X. (=9)
Quel
enchantement que cette première lueur d'intelligence avec ce
qu'on aime! Avant que le souvenir entre en partage avec l'espérance,
avant que les paroles aient exprimés les sentiments, il y a dans
ces premiers instants je ne sais quel vague, je ne sois quel mystère
d'imagination, plus passager que le bonheur mème, mais plus céleste
encore que lui.
Mme. DE STAëL.
't Is nog altijd koud en guur buiten. Er waait nu een scherpe Noordenwind en de sneeuw ligt hoog op de straten die ledig zijn, lediger nog dan gewoonlijk. Florence staat voor het venster en hoewel ze ziet hoe bar en streng het is buiten, denkt ze er over om toch nog maar eens
[89:]
eventjes uit te
wippen, want - mama is Donderdag jarig en het zou nu zulk een geschikte
gelegenheid zijn om onbemerkt een cadeautje voor haar te gaan koopen.
Ja, ze zal het maar even doen, dan kan ze meteen dien brief op de post
brengen, dien ze heden aan Ellen geschreven heeft; ze doet het altijd
liever zelf, want Daatje is zoo vergeetachtig, vooral als ze haar vrijer
bij zich heeft, en - verbeeld je dat zoo'n brief eens verloren ging!
Bij dezen vooral komt het er erg op aan: immers er staat zooveel in
over die wonderlijke gebeurtenis op het ijs, over die stem die ze toen
hoorde en maar niet vergeten kon, die haar telkens en telkens weer in
de ooren klinkt, hoewel het nu reeds vier weken is geleden. Nu heeft
ze dan toch ook een geheim, even goed als Ellen, en deze zal het zeker
heel belangrijk vinden en haar er een heelen langen brief over schrijven
maar komaan, het begint reeds te schemeren en wil ze beide boodschappen
nog verrichten vóór theetijd, dan moet ze zich haasten.
Weinige oogenblikken later heeft de Stikkelsche straat dan tóch
één voetgangster, 't is Florence, die zoo vlug ze kan
zich voorthaast, want hoewel ze zich zeer dicht heeft toegestopt met
haar warmen mantel, haar bont en mama's dichtste voile, gevoelt ze toch
de scherpte van den wind die haar in 't gezicht snijdt, de blonde lokken
opneemt en ze laat golven en wapperen als het goudgele graan op het
veld.
Toch wordt de belangrijke brief op de post gebracht, en daarna in den
winkel een beeldig werkmandje voor mama gekocht - een snoeperig mandje
- wel wat duur eigenlijk, maar t is ook voor mama!
Ze stapt nu nog haastiger voort dan daar straks, want, als ze uit den
winkel komt, waar ze zieh wat lang heeft opgehouden, bemerkt ze dat
de schemering reeds gevallen is en zoo voortloopend denkt ze er aan
wat mama wel zeggen zal als ze het mandje krijgt en hoe blijde ze zal
wezen
[90:]
Er wordt getikt
aan een venster - nog eens; Florence ziet rondom zich en daar er niemand
buiten haar in de stille straat is, begrijpt ze dat zij wordt bedoeld.
Ze blijft een oogenblik aarzelend luisteren of het geklop zich ook herhalen
zal en juist als ze haar weg wil vervolgen, wordt de deur van een klein
huisje geopend en een arme vrouw treedt haastig naar buiten.
"Dag vrouw Arent! Wel, ik wist waarlijk niet wie me daar klopte!"
"Och, jufvrouw Floortje, ik hoop dat u er toch niet boos om zijn
zult - 't is wel vrijpostig van me, maar ik wou u zoo graag eens even
spreken."
"Even dan, hoor! Ik heb eigenlijk geen tijd, weet je, want 't wordt
al donker en ik moet theeschenken voor mama. Eventjes!" en al pratende
volgt zij vrouw Arent in het keurig net eenvoudig kamertje.
"U hebt toch wel een oogenblikje - een klein oogenblikje hoeft
't maar te zijn - over voor uw oude meid, niet waar?" zegt vrouw
Arent, terwijl ze een stoel voor Florence nederzet en zelve zitten gaat.
