XXX. (= 29)
O
anges du ciel! recevez Bon áme, et
laissez-nous sur la terre le Bouvenir de
ses actions, le souvenir de ses pensées,
le souvenir de espérances!
Mme DE STAEL.
Nog steeds loopt
Stikkel zijn tredmolen pas. Nog steeds heerscht in de ledige straten
die doodelijke stilte, die de enkele voorbijgangers doet herkennen aan
,hun stap, diezelfde doffe gelijkmatigheid in daden en gedachten; dizelfde
vervelend, eentoonige trek ligt op aangezichten, huizen en gebouwen;
nog steeds is men er minstens tien jaar ten achter en klemt men er zich
vast aan beginselen die een kwart eeuw geleden reeds verouderd waren,
nog steeds acht men er zich gerechtigd enkelen te bespotten en uit te
werpen, die, uit de een of andere groote plaats of uit een of ander
werelddeel daar aangekomen, anders doen, anders denken en spreken, dan,
volgens den eenmaal aangenomen regel der Sikkelaars, ieder denken, spreken
en doen moet.
De bewoners van het lieve stadje zouden ons echter zeer verbaasd aanstaren,
als we beweerden, dat in de twee jaren, waarin we Stikkel niet bezochten,
daar niets veranderd is. Integendeel, er hebben groote veranderingen
plaats gehad. De burgemeester heeft zich zoo driftig gemaakt in den
raad dat hij tengevolge daarvan aan een
[298:]
zenuwberoerte is
overleden; zijn opvolger wekt de algemeene ergernis, niettegenstaande
men moet bekennen, dat hij zijn uiterste best doet - de man heeft nieuwe
idéesl
Dit is niet de eenige verandering! Er zijn in het keurig onderhouden
plantsoen eenige dennen aangebracht, daar waar vroeger beuken stonden;
een bruggetje is gebouw over een gracht, hetgeen - altijd volgens de
Stikkelaars - een prachtig effect maakt, zoo iets van een Zwitsersch
landschap; er zijn eenige nieuwe huizen en een bewaarschool verrezen,
en, op korten afstand van de stad, heeft graaf Deltrès een prachtige
villa laten bouwen, die bewoond wordt door hem en mevrouw Van Slooten,
en uit welker kamers men het uitzicht heeft op - het kerkhof.
En ja, dat is nu juist het groote nieuws in Stikkel - het kerkhof!
Daar was een plek - niet afgesproken, want dat had ze niet gewild -
een plek, waar bloemen bloeiden en geurden, zoo liefelijk als het bloempje,
boven welks vroegtijdig graf teedere handen ze hadden geplant!
Maar - en dit was het bezienswaardige, het belangwekkende dat de Stikkelaars
logées en bezoekers deed voeren naar Florence's graf - te midden
van rozen en vergeet-mij-niet verhief zich daar een groot en prachtig
marmerbeeld. Het scheen door een kunstenaar in den waren zin van 't
woord vervaardigd, want niet slechts was de vorm en bewerking van het
marmer fijn en onberispelijk, maar ook het geheel was zinrijk gedacht;
aan de voeten van een ranke meisjesgestalte zag men bloemen gestrooid,
en in die bloemen schenen kleine slangen en adders te ontstaan, die,
zich verheffend uit rozeknop en lelie, trachtten op te klimmen en naar
boven te kruipen - te vergeefs echter! de slanke meisjesfiguur ontwikkelde
zich tot het gelaat en de houding van een engel, die zich scheen te
hebben losgemaakt van het voetstuk, van de aarde met haar bloemen en
haar laster, om, met het reine
[299:]
lieve kindergelaat,
door golvende lol,ken omkranst, opwaarts te zweven, naar den hemel!
Naar dit plekje op het kerkhof voerden de Stikkelaars hunne bezoekers,
met trots wezen ze op dit schoone marmerbeeld!
Met trots? Gij, Stikkelaars; die daar Florence's graf wijst aan vreemden
en bekenden, in plaats van u te verheffen in het bezit daarvan,moest
ge het hoofd buigen en vol schaamte en zelfverwijt u verwijderen van
de plaats.
Of weet ge dan niet waarvan het is dat dit monument spreekt'?
