X.
Juist verscheen
de nooit eerder geziene bruidegom op de trap, die den tuin aan de galerij
verbond; hij zag er nu heel anders uit dan gisteren; de booze uitdrukking
van zijn oogen was verdwenen, zij lagen hol en diep in hun kassen, hij
was doodsbleek en er rustte een moede trek om zijn lippen.
"Conrad, waar ben je toch gebleven?" vroeg Hermelijn, hem
ongedwongen tegemoetkomend."
"Goeden morgen!" zeide hij koel zonder hand en zonder kus,
de armen op zijn rug gekruist.
Met een hatelijken glimlach had Akkeveen zich opgericht, en verliet
het bruidspaar niet met zijn kleine oogen.
Corona sloeg den arm om Hermelijn en kuste haar met een hartelijkheid,
die te heftig was om niet het gevolg te zijn van inwendige opgewondenheid.
"Je moet het je niet aantrekken, wat die akelige jongen doet of
zegt, hij verdient niet de punt van je pink te kussen, zoo'n lummel."
"Corona," zeide Hermelijn, zich zacht maar beslist
[79:]
aan die liefkozingen
onttrekkend, "we zijn man en vrouw! Alles wat u van mijn man zegt,
is ook van mij gezegd! Ik wil het niet aanhooren."
Verbaasd zag Corona haar aan; zij voelde zich vreemd te moede, 't was
of met de nieuwaangekomenen van gisteren een nieuw element was in haar
leven gekomen, of alles niet meer zoo zou worden als vroeger toen zij
onbeperkte heerscheres was, toen men wel tegen haar heerschzucht durfde
opkomen, maar er niemand was, die lachte om haar toorn, of haar liefkozingen
van zich ,afweerde.
Conrad scheen niet te luisteren; met den rug naar zijn vrouw en zuster
gekeerd, dronk hij in kleine teugen het kopje koffie door lteko hem
voorgezeten weigerde hardnekkig al haar aanbiedingen om iets te eten.
Hermelijn ging intusschen naar haar kamer, legde haar parure af en deed
hoed en mantel om, trouw aan haar Hollandsche gewoonten; zelfs trok
zij haar handschoenen aan, zich verwonderend over haar eigen kalmte
en onverschilligheid.
"Mag ik binnenkomen?" vroeg een zachte, vriendelijke stem
en Kitty's lief kopje verscheen boven een mooi bouquet, dat zij in de
handen droeg.
"Ik hoop dat je gelukkig zult worden, zusje Hermine," zeide
zij, "zoo gelukkig als wij; Conrad is zeer goed, hij is mijn lievelingsbroer
maar. . . Cor weet niet met hem om te gaan."
"Dat behoeft ook niet, lieve Kitty! Als ik 't maar kan."
"Dat zal wel komen mettertijd."
"Mettertijd," Hermelijn herhaalde het woord werktuigelijk,
dat had zij zich niet voorgesteld, mettertijd!
"Ik zal die bloemen in den wagen laten brengen, niet waar Hermine!
Ik heb ze zelf met José geplukt van morgen vroeg."
"Lieve Kitty, ik dank je'" en Hermelijn kuste haar hartelijk
en voelde dat haar oogen vochtig werden, bij dat ongekunstelde blijk
van sympathie.
Zij gingen naar buiten en kwamen Corona tegen, die maar half tevreden
scheen Kitty in Hermelijn's gezelschap te zien.
"Je moet niet zeggen dat ik bij je ben geweest op de kamer,"
fluisterde Kitty haastig.
[80:]
"En waarom
niet?"
"Anders wordt zij boos!"
"Boos worden, ik zou 't niet denken."
"Och, zij wil je heelemaal voor zich hebben en kan niet verdragen
dat wij ons met je bemoeien."
"'t Is waarlijk of ik met haar getrouwd ben."
Kitty lachte, als zij niet zoo'n door en door goed schepseltje was geweest
zou men kunnen meenen, dat die lach de beteekenis had van:
"Nu wat anders?"
"'t Rijtuig staat je te wachten, Hermelijn!" sprak Corona
vrij effen, en toen tot Kitty "O foei, wat bederf je het huis al
vroeg in den morgen met die bloemenlucht, zonder nog te denken aan al
de rupsen, die je in huis haalt."
"Ik ben klaar; wacht Conrad mij?", vroeg Hermelijn op vastberaden
toon.