"Ja zeker. Maar wat is er Antje, je ziet zoo bleek, je beeft zoo,"
zegt het meisje dat, nu 't schijnsel van 't vuur op het gelaat der vroegere
dienstbode valt, eerst bespeurt hoe bleek en ontsteld dat gelaat is.'"
"Och jufvrouw, jufvrouw!" barst ze nu eensklaps los, "er
is zoo veel gebeurd sinds u me 't laatst gezien hebt
och God,
zoo veel!"
"'t Is een harde winter, niet waar?" vraagt Florence meelijdend.
"Maar waarom heb je ons je nood niet geklaagd? Dat is niet goed
van je, Antje! je weet hoe gaarne mama
"
"O neen, neen! Och, was het dàt maar!"
"Kom, kom Antje je moet niet zoo schreien. Vertel me maar wat het
is, dan kan ik er met mama over spreken en dan zullen we je wel helpen,
denk ik. Nu, is het al wat beter? Zou je wat bedaard zijn? Kom
[91:]
aan, zoo heel erg
zal het toch zeker ook niet wezen."
Vrouw Arent ziet op in het blondje gezichtje, dat door den vuurgloed
getint, zich tot haar over buigt en ze mompelt: "Waar zou ik alles
kunnen bekennen, zooals ik het geen ander bekend heb!" en dan luider:
"Ja het is wel erg!"
"Is het iets kwaads, Antje? Iets dat je gedaan hebt en niet had
moeten doen? Vertel het mij maar! Durf je niet? Denk je dan dat ik ook
niet wel eens iets verkeerds doe, iets waar ik later spijt van heb?"
"Neen zoo iets kwaads zult u nooit doen, jufvrouw Floortje. O,
'k zou zoo graag mijn hart eens voor u uitstorten - maar u zult misschien
niet eens begrijpen, u weet zoo van al die dingen niet af!"
"Maar Antje, je moet niet denken dat ik nog zoo'n kind ben, als
toen je bij ons diende. Ik word al gauw negentien jaar en ik weet al
heel veel en begrijp ook haast alles. Als het je dus verlichten kan
om het mij te vertellen, doe dat dan maar gerust."
"Nu dan - och, jufvrouw Floortje, ik ben zoo ongelukkig. Ik ben
heel slecht geweest, da's waar, maar dat, dat, had ik toch niet verdiend.
Zegt u nu zelf eens, mag een man zich maar dadelijk van zijn vrouw laten
scheiden omdat ze och,.. .. als de buren maar niet zoo gestookt hadden!"
"Scheiden. . . .? wil je man van je scheiden? Die brave Dirk? O
Antje, dan moet het wel heel erg, wel schrikkelijk erg wezen!"
De schuldige vrouw buigt het hoofd diep, zeer diep terneder. Ja het
was erg, schrikkelijk erg dat gevoelt zij nu, met dat reine gelaat,
met die hemelsche oogen tegenover zich - nu eerst gevoelt ze hoe erg
het is.
't Is stil in het vertrek. Eensklaps richt vrouw Arent zich op en met
angstig vragenden blik, met opgeheven handen, krijt ze: "Och jufvrouw
Floortje, in Gods naam, zeg toch iets, zeg toch dat u me niet veracht,
niet zoo
[92:]
erg als die anderen
ten minste, . . .. zeg toch dat ik niet ben wat die anderen mij noemen...
."
Eerst schrikt het meisje terug voor dien woesten zielsangst, dan gevoelt
ze slechts innig medelijden met de arme vrouw en zelve schreiend, zelve
ternauwernood in staat om te spreken, fluistert ze aarzelend van een
zondares die vergeven werd, van een Heiland die haar niet oordeelde.
. . .
Die woorden doen steeds meerder tranen vloeien, maar tevens den storm
bedaren in het hart der arme vrouw, die, als ze slechts medelijden en
zachtmoedigheid leest in het gelaat der jeugdige troosteres, eindelijk
op fluisterenden toon begint:
"U weet misschien wel, jufvrouw Floortje, dat, toen ik bij uw mama
diende - in het Nieuwe Diep bedoel ik - dat ik toen met een zeeman verkeerde.