Het spreekt van u, Stikkelaars, - het verhaalt een lange geschiedenis
van uw kleingeestige bemoeizucht, die geen jong hart ongestoord kan
laten genieten van jeugd en vreugd en levenslust, die uw hatelijke vitlust
botviert en de daden van elk uwer stadgenooten toetst aan denzelfden
toetssteen, waaraan die uwer stijve grootmoeders en nog stijvere kleindochters
getoetst werden. Het spreekt ook - niet van u allen, maar van enkelen
onder u - die het arme kind, dat nu zoo rusti,g slaapt onder hare bloemen,
hebben gewond en gegriefd, die misbruik hebben gemaakt van hare argelooze
onvoerzichtigheid, om op meedoogenlooze wijze den argwaan te doen ontbranden
in de borst van hem, die haar liefhad!.;..
Buig uw hoofd of wend het af met een traan en een blos van dit graf,
gij kleingeestige, kwaadsprekende, nietige Stikkelaars, gij allen, kleinsteedsche
bewoners van kleine steden, - want dat graf, waarin jeugd en schoonheid
sluimeren, verhaalt een geschiedenis, die aan geen uwer vreemd kan zijn.
Immers, hetzelfde drama, dat twee jaar geleden in Stikkel werd afgespeeld
wordt nu of dan, vroeg of laat, opgevoerd in alle kleine steden; een
jong hart - hetzij het daar klopt in een zachten meisjes boezem of in
de fiere borst eens jongelings - vol levenslust en levenskracht, de
wereld blijde begroetend in het geloof, dat men leeft
[300:]
om te beminnen,
te genieten en gelukkig te zijn, - niet om te letten op ieder woord,
iedere beweging; niet om te vreezen, dat nijdige oogen en booze tongen
gereed zijn om de minste onvoorzichtigheid op te merken en te verergeren,
- om te gelooven en te vertrouwen en aan alle kanten zich bekneld te
vinden door stijve vormen en verouderde begrippen, zich bespot te zien
en bespied en besproken, eindelijk zich gehoond en belasterd te weten
door stadgenooten.
Het is een drama, dat telkens en telkens weer zal worden gegeven in
de kleine steden, zoolang nijd en afgunst daar wonen, zoolang verbitterde
harten zich luchtgeven in verbittering, zoolang oude jufvrouwen en nietsdoeners
hunne buren bespieden, zoolang er in fatsoenlijke gezelschappen nog
kwaad gesproken wordt, zoolang de vrouwen geen betere en degelijker
onderwerpen hebben voor hare gesprekken, dan de woorden en daden harer
vriendinnen.
Maar de Stikkelaars begrepen of wilden volstrekt niet begrijpen, hoeveel
zij hadden toegebracht tot het leed van het kind, dat zoo gaarne zou
hebben blijven gelooven aan de schoone wereld en haar glans en haar
genot; daar de gewone wandeling over de dichtbij gelegen plantsoenen
en de nieuw aangelegde plantage voert, gaan zeer velen het kerkhof voorbij,
de meesten zonder een blik of gedachte te wijden aan haar, die daar
rust, anderen met een oog van bewondering het fraaie beeld aanstarend,
weer andocen met een enkel woord van "kleine Flore" gewagend
en maar zeer enkelen het hoofd afwendend - met schaamte en berouw!
Onder die enkelen behooren Terstaent en Louise. Zie hen langzaam naderkomen;
zij leunt op den arm van den vroeg verouderden echtgenoot, en aan zijn
hand houdt hij een knaapje, dat met wankelende schreden hun zachten
stap bijhoudt. Het doet ons goed hen zoo te zien, ons, die hen dikwerf
zagen, niet naast, maar tegenover el
[301:]
kander staande,
met woorden en blikken, alsof het huwelijk een band ware, die de verbondenen
tot altijddurenden strijd, in plaats van tot altijddurende liefde roept.
Zij verhaasten plotseling hun stap en gaan, wat al te haastig wellicht
,'oor het knaapje aan papa's hand, het stille kerkhof voorbij; het gesprek,
straks levendig, kwijnt nu, maar het kind iSteekt zijn handjes uit naar
het mooie witte beeld en de bloeiende rozen aan deszelfs voet.
Louise staat een oogenblili stil. Dan neemt ze haar zoontje op om hem
het sta tue naderbij te brengen, en zegt op een zoo zachten toon, als
wij maar zelden van haar hoorden, tot Verstaent: "Waarom zou je
haar graf niet durven naderen, Willem? O, geloof me, als Florence nog
op deze aarde was, zou ze je reeds lang de hand der verzoening hebben
gereikt, - en Willem, je weet het, je hebt ieders en ook haar vergiffenis
dubbel verdiend' - kom beste man! Geef papa een handje, Wim!"
