I. IN DE KOEKBAKKERIJ.
Moeder de vrouw
zat achter 't theeblad, vader was juist even binnengekomen, zóó
maar in zijn wit pakje - hij kwam dan ook regelrecht uit de bakkerij,
waar hij zelf de laatste hand had gelegd aan een paar schotels, die
voor een souper moesten dienen. Op een klein schaaltje bracht hij een
proefje gelei:
"Daar, Janne, voor je bewaard, meid, je houdt nog wel eens van
een zoet hapje"
toen van toon veranderende: "Hé,
ben-jij er Jan? Als ik dat geweten had, nee, dan was ik zoo niet"
en hij wees op zijn pakje. De aangesprokene, een rijzig man van even
in de dertig, stond op en antwoordde, schouderophalend:
"Och! wat doet 't er toe? Ik heb u wel eens meer zoo gezien."
[2:]
"Nou - en
of je," viel moeder in met een vergenoegd lachje, "en weet-je
wel, Jan, dat jij er zelf ook zoo een gedragen hebt? Heere, ja, ik mot
't nog ergens boven hebben. Ik mot 't toch ereis opzoeken als ik er
aan denk. - Ja, ik zie je er nog in, ik noemde je mijn kleinen "confesu
," en vader men grooten."
"Schei uit, moeder, met je Fransch, ik ben nooit een "c o
n f e s u r" geweest en zal 't nooit worden ook. Ik ben Mr. Banketbakker
en zal 't blijven tot mijn dood. Dan mag der, voor mijn part, een "c
o n f e s u r" in de zaak kommen."
"Grut, man, wat praat je nou raar, 't is om melankeliek van te
worden."
"Ik wor oud, vrouw, en
"
"Nou, maar, da's geen reden. Je kunt nog best heel wat jaartjes
mee, en dat, nou je er alleen voor staat."
"Wat bazel-je toch mensch. Waarom zou ik er niet alleen voor staan?"
"Nou - as Jan indertijd zin in 't vak had gehad... och! dat hadden
we toch allebei gehoopt:.. weet-je, hoe we er over spraken, toen ie
nog in de wieg lag. Ja, jongen, je bent nou avvekaat en 't is allementigies
mooi, da' je 't zoover gebracht hebt in de wereld, maar zie-je, voor
ons eigen gevoel - om 't nou maar 's zoo te noemen, zou 't toch prettiger
zijn geweest, als je net als je vader". . . .
Een diepe zucht, toen met bitterheid: "God, moeder, was 't maar
waar. Ik vervloek nu den dag, waarop ik de toonbank verliet voor de
academie."
"Wel, alle menschen, Jan," viel vader in. "Hoe
[3:]
heb-ik 't nou met
je? 't Was je eigen verkiezing, je wou een heer zijn."
Hij lachte schamper. - "Wou een heer zijn, ja, alsof 't me helpen
zou. Ik hield 't voor eerzucht, maar 't was ijdelheid, en nu ben ik
er hard voor gestraft, o God! zoo hard, zoo zwaar!"
"Maar, Jan," begon moeder, doch vader wenkte haar om niet
verder te gaan. "Stil, Janne, laat hem. Zeg, jongen, heb je ook
schulden?"
"Hemel, Gerrit, hoe kom-je daarop, onze Jan schulden? Nee, daarvoor
is hij te braaf en te eerlijk. Ik begrijp niet, hoe je zoo iets durft
zeggen en dat van onzen Jan."
"Moeder, laat dat toch - prijs me niet zoo. Ik... Och! 't is niets...
Ik ben wat uit me humeur, ik had niet hier moeten komen."
"Niet hier komen; maar Jan"
en terwijl moeder haar oogen
afveegde, waaruit twee groote tranen rolden, maakte vader haar zin en
daarmee haar gedachte af, door te zeggen: "Waar zou-je beter komen
dan hier, men jongen? Je bent ons welover 't hoofd gegroeid, maar".
. . . .
"Dat is 't ellendige - o God! vader, waarom hebt u me toch laten
studeeren?'t Is men vloek geworden."
"Zeg, Jan," viel vader met schrik in, "der is toch niets
kwaads op 't kantoor gebeurd? Je hebt toch geen ruzie gehad?"