We waren 't al van jongs af aan begonnen en, o jufvrouw! ik geloof niet
dat ooit twee menschen zooveel van mekaar gehouden hebben als Jan en
ik. Maar 't was een zeeman en hij moest mee op het oorlogsschip als
koksmaat - dan kon hij binnen een jaar of drie veel geld verdienen en
als hij dan weeroml,wam, zouden we samen trouwen
"We huilden ons allebei halfdood, toen hij wegging en ik dacht
dat ik het nooit overleven zou, toen zijn kameraads hem kwamen halen
en ik de laatste saluutschoten hoorde. Maar uw mama was heel vriendelijk
voor me en die troostte me maar en vertelde me dat men heer ook zoo
dikwijls naar zee geweest en toch altijd gezond en wel thuisgekomen
was.
"Nu overdag ging het nog al; dat had ik mijn werk en kon er niet
al den tijd aan denken, maar 's nachts! als het zoo stormde o jufvrouw,
wat heb ik onzen lieven Heer dikwijls voor hem gebeden!
"Hij zeit nu dat hij in het verre land altijd aan me gedacht heeft
en dat hij zich nooit met de meisjes dáár heeft opgehouden!
hoe mooi en hoe vriendelijk ze ook waren,
[93:]
en dat hij altijd
mijn ring droeg nacht en dag - maar hij kon niet schrijven en de kameraad
die het voor hem deed kon het ook niet best en nu gelooft hij dat de
brieven nooit terechtgekomen zijn
Hoe het zoo heeft moeten zijn,
dat weet onze lieve Heer, maar ik hoorde niets van hem, zes jaren achtereen,
en - o jufvrouw Floortje! zes jaren is een lange tijd om te wachten
"Uw mama weet hoe ik er over getobd heb, want ik was op het laatst
heelemaal suf van het prakkizeeren en als ik twee boodschappen te doen
had, kon ik er met moeite één van onthouden, zoo waren
al mijn gedachten in de Oost
"En toen kwam Dirk om me en of ik al zei van neen, hij hield maar
vol. Op 't eind, toen hij meer dan een jaar om me geloopen had, en ik
nog maar niets van Jan hoorde, toen dacht ik dat de arme jongen dood
was of misschien ook met een ander getrouwd, want daar moeten ze in
de Oost heel gauw mee zijn. Ik werd het moei om op Jan te wachten en
toen heb ik Dirk maar genomen.
"Nu zal ik niet zeggen, jufvrouw Floortje, dat Dirk een kwaje man
voor me geweest is, maar hij liet mij erg veel alleen en och, als je
zoolang aan één jongen hebt gedacht, dan moet je eigenlijk
niet met een ander trouwen. En toch, als ik maar niet zonder kindje
was gebleven
Maar nu, nu moest ik, als het hard waaide, altijd
weer aan mijn Jan denken en 't gouden slootje dat ik van hem had gekregen,
dat zou ik niet gegeven hebben voor ja, 'k weet niet hoeveel!"
"Maar dat mocht toch zoo niet zijn, Antje!"
"Neen, jufvrouw, dat weet ik ook wel - maar doe daar maar eens
iets aan! Nu een half jaar geleden op een morgen - Dirk was naar 't
werk en ik zat hier hard te naaien, precies op dezelfde plek waar ik
nu zit
daar stond Jan in eens voor me, net als een spook! O God,
wat schrikte ik! ik dacht dat ik 't zou besterven
"Eerst vloekte hij en zei dat ik een gemeene meid was,
[94:]
dat hij me trouw
was gebleven, al die jaren lang en dat hij voor mij gespaard had en
presenten meegebracht uit de Oost, tot een trouwjapon toe, en toen o
jufvrouw, toen barstte hij los en huilde als een kind en zei dat het
maar beter geweest zou zijn, als hij verdronken was in de zee dan dat
hij me zoo had teruggevonden
"
"Arme man!"
"En toen o jufvrouw Floortje, ik kan u zoo alles niet vertellen
wat er daarna gebeurd is, maar hij kwam hier in de stad wonen en mijn
man was den heelen dag uit en - God vergeve het me! maar het was toch
mijn eigenste jongen, - die ik alleenig heb liefgehad - en hij had toch
zoo trouw aan me gedacht en. . .. de menschen zijn ook zoo hard, zoo
erg hard!"