En ze traden nu zeer nabij en staarden lang en ernstig in dat engelen
gelaat , zich keerend naar den hemel, ze spraken van het verleden en
van zooveel verkeerds dat achter hen lag, en, niettegenstaande die droeve
herinnering, gevoelden beiden zich gelukkig, als ze opzagen in elkanders
oog en daarin de zoolang gemiste liefde, het wedergekeerd vertrouwen
lazen.
Maar eensklaps huiverde Louise, eensklaps drukte Verstaent de handen
voor het gloeiend gelaat, 't was toen hun knaapje vroeg, in zijn kinderlijke
taal: "wat dat beteekende, die slangen, zich losmakend uit de bloemen!"
Kort na hen wandelde er een vroolijk en zeer gelukkig paartje langs
het kerkhof; de jonge vrouw sprak slechts eenige weinige vriendelijke
woorden over haar, die ze had getroost en beschermd op dien noodlottigen
dag, toen Florence het ontdekken moest, dat haar geliefde was heengegaan
zonder groet of belofte: daarop ging ze weer voort op haar vroolijk
schertsenden toon: "We moeten naar
[302:]
huis, Bekvis, Jootje
zal alweer roepen om mama!"
"Dat kan wel zijn, maar 't is zulk mooi weer, Christien!"
"Wat! moet het kind daarom dan verhongeren? Mijn hemel! als de
papa's eens voor de kinderen zorgen moesten - ik geloof niet, dat er
één groot werd!"
Bekvis is van hetzelfde gevoelen, maar vindt het toch 'onnoodig zooveel
haast te maken.
"En ik wou nog aan Agatha schrijven van avond, mijn brief is pas
half af en je moet er ook een woordje bijvoegen, Bekvis. Ik heb haar
al heel veel verteld van kleine Jo en heb ook geschreven, dat ik me
niet begrijpen kan, hoe ze, nu ze toch in de gelegenheid is geweest
om te trouwen, maar steeds blijft verkiezen als oude vrijster te sterven.
Ik heb haar voorgespiegeld, hoe prettig het is om getrouwd te zijn -
ten minste als men zoo'n man en zoo'n kind heeft als ik - en, dat het
nu wel heel aardig is om institutrice, maar nog veel aardiger om mama
te wezen!"
"Je moet bedenken, Chris, dat ze nu zoo'n mooie betrekking heeft,
dat ze die niet licht zal opgeven en ook - het is altijd haar lievelingsidée
geweest, in eigen onderhoud te voorzien en zich nuttig te maken in de
maatschappij; welnu, dat doet ze beide! wat kan men meer voor haar wenschen?"
"O ja, ik, geloof haast niet, dat ze gelukkiger zou kunnen worden,
dan ze op dit oogenblik is !"
'"En dat ze goede zaken maakt, bewijzen de sommen, die ze mama
telkens overzendt. En nu die uitnoodiging aan de meisjes!"
"Ja zeker, zeker! Nu, ik juich het van ganscher harte toe dat Dota
en Marie naar Indië gaan - vooral, daar mama de passage niet behoeft
te betalen - en ik twijfel niet of ze zullen daar wel spoedig eene goede
partij doen. Ik wou alleen maar dat Agatha in plaats van Marie, Georgette
had gevraagd om over te komen, want -
[303:]
vind je ook niet,
dat Georgette in den laatsten tijd ondragelijk wordt."
"Ik geloof, dat ze zoo voortdurend uit haar humeur is omdat zo
niet meer zooveel wordt uitgevraagd als vroeger!"
"Ja, de menschen schijnen het tegenwoordig zonder haar te kunnen
stellen, en dat de Verstaents haar het huis hebben verboden, heeft haar
geen goed gedaan. Maar, ze heeft het verdiend, al was hey alleen aan
Florence!"
Ze traden nu hun kleine woning vol huwelijkszegen en geluk binnen, en
toen Christien aan de eischen van den kleinen Joachim had voldaan, legde
zij haar hand in die van den grooten. en zeide, met een van haar plotselinge
invallen: "Wat is het toch een goed idée van ons geweest
om zamen te trouwen!" en Bekvis stemde haar dit gaarne toe.
Het is heden de dag vóór het huwelijk van Estella Lerken
met Jan Twint; tot nu toe werd het uitgesteld om den dood harer moeder,
die zeer lang sukkelend bleef en wier humeur er niet op verbeterde,
gedurende de ziekte. Estella heeft haar opgepast- en verzorgd met een
liefde zoo trouw, zoo onvermoeid, alsof de zieke haar nooit iets anders
dan genegenheid had betoond, en Twint, die het aanzag, hoe ze zich zelve
vergat en verloochende, leerde zijn verloofde liefhebben en eeren als
een heilige!