"Gerrit," zei zijn vrouw vermanend. " Wat heb jij toch
rare invallen, Jan - ruzie met iemand; nou - dat zou al een heele moeielijke
moeten zijn, die met onzen Jan ruzie kreeg."
[4:]
"Der mot toch
een reden zijn," beweerde de Mr. Banketbakker. "Anders was
'ie altijd zoo groos op zijn vak."
"Dwaze trots, anders niet, nu boet ik er voor."
"Maar wat is er dan?"
"Wat er is?... Ik kan 't u ook wel zeggen, ik kwam er eigenlijk
voor hier. Ik ga naar Indië."
"Wat - naar de Oost, gerechte Hemel, jongen wat vertel je-me daar
nou? Je gaat toch niet als koloniaal?"
Hij glimlachte door zijn bitterheid heen: "O, nee! ik ga als Mr.
in de rechten, als meneer."
Vader bekwam nu pas van zij n verbazing en vroeg:
"Hoe kom-je daartoe? Hè-je 't niet goed genoeg meer in je
eigen land, dat je naar dat Heidensche land moet? Hoor eens, Jan, je
moeder mag nou vrij praten, maar;k zie wel, dat er iets aan hapert,
en as ik jou was, dan zou 'k 't maar vertellen; je moeder en ik, we
zijn je beste vrinden, waarachtig, jongen, niet waar, vrouw?"
Maar ze hoorde niet en steunde: "Naar de Oost, een kind van mijn
naar de Oost, naar de Zwarten, naar de Morianen en Atjehers, die alle
Hollanders zoo maar doodschieten."
"Nu, moeder, zoo erg is 't niet; ik zou ook niet naar Atjeh gaan,
maar naar Java - naar een groote stad - Batavia, bij voorbeeld."
"Schei uit met je groote stad, jongen, je zit der nog niet. Eerst
mot ik weten, wat er is, want je kunt mij nie' wijs maken, dat je zoo
maar in eens, pardoes, in je zinnen hebt gekregen, om zoo
[5:]
maar goedsmoeds
Indiaan te worden." Vader's toon klonk zonderling.
Hij streek met de lange, fijne hand over 't voorhoofd; reeds in de hand
zag men 't contrast tusschen de burgerlijke ouders, die hun handen gebruikten
om te werken, en den bestudeerden zoon, die er alleen de pen en het
vouwbeen mee gehanteerd had.
"Och! Ik zal 't u zeggen - 't zal me hard vallen en 't zal u ook
hard vallen om 't te hooren, maar 't is toch beter. Ik ben verliefd."
"Wat, toch niet op zoo'n Zwarte?"
"Nee, zij is blond en heel mooi, met goudglanzend haar en groote
blauwe oogen, een kind nog, pas negentien jaar."
"En wil ze je hebben?" informeerde moeder, alles vergetende
in haar nieuwsgierigheid.
"Ze gaf me gisteren haar jawoord"'. . . .
"Och, Heer! is 't al zoo ver, nou maar, dan filiceteer ik je, jongen.
En wanneer kom-je met haar hier? Je moet 't vooruit zeggen, hoor, dan
zal ik een taart voor jelui bakken, zooals je er nooit een gezien hebt."
Een pijnlijke uitdrukking gleed over Jan's trekken.
"Ik bid u, vader, en u ook, moeder, val me niet telkens in de rede,
laat me uitspreken. Mijn lieveling heeft er in toegestemd mijn vrouw
te worden en 't beste is, dat ik eerst naar Indië ga en haar dan
laat uitkomen."
"Waarom dan toch naar Indië?" vroeg vader, niet denkende
aan zijn verzoek van zooeven.
Hij zweeg. 't Was ook zoo moeielijk om voort te
[6:]
gaan. Thuis in
zijn kamers leek 't plan hem zoo goed en had hij zulke doeltreffende
woorden gevonden om zijn oujers 't noodzakelijke er van te doen inzien,
en nu hij bij hen zat, nu ging 't niet.
Eindelijk vervolgde hij: "Ja, ziet u, de zaak is zoo, ik leerde
haar bij wederzijdsche vrienden kennen, de man is een academievriend
vaa mij, de vrouw is haar nichtje en tevens haar speelkameraad van jongs
af aan. Later werd ik ook bij haar ouders geïntroduceerd, ze wonen
pas hier, haar vader is kolonel bij de infanterie, 't is een heel deftige
familie.... wel niet van adel, maar. zoo goed als. Vroeger woonden ze
in den Haag, en Eugénie, dat is 't meisje, is een echt, fijn
poppetje."