Weer klinkt Florence's liefelijke stem door het kamertje en 't is of
het loeien van den storm gevolgd wordt door het suizen van een zomerkoeltje,
en als vrouw Arent die toonen hoort, als ze gevoelt hoe een zachte hand
de hare drukt, als ze opziet in dat gelaat zoo vol liefde en medelijden,
dan is het haar alsof God een zijner engelen afzond om haar te zeggen,
dat Hij niet zoo hard, zoo meedoogenloos oordeelt als zijn schepselen.
"Is Arent thuis?"
vraagt een mannenstem aan de deur.
Florence springt op. Die stem, die stem! O dat is
Ze keert haar
beschreid gezichtje om, ze ziet een bleek ernstig gelaat, een paar oogen
die haar zelfs in het duister tegen fonkelen en ze weet wie het geweest
is, die haar waarschuwde op het ijs.
De bezoeker treedt binnen. "Jufvrouw Van Slooten, u hier?"
"Graaf Deltrès!" Hij buigt en komt nader bij het vuur.
"Is je man niet thuis, vrouw Arent?"
"Neen mijnheer, hij is nog op het werk," zegt de vrouw met
bevende stem.
"Zeg hem dat ik hem vóór tienen bij mij wacht. -"
[95:]
"Jufvrouw
Van Slooten, veroorloof mij eene vraag. Weet u wie de vrouw is, met
wie u hier te zamen zijt?"
"Ze is een oude, trouwe meid van mama," zegt Florence met
een medelijdenden blik naar vrouw Arent, die zich meer en meer terugtrekt.
"Is ze? Trouw, zegt ge? Vergeef me, zoo mijn vraag onbescheiden
was."
Florence gevoelt zich verlegen en staat op. "Nu Antje, ik moet
heen. Houd maar goeden moed, hoor! Ik zal er eens met mama over spreken;"
zij steekt hare hand uit, vrouw Arent aarzelt die aan te nemen, maar
drukt een eerbiedigen kus daarop. Deltrès opent de deur. "Waarlijk,
jufvrouw Van Slooten, het is te donker voor u om alleen te gaan. Mag
ik het genoegen hebben u thuis te brengen?"
Als Deltrès en Florence in een andere stad hadden gewoond, zou
hij haar wellicht bij het verlaten van het huisje zijn arm hebben aangeboden;
na een driejarig verblijf in StikkeI was hij evenwel te goed op de hoogte
van de Stikkelsche zeden en manieren om niet te weten: dat zoo er in
dat plaatsje een heer en dame gearmd loopen - vooral in schemerdonker
- zij den volgenden dag geëngageerd heeten. Deze eigenaardigheid
van Stikkel kennend, deed hij het natuurlijk niet.
Zij liepen een eindje voort, hij sprak over het weer, den wind en wat
men verder zeggen kan, zonder eigenlijk iets te zeggen; zij antwoordde
verstrooid en verward, tot ze op eens, midden in de barre kou, stilstond.
"O, mijn heer Deltrès, ik kan het niet laten, ik moet u
bedanken voor den grooten dienst die u mij en mama hebt bewezen. Ik
geloof wel dat u liever onbekend hadt willen blijven. . . ."
"Ik denk dat ge u vergist; ik weet ten minste niet
"
"O neen, mijnheer Deltrès, ik vergis mij niet. Ik weet zeker
dat het uwe stem was en geene andere. Ik zou die stem nooit hebben kunnen
vergeten, zij klonk mij telkens en telkens weer in de ooren. - Maar
u zult het u mis
[96:]
schien niet eens
meer herinneren. Weet u niet meer hoe u mij hebt gewaarschuwd voor die
gevaarlijke plek in het ijs en hoe een oogenblik later die arme schipper
daar verdronk? Och, als u het nog weet, zeg dan niet neen! ik heb zoo
gewenscht er iemand voor te kunnen bedanken!"
"Ik herinner mij het zeer goed. Ik heb zelfs nooit met zooveel
genoegen een zoo kleinen dienst bewezen."