Eindefijk, na veel en morrend verduurd lijden, was er een eind gekomen
aan het leven, dat meer dan één tot verderf en maar zeer
weinigen tot vreugde was geweest, en, hoewel de dochter een zucht van
verlichting niet kon weerhouden, toen de moeder de oogen sloot, schreide
ze toch bittere tranen bij haar doodsbed, want niettegenstaande al haar
pogingen, keerde de ziel terug tot haren Schepper, beladen met vele
zonden, en zonder zelfs de gedachte aan berouw te hebben gekend.
[304:]
Morgen, op Stella's
trouwdag, zou het een dubbel feest, een dubbele verbintenis zijn! Ferdinand
had weer een van zijn dwaze dingen gedaan. Op een balavond - want hij
kon nu weer met een gerust geweten aan alle pretjes deelnemen -- leerde
hij een allerliefst blondinetje kennen, met een zacht gezichtje en een
melodieuse stem - en vroeg haar.
Gelukkig voor hem, en tot groote geruststelling zijner zuster, bleek
het, bij nader onderzoek, dat het blonde gezichtje niet haar eenige
schat was - het lieve kind was gefortuneerd, en Ferdinand de gelukkigste
onder de menschen!
Wat den ouden man betreft, hij was vrij wat opgeleefd, sinds de doordringende
oogen zijner vrouw hem niet meer aanstaarden, sinds hij hare verwijtingen
en bevelen niet nleer behoefde te hooren, en, toen hem de keuze werd
gelaten, wie te volgen, Ferdinand of Estella, koos hij, hoewel ook zijn
zoon hem gaarne zou hebben bij zich genomen, haar, en ze dankte hem
voor die onderscheiding en maakte de vroolijkste kamer van haar nieuwe
woning voor hem in gereedheid!
En nu - vóór ze gade wordt, voor ze haar jongemeisjesleven
zoo rijk aan zorg en beproeving, maar zoo rijk aan zelfverloochening
en plichtsbetrachting tevens, vaarwel zegt, wil ze nog eenmaal in de
stilte van dezen vrieudelijken zomeravond haar herdenken, die door teedere
vriendschap een lichtstraal wierp op dat kommervolle leven, wil ze zich
nogmaals harer herinneren, die door kinderlijk vertrouwen en onschuldige
scherts menigmalen haar hart verzachtte, wanneer het op het punt stond
los te barsten in bitterheid over de wereld en het lot haar opgelegd.
Stella leunt dichter aan den geliefde en het gelaat van bruid en bruigom
staat hoog ernstig als hij den naam noemt van hun beider vriendin.
"Ge zijt ook zoo goed voor haar geweest, Jan," zegt
[305:]
Estella eindelijk,
op half fluisterenden toon, "ik geloof, dat ik daardoor het eerst
leerde je lief te hebben."
"En ik - ik herinner me nog, wanneer ik op die gedachte kwam. Ik
vond u te zamen, je laast haar voor uit den bijbel, geloof ik - en zij
luisterde met gevouwen handen."
"Ja, ik las haar dikwerf daaruit voor. Ze was zoo van ganscher
harte vroom, die lieve Flore! zoo zonder eenig vertoon en toch zoo innig.."
"Hoe had ze anders kunnen zijn, Stella, met zulk een moeder, zulk
een vriendin!"
"Mijn beste Jan," zegt Stella, na een lange pauze, "wil
je me, den avond vóór ons huwelijk, nog een groot genoegen
doen, zeg me dan, hier, bij Florence's graf, - was zij het niet die
je aanraadde mij te kiezen tot je vrouw?"
Hij drukt de hand, die rust op zijn arm. "Ja, ze ried het mij aan;
ze vertelde me zoo veel goeds, zoo veel edels van je, dat "
"Die lieve, trouwe Flore! Nog' op haar ziekbed het geluk van haar
vriendin te bewerken! O Jan, ze heeft me een onuitsprekelijk grooten
dienst gedaan!" En Estelia ziet haar bruidegom aan met teedere
liefde. "En mij niet minder! Ik dank er haar dagelijks voor in
mijn hart
Ach, Stella, ik wenschte dat het lieve kind nog bij
ons was!"