Hakkelend, aarzelend had hij zijn verhaal gedaan, nu hield hij een oogenblik
op, zijn vader maakte er gebruik van om te vragen: "En weten ze,
dat jij een burgerjongen bent?"
Hij kleurde als een schoolmeisje en hernam verlegen: "Nee, dat
is 't 'm juist. Eugénie heeft mij niets gevraagd, 't kind is
heel verliefd en vindt me goed, zooals ik ben maar als ik officiëel
met haar vader spreek, dan moet ik natuurlijk wel"....
"Zeggen, dat 'ik een koekebakker ben," viel de oude man ruw
in:
"Ja, natuurlijk. U begrijpt voor een meisje als zij, voor een kolonelsdochter
is 't een groote mésaillance, en . . . . de familie is nog al
trotsch,... en daarom wou ik tegelijkertijd aan haar vader zeggen, dat
ik van plan ben mijn carrière in Indië voort te zetten."
[7:]
"Gunst, dat
begrijp ik niet," merkte zijn moeder op. "Of jij nou naar
Indië gaat of niet, je blijft toch wie je bent."
"Ja, maar vrouw," viel haar man in. "Vat-je 'tniet? Ikwel.
Wij zijn 't, die meneer onzen zoon in den weg zitten; ons dierbaar vaderland,
waar wij geboren en getogen zijn, is te klein voor hem en voor ons.
Als we niet zoo oud waren, zou ie ons misschien als landverhuizers naar
Amerika sturen bij de Roodhuiden - maar nou dat niet kan, wil hij weggaan."
Driftig liep de anders zoo kalme man het kleine vertrek op en neer.
Zijn zoon zweeg beschaamd.
Moeder keek hem angstig aan. De stilte werd benauwend, eindelijk maakte
zij er een einde aan:
"Hoor eens, Gerrit, ik zou der men eigen nu maar niet kwaad over
maken.'t Is nou wel niet plezierig maar zie je, als je eenmaal a het
gezegd, dan mo' je ook b zeggen, dat zei dominé ook, toen Jan
de Latijnsche school had bezocht en toen der quaestie was van de Akkedemie,
en nou zeg ik 't ook, Jan, die is nou eenmaal geen koekebakker, hij
is een heer - nou mot ie ook 'met een dame trouwen, en och! as 't nou
zoo'n heele, groote medam is, nou - dan is 't maar beter, dat ze hier
niet en kompt. As Jan een burgerjongen was gebleven en hij had een burgermeisje
getrouwd, dan zou ik der liefhebben gehad as men eigen kind. Al had
ze ook geen cent bezeten, ik zou der 't beste van alles hebben gegeven,
dat zou ik. Maar nou, dat ie zen zinnen heeft gezet op een dame, ja,
nou motten we ons maar troosten."
[8:]
"Troosten,
't zou wat," bromde vader, - "ik zeg je, 't is een slecht
zoon, die zich voor zijn ouders schaamt."
"Och! kom, Gerrit, da' mo' ie nou niet zoo zeggen, ik begrijp 't
me best... och! de dominé, die praat nou wel Zondags op den preekstoel
van, dat alle menschen gelijk bennen, maar 't is toch zoo niet. Gut!
kijk nou Jan eens. Hij is ommers heel anders dan jij en ik. lederen
keer, dat ie hier komt, valt 't meer op en ik weet wel, dat 't hem ook
opvalt."
"Moeder!.... 't was op een- toon van protest.
"Nee, jongen, ik hè' 't al lang gezien en zoo'n dametje
is natuurlijk al weer anders en ik kan 't me best best begrijpen."
"O ja - jij kan 't begrijpen en je vindt 't zeker prettig ook -
wel ja. Als God wil, dat ons een van beiden eens wat overkomt, dan zul-je
't zeker nog prettig vinden, dat onze jongen - onze eenige, in Indië
is."