"Noem het geen kleinen dienst, mijnheer! Als u wist hoe gelukkig
mama was, toen ik veilig en behouden naast haar zat, hoe diep bedroefd
ze zou zijn geweest als ze mij had moeten missen, als u wist hoe vreeselijk
het voor mij geweest zou zijn om te moeten sterven, nu reeds te moeten
sterven, terwijl ik nog zoo jong, nog zoo gelukkig ben, dan zoudt u
het geen kleinen dienst noemen, dat verzeker ik u!"
"Nu dan, het doet me pleizier dat ik u zulk een grooten dienst
bewijzen kon. Ik zou alleen maar wenschen, dat het mij een weinig moeite,
een weinig opoffering had gekost; dan zou ik meer recht gevoelen op
uwe erkentelijkheid."
"O, dat doet er niet toe. Wat zal mama blij zijn dat ik u gevonden
heb! Zij wilde ook zoo gaarne weten wie mij zoo vriendelijk had gewaarschuwd.
Hoe gelukkig, niet waar, dat ik u daar nu juist ontmoeten moest."
Hij ziet haar aan, verbaasd over zooveel naïviteit, zooveel kinderlijk
vertrouwen in eene jonge dame van de negentiende eeuw; maar het blijde
schuldelooze gelaat, dat ze naar hem opheft, is zoo geheel in overeenstemming
met hare woorden, die hij zich haast te zeggen: "Ja,wèl
zeer gelukkig. Maar ik begrijp toch eigenlijk nog niet recht hoe u op
dit uur in dat huis gekomen zijt?"
"Wel, dat kan ik u gemakkelijk uitleggen. Ik was nog even uitgegaan
na het eten; om den weg te verkorten liep ik door de Steestraat en hoorde
me op eens kloppen.
"Antje vroeg me om even binnen te komen en daar ze
[97:]
vroeger bij ons
gediend heeft en mama heel veel van haar houdt...."
"Uw mama weet zeker niet wat er met haar gebeurd is in den laatsten
tijd... "
"Neen, maar zij scheen behoefte te hebben om haar hart uit te storten
en vertelde 't mij."
"Vertelde zij 't u ? Waarlijk, ze moet alle gevoel hebben uitgeschud
om aan u zulk een bekentenis te kunnen doen! Het spijt mij," gaat
hij op haastiger toon voort, "dat ik niet eerder gekomen ben, dan
had ik het u kunnen besparen." En dan als tot zich zelf sprekend:
"Die onbeschaamde! begrijpt ze dan niet dat er oogen zijn, te rein
om het kwaad te zien? Maar neen, dat kan zulk een schepsel zich niet
voorstellen."
"Neen, mijnheer Deltrès, zoo moet u niet over Antje spreken.
Als u eens wist hoe goedhartig en liefderijk ze is! Toen papa ziek was
heeft ze hem van 't begin tot het einde opgepast - en papa is heel lang
ziek geweest want hij had de tering - maar ze werd nooit moe hem te
verzorgen en bij hem te waken; niets was haar te veel!"
"Ik twijfel niet, jufvrouw Van Slooten, of zij een goede dienstbode
geweest is, maar ze is een misdadig vrouw en sedert ze misdadig is,
heeft ze alle recht op uwe genegenheid verloren. Ik ben zeker dat, wanneer
uw mama alles omtrent haar wist, zij haar aan haar lot zou overlaten
en hoogstens nog medelijden voor haar gevoelen."
"Ik zie wel," zegt Florence met een glimlach, "dat u
mama in 't geheel niet kent. Zij zal het arme mensch helpen en goed
voor haar zijn, zooals ze voor iedereen is, en beproeven om haar weder
op den rechten weg te brengen. En o, mijnheer Deltrès, als u
haar had hooren vertellen, zooals ik het daareven hoorde, hoe ze tot
dien misstap gekomen is en hoe lief, hoe innig lief ze dien zeeman had,
als u haar tranen, haar berouw hadt gezien, dan zoudt u ook medelijden
met haar hebben gehad."
[98:]
"Medelijden
?
ik medelijden met een misdadige vrouw? Nooit!"
"Maar u zult toch niet zoo streng, zoo, ik, zou haast zeggen, hardvochtig
zijn om alle menschen die iets verkeerds doen onvoorwaardelijk te veroordeelen?"