"In de voorgalerij, de heele kolonie is er verzameld; Papa is zoo
wijs geweest het land in te gaan, als ik me niet had verslapen had ik
't ook gedaan. Kan je paard rijden, Hermelijn?"
"Ik heb 't tenminste geleerd.
"Heerlijk, dan zullen we samen prachtige tochten maken. Die andere
vrouwen kan ik nooit mee krijgen, Kitty was vroeger mijn trouwe kameraad,
maar nu wil die malle Jozef het niet meer hebben."
Een grenzenlooze verachting sprak uit dat woord, waarmede zij zich beklaagde
dat een man zijn vrouw iets durfde verbieden, wat haar, Corona, aangenaam
was.
Zij kwamen in de rijk gemeubelde voorgalerij, klein en groot was daar
vereenigd; op de onderste trede stond Conrad naast een opgeschoten knaap,
en zag naar de fraaie koets met vier gitzwarte paarden bespannen, die
op het kiezelzand ongeduldig stonden te trappelen.
"Ongeduldiger dan de bruidegom," grinnikte Akkeveen, "en
't is toch zonde, zoo'n pracht van een meid! Als ik in zijn plaats was.
. . . "
Thoren van Hagen was er ook en toen Hermelijn zich gedwee door allen
liet kussen en de hand drukken, naderde hij haar eveneens en nam haar
kleine hand in zijn beide.
[81:]
"Moed Hermelijn,
moed!" fluisterde hij haar hartelijk toe.
"Geloof je werkelijk dat ik dien noodig zal hebben?" vroeg
zij met een droevigen blik.
"Ja, maar je vader waakt over je!"
"Dank je," antwoordde zij eenvoudig en steeg, door Portias
geholpen, in het rijtuig, dat geurde van Kitty's bloemen, Kitty wierp
zich om Conrad's hals:
"Zij is zoo lief, wees toch goed voor haar!" smeekte zij zacht.
Met een alles behalve vriendelijke beweging weerde de broer zijn zuster
af, en toen alles overziende, riep hij kortaf:
"Goedendag!"
"Goede reis, goede reis, dag Conrad, dag Hermine!" riepen
allen en Hermelijn wuifde met haar hand en haar zakdoekje, hun allen
een vaarwel toe. Conrad leunde achterover en verwaardigde zich niet
iets meer van zich te laten zien.
"Zie zoo, nu moeten zij varen in de huwelijksschuit," zeide
Guillaume.
"Het accordeeren begint, dat kost altijd moeite, en in deze omstandigheden
meer dan ooit," meende Portias.
"Conrad is een windbuil, een domoor," beweerde Akkeveen.
Thoren van Hagen zag ernstig, zijn oogen hadden hun peinzende, droevige
uitdrukking.
"Zoo zag zijn moeder er uit, toen zij hem het laatst kliste,"
placht dan de oude, trouwe dienstbode te zeggen, die hem opgevoed had.
"Waarom is u zoo stil, mijnheer van Hagen, benijdt u Conrad?"
vroeg een spottende stem.
"Neen, juffrouw de Géran, ik dacht niet aan uw broer, ik
dacht aan een meisje, dat rijk aan illusiën haar vaderland verliet
en hier niets vindt dan onverschilligheid en wantrouwen."
"Bedoelt u Hermine, wat ontbreekt haar?"
"Het eenige, wat zij noodig heeft, de liefde van haar man."
"Liefde? Komt u pas uit Europa en gelooft u daaraan?"
"Wordt dat artikel dan niet uit Europa geimporteerd?" en hij
begon weer ondeugend te lachen.
[82:]
"Wij kennen
dat tenminste hier niet! Hermelijn wordt door mij ontvangen als een
zuster, verwelkomd als een vriendin, zij had in Europa niets anders
dan de keus tusschen dienstbaarheid en genadebrood. Zij is getrouwd,
rijk. . . ."
"En haar man behandelt haar met beleedigende onverschilligheid;
wie voorspelt, wat hij nog doen zal?"
"Och komt Conrad is nog een kwajongen."
"Des te erger voor Hermelijn, die een man verdiende."
"Zij zal hem wel naar haar hand zetten."
"Nooit gehoord, dat huwelijksgeluk in naar de hand zetten bestaat."
Corona lachte nu ook, maar gedwongen.