De oude man was aan de tafel gaan zitten en ondersteunde zijn hoofd
met bei zijn handen, terwijl een zenuwachtig trekken zijner oogleden
aankondigden, dat de 'tranen niet ver meer waren. Hij was nu niet meer
boos, alleen verdrietig. Voor zijn vrouw was het huwelijk de hoofdzaak
en meer nog 't meisje - hij dacht slechts aan 't feit, dat zijn zoon
van hen weg wilde gaan. En de zoon zat stil voor zich uit te staren;
hij, die zich in luttele jaren een naam als redenaar had verworven;
hij, wiens welsprekendheid als advokaat beroemd was, hij wist nu niets
te zeggen. Aan den eenen kant zag hij zijn goede burger
[9:]
ouders, vol liefde
- doch even vol klein-burgerlijke eigenaardigheden, en aan den anderen
kant 't Haagsche nufje, zacht, fijn, beschaafd, teeder, aanhankelijk
en toch zoo echt jonkvrouwelijk ingetogen
neen, hij kon ze niet
bij elkander brengen. En evenmin kon hij zijn liefde opofferen; zooveel
jaren had hij alleen voor zijn studie geleefd, had hij onophoudelijk
gewerkt, enkel zijn hoofd gebruikt, nu begon zijn hart te spreken, en
hij hoorde naar die, sirenestem, die hem zooveel liefelijks influisterde.
En zou hij nu reeds die stem tot zwijgen moeten brengen? Waarom? Om
zijn ouders, die goede oudjes, 't verdriet eener scheiding te besparen?
Maar bestond die scheiding niet reeds feitelijk? Moeder had 't immers
zelve gezegd. O! 't ongeluk zou niet wezen zijn huwelijk met een meisje
uit een hoogeren stand, 't was zelfs niet eens zijn naar Indië
gaan - nee - 't ongeluk was geweest, dat hij dat pakje, waarover moeder
in 't begin van den avond had gesproken, niet had aangehouden, dat hij
niet koekbakkers-jongen was gebleven, om later Meester Koekbakker te
worden, in plaats van Meester in de Rechten. Moeder had gelijk, dan
had hij een gewoon burgermeisje als vrouw thuisgebracht, die met zijn
moeder over 't huishouden had kunnen spreken, terwijl vader en hij over
de bakkerij hadden gepraat.
Hij lachte hel en bitter. . .. maar wist nog niet wat te zeggen. Zijn
gedachtenloop werd gestoord door dat zijn moeder was opgestaan en haar
hand op zijn schouder had gelegd: "Jongen", zei ze, met een
stem, heesch van ontroering; "luister eens: ik heb je iets
[10:]
te zeggen. - Weet
je -, je hoeft niet naar Indië te gaan - hoor-je. Wat zou-je daar
nou doen in dat vreemde land? en dan zij ook, zoo'n jongmeisje. Jelui
blijft stilletjes hier - .. en" even wreef ze haar oogen uit. .
.. "van ons zul-je geen last hebben. Je moet maar net doen of wij
er niet waren. We wonen gelukkig nog al in een achterbuurt en zie-je,
je behoeft er nou niet om te jokken, as je met der vader spreekt. Dan
zeg je rondement: "allebei mijn ouwers leven nog, maar 't zijn
stille ouwe menschen, ze gaan niet meer uit en... afijn, dan mot je
dien meneer maar uit onzen naam zeggen, dat wij 't jelui nooit lastig
zullen maken. 't Meisje hoeft niet eens te weten, dat we hier in de
stad wonen och! God - ik zou je wel op men eerewoord willen beloven,
dat ik overdag nooit op straat zal komen... en... als jij nou maar een
enkel keertje. .. een heel- heel enkel keertje. . . eens in de drie
maanden of zoo, bij ons zoudt komen, zoo eventjes weet je. .. dan zouên
we al tevreden zijn, niet waar vader? . .. alles is beter dan dat je
na de Oost zou gaan, men jongen. Dat zou ik me nooit vergeven... dat
je voor ons naar dat apenland zou moeten gaan."
Smeekend stond ze naast hem en innig ontroerd drukte hij haar in zijn
armen, Vader knikte maar - zooals moeder "t wilde was 't hem goed.
"Ja, en zeg ook maar aan haar vader dat hij 't maar alleen af mot
doen op 't stadhuis en zoo. Je bent over de dertig, je hebt me dus niet
meer noodig en... och! 't gaat ook niet samen. . . een kolonel en een
koekebakker."