"Niet alle menschen die iets verkeerds doen, maar wel onvoorwaardelijk
zonder eenige uitzondering, zonder eenig medelijden, eenige verontschuldiging,
alle vrouwen die zich schuldig maken aan een misstap als welke vrouw
Arent beging. Ik kan mij zelfs niet voorstellen hoe iemand zulke schepsels
nog verdedigt en, wat mij betreft, ik veracht ze, ik noem ze ellendige
bedriegsters, die de heiligste eeden schenden en spotten met de gewichtigste
geloften die ze eenmaal voor God en menschen aflegden; ik noem het ellendige
bedriegsters, want ze koesteren een liefde die zonde is en ze huichelen
een genegenheid die ze niet gevoelen kunnen. En meent ge dat zulk een
vrouw nog medelijden verdient? Medelijden? Schande, schande over haar!
Geen medelijden, voor zulke vrouwen, geen genade voor haar, noch bij
God noch bij de menschen!"
Ze stonden dicht bij een lantaren en toen Florence verschrikt en ontsteld
over zoo veel heftigheid stilstond en hem angstig aanstaarde, bespeurde
ze bij het schijnsel van het gaslicht hoe zijn anders bleek gelaat meteen
donkeren gloed was overtogen, hoe zijn oogen vlammen schoten en zijn
lip zich toornig krulde.
Graaf Deltrès ziet dien angstigen blik, de huivering die haar
doorvaart en hij brengt langzaam de hand aan het voorhoofd en vraagt
dan op zachter toon: "lk heb u toch niet verschrikt, jufvrouw Van
Slooten? Het is heel dwaas van mij, me zoo boos te maken! Ge wilt me
wel verontschuldigen, niet waar?"
"O het is niets, volstrekt niets," zegt Florence, "Ik
zal doen als de kinderen en zeggen dat het uwe schuld is even goed als
de mijne, want ziet ge, ik kon
[99:]
het niet aanhooren
dat zulke reine lippen zich niet de verdediging der zonde zouden belasten."
"Ik dacht dat ik er goed aan deed," zegt het meisje aarzelend.
"Het is zeker goed om zacht te zijn in het oordeelen, maar men
moet wel weten wat men verdedigt. Gij die eigenlijk niet eens kunt begrijpen,
hoe zwaar een gehuwde vrouw zich aan haar plicht kan vergrijpen, gij
die nooit van nabij de gevolgen van zulke misstappen zaagt, die niet
weet wat ze beteekenen voor den echtgenoot, voor den zoon, voor de dochter,
gij die eene moeder hebt, wie ge liefhebben kunt en eeren - hoe zoudt
gij weten wat zulk eene vrouw misdoet?"
Zij vroeg zich af of dit eigenlijk niet een vreemd gesprek was om te
voeren met een jong heer - maar hij was zoo geheel anders als andere
jonge heeren, hij was zoo ernstig, zoo streng, zoo - om geheel te vertrouwen!
De afstanden in Stikkel zijn eigenlijk niet geschikt voor gevallen als
dit, waarin het schijnt alsof men elkaar oneindig veel te zeggen heeft.
Zij hebben zóó langzaam geloopen, van tijd tot tijd zelfs
stilgestaan, en toch is Florence reeds bijna te huis. Deltrès
schelt; en dan, als door een zelfde gedachte gedreven, geven ze elkaar
de hand; niets buitengewoons; en Florence, die alle menschen als haar
vrienden beschouwt, maar een groote bizonderheid voor Deltrès.
"Wilt u niet binnenkomen? Mama zou liet zoo prettig vinden!"
"Ik zou het gaarne doen, maar kan nu onmogelijk. Zoo ik u echter
later eens een bezoek mocht brengen
?"
Eindelijk lieten de beide handen elkander los en ze stond in de gang,
droomend, peinzend, verward, nog steeds luisterend naar die stem, zoo
gevoelvol en diep.
'Een oogenblik later schrikt mevrouw Van Slooten op
[100:]
door het binnenstormen
van Florence. "Mama., mama, ik heb hem gevonden!"
"Wie, kind?"
"De stem, den man van de stem, bedoel ik; - graaf Deltrès.