"Dat is zeker," ging hij ernstig voort, "die haar bedroog,
en deed gelooven dat Conrad haar ten huwelijk vroeg, omdat hij nog iets
voor haar voelde uit zijn kinderjaren, deed slecht werk. Ik weet natuurlijk
niet hoe men hem heeft kunnen brengen tot een huwelijk, dat hij blijkbaar
niet wenschte, maar de wijze waarop Hermelijn er toe overgehaald werd,
noem ik onverantwoordelijk."
"Maar mijnheer, u vergeet tot wie u spreekt!"
"Toch niet tot de bewerkster van dat huwelijk, wil ik hopen?"
"Waarom hoopt u dat?"
"Omdat ik u niet in staat reken tot een lage daad."
"Een lage daad! maar dat is 't niet! Is Hermelijn niet beter af,
dan dat zij bijvoorbeeld gouvernante was geweest?"
"Volstrekt niet! Dan had zij haar vrijheid nog en die is meer waard
dan alle schatten van de familie de Géran."
"Gelooft u dat werkelijk?"
"Zeker."
"En toch vinden de menschen het zoo dwaas, dat ik mijn vrijheid
niet wil verkoopen!"
"Omdat men er u nog niet genoeg voor geboden heeft, want, stellig
heeft niemand u nog den eenigen prijs kunnen geven, die vrijheid waard."
"En dat zou wezen?"
"De liefde van een man, dien u achten, beminnen en gehoorzamen
kan."
[83:]
"Ik gehoorzaam
niemand."
"Omdat u het nog niet wil."
"Voor wien zou ik het willen?"
"Dat weet ik niet, maar dat die ergens ter wereld bestaat zal u
niet ontkennen!"
"Ik zou hem eerst moeten zien."
"En Hermelijn is de gelegenheid ontnomen om met voordacht te kiezen."
"Nu, als zij het niet gaarne gewild had, zou zij niet toegestemd
hebben."
"Zij vertrouwde op zijn brieven. God geve dat haar vertrouwen niet
moge beschaamd worden."
Corona werd rood en toen bleek; zij sloeg haar oogen neer.
"Als u zoo'n belang in haar stelt, waarom is u niet met haar getrouwd?"
vroeg zij min of meer verlegen.
"Omdat. . . omdat ik haar lief heb als een vriendin, een zuster
bijna, maar ik een andere vrouw wensch te beminnen als mijn bruid."
"Liefde is kinderspel en het huwelijk hooge ernst, die twee passen
niet samen."
"Een theorie om over na te denken," zei Thoren met spottenden
ernst.
Zij keerde zich om en ging naar haar kamer, waar de altijd bedrijvige
juffrouw Iteko in de weer was.
"Iteko," zeide Corona. "Iteko! Ze zijn weg!"
"Om u te dienen, juffrouw!"
"Zou 't goed gaan, lteko?"
"Waarom niet, juffrouw! Ze zijn jong en mevrouw Hermine is zeer
verstandig."
"Dat geloof ik ook, als ze maar niet te verstandig is. Iteko, we
hebben tot nu toe met domme eendjes te doen gehad, maar zij heeft een
wil en verstand. Als zij er achter kwam, o, 't stond mij altijd zoo
tegen."
"'t Was voor hun bestwil."
"Jawel, jawel, ik weet het, maar toch! Zeg, Iteko, weet je ook
hoe lang mijnheer Thoren van Hagen hier blijft?"
"lk zal 't eens zien te hooren, juffrouw."
"lk wil papa zeggen, dat hij gauw moet heengaan want hij hindert
me, ik vind hem onuitstaanbaar pedant."
"Hij ziet er erg knap uit, ik zag nog zelden zoo'n mooie man."
[84:]
"Och kom!
kijk jij daar naar? Ik nooit! vond je Conrad niet dwaas doen, Iteko?"
"Ik had niet anders verwacht, juffrouw! 't Valt me nog mee, na
alles wat er gebeurd is."
"'t Is een akelige dwarskop, 't spijt me voor Hermelijntje, zij
is alles, wat we wenschen kunnen, niet waar Iteko?"
"Ik hoop dat u 't altijd zal blijven denken, juffrouw."
"Vrees je het tegendeel?"
"Ik ken haar te slecht, ik durf niet beslissen."
"Je bent ook altijd bang je te branden aan ijswater! Wat valt er
op haar aan te merken?"
"Niets."
"Ga heen, je maakt me zenuwachtig, ik weet toch niet wat mij van
morgen scheelt. Ik ben mijzelf niet. Die man wordt mijn noodlot!"