jongens getrouwd krijgen zooals ik voor gouvernantes
en gouverneurs zorgde. Liever gaf ik Kitty aan hem dan aan Portias,
maar het hielp niets; zij stond tegen mij op, zij sprak bittere woorden
tegen mij, haar moederlijke zuster; was dat niet hard Hermelijn?"
"'t Gebeurt dagelijks."
"'t Ergste kwam nog. Papa was naar Batavia voor drie maanden. Correspondentie
met hem was niet te
[112:]
houden, op alle
brieven antwoordde bij maar met telegrammen; daarbij had ik de zorg
voor Kitty geheel op mij genomen, ik wilde Papa er niet over schrijven.
Allen stonden aan haar zij; niemand mocht Portias lijden, zoo lang bij
mij het hof maakte, nu gaven allen hem en Kitty gelijk. Ik sloot haar
op en op zekeren morgen was zij met hem verdwenen. Portias had haar
geschaakt, Akkeveen vergezelde hen voor het fatsoen. Ik liet mijn paard
zadelen en zette ze na, en vond ze in het logement van de hoofdplaats.
Portias en Akkeveen namen een hoogen toon aan, maar ik bedreigde hen
met de politie en maakte Kitty zoo bang, dat zij gewillig met mij terugging."
"En toen heeft u uw toestemming gegeven?"
"Wat kon ik anders doen? Zij was gecompromitteerd en vader bleef
nog afwezig."
"Keurde hij hun huwelijk goed?"
"Wat ik goed vind, is hem uitstekend. Ik heb hem zelfs zijn derde
vrouw aangewezen, toen ik 't raadzaam achtte dat hij hertrouwde."
"En zij is u tegengevallen?"
"Ja, zooals alle anderen; mijn beide scboonzusters zijn onbeduidendheden;
Sophie, August's vrouw, kan heerlijk koken, goed naaien, goed huishouden.
Ze eten het meest en verteren het minst maar overigens is zij een plant.
August een etende steen, ze komen juist bij mekaar. Hun kinderen zijn
mirakels van domheid; vijf zijn er nu hier. Dan heb je Akkeveen, een
luie, lastige parvenu; toen hij nog onderwijzer was, vond ik hem een
geschikt mensch, niet kwaad voor Dolly, die goed en vlug is, maar niet
zoo graag studeerde als Kitty. Hij zal haar nog veel kunnen leeren dacht
ik en werkte het huwelijk in de hand; nu is zij een arme tobster geworden,
die dag en nacht met haar kinderen sjouwt, terwijl haar man niets doet
dan rook en, slapen, brommen en mij tegenwerken. Je ziet, dat ik geen
reden heb mij te verhoovaardigen over mijn omgeving."
"Je hebt zooveel andere redenen om dat te doen, Corona!"
"Meen je dat? Tot nu toe geloofde ik, het op een aardige hoogte
gebracht te hebben met de viool, maar weet je wat die onuitstaanbare
aanmatigende vriend
[113:]
van je zei, nadat
hij me gehoord had? "'t Is hoogst merkwaardig een vrouw zoo te
hooren spelen." Dus als het een man geweest ware, zou het middelmatig
zijn. Ik spreek met hem niet meer."
"Daarom?"
"Niet juist daarom maar omdat ik hem niet lijden mag. Ik wil voorzichtig
tegenover dien man doen. Kan je hem geen wenk geven om heen te gaan?"
"'t Is niet aan mij dat te doen. Ik heb hier niets te zeggen."
"Wat, je hebt hier veel, zeer veel te zeggen. Jij de eenige schoonzuster,
die ik onze familie waardig acht."
"O, ik zal u nog meer tegenvallen dan de anderen; ik verdien zulk
een eer niet."
"Van avond zullen we musiceeren; als die Thoren er maar niet was."
"Hij zal zich wel laten hooren, hij speelt geniaal piano ofschoon
hij 't nooit leerde."
"Hij doet alles geniaal, schijnt het. De broers noemen zijn schieten
op jacht geniaal, papa roemt zijn algemeene kennis, zelfs van de cultures
en ik vind zijn manier van doen geniaal pedant."