"Wenscht ge dat? Zeg, Twint, is er niet veel meer egoisme dan we
zelve denken in dien wensch? Zoudt ge het dan een geluk vinden voor
haar om terug te keeren tot de aarde? Ik zag hedenmorgen, toen we te
zamen in den tuin waren, een vlinder fladderen van het eene perk naar
het andere, hij zette zich nu op deze, dan op gene bloem, maar scheen
nergens te vinden, wat hij zocht; eindelijk kwamen er kinderen, die
het arme dier vervolgden, hij bewoog zich onrustig, vluchtte en beschadigde
zijne fraaie vleugels aan de harde voorwerpen, die
[306:]
hij ontmoette,
tot hij eensklaps zich verhief in de lucht. Daar fladderde hij niet
meer, maar zweefde, op het koeltje gedragen, steeds hooger en hooger,
buiten alle gevaren, schitterend in den zonneschijn met duizendvoudige
kleuren.
"Die vlinder behoorlie te huis dicht bij de zon, dicht bij de blauwe
wolken, en, zooals die vlinder, was het ook Florence te moede op deze
aarde, die toch bij al haar bloemen ook zooveel steenen en ruwe doornen
biedt. De aarde was niet schoon, niet liefelijk genoeg voor een zoo
teergevoelige ziel als de hare; overal vond ze scherpe tongen, die haar
wondden, ruwe handen, die haar droombeelden vernietigden, wreede harde
waarheden, in plaats van zoete mijmerijen - neen, ik wensch het arme
kind niet terug; zij kon slechts gelukkig zijn in een sfeer van liefde
en vreugde, zij moest als de vlinder vertoeven, daar waar ze thuis behoort
- in den hemel!"
't Is terwijl ze lang en veel over haar spreken, alsof de geest der
afgestorvene hen omzweeft, alsof ze al de lieve en teedere woorden,
die ze eenmaal tot haar had gesproken, kwam terugroepen voor hunnen
geest, alsof ze weer was gekeerd naar de aarde, om op hen den heiligen
den invloed te oefenen, die een zachte onderworpenheid en geloovige
berusting, als de hare eenmaal geweest was, weet te geven.
Toen de bruid neerknielde aan het graf der geliefde vriendin en daar
bad om zooveel, wat wij vrouwen behoeven op dat groote keerpunt van
het leven, waarop we breken met het verleden en een geheel nieuwe toekomst
tegengaan, was het, of de bloemen op Florence's graf zich openden en
sterker geurden, om te spreken van liefde en geloof en onderwerping
aan den heiligen wil des Vaders.. . .
De bloemen hadden zich gesloten en het marmerbeeld was nog slechts in
flauwe omtrekken zichtbaar tegen den donkeren achtergrond; 't werd zoo
stil en rustig op het
[307:]
kerkhof, dat men
het geringste windje suizen, het lichtste blaadje ritselen hoorde, het
aardrijl, was kalm en vredig, alsof het geen worstelende menschenzielen
droeg, alsof geen afgetobde, gebroken harten rustten in zijn schoot;
ieder geruisch, hoe gering ook, werd meer en meer hoorbaar en 't scheen
eindelijk of de dooden waren opgestaan uit hun graven om zuchtend te
fluisteren over het weleer, het weleer, zoo schoon en liefelijk, of
wellicht ook zoo zwart bevlekt, dat ze het te niet zouden willen doen
met uI de schatten die hen eenmaal ten dienste stonden.
Slechts de sterren flonkeren, als wilden ze het aan de arme stervelingen
vertellen, hoeveel rustiger het eenmaal zijn zal Daarboven, en, naar
die flonkerende starren zien dan ook de beide wandelaars op, die nog
zoo laat in den avond den akker der dooden komen bezoeken.
Florence's droom is vervuld! Leunend op den arm van den graaf, wel veranderd
maar toch met dienzelfden hoopvollen glimlach, met dienzelfden trek
van stille berusting op het edel gelaat, nadert de beroofde moeder de
laatste rustplaats van haar, die ze met afgodische liefde bemind, met
zooveel droeve tranen beweend heeft.
Grijsheid en ouderdom zijn gekomen vóór den tijd, zoowel
bij de kinderlooze weduwe, als bij den man, die nu zoo weinig meer heeft
te hopen van het leven. Maar toch, als ze langzaam voortgaan en hij
met zoo teedere zorg iederen steen, iedere oneffenheid vermijdt voor
zijn gezellin, en zij zoo vol vertrouwen op hem leunt, dan is het hen
aan te zien, dat Florence's droom waarheid is geworden in de schoonste
en rijkste beteekenis, dat, zoo Hugo nimmer een moeder bezat, die hij
achten en liefhebben kon, hij thans mevrouw Van Slooten eerbiedigt en
vereert als een moeder, dat - zoo zij haar dochter missen moest, ze
daarvoor in de plaats ontving een zoon, niet door de banden des bloeds,
maar door die van de zuiverste vriendschap, de innigste genegenheid
aan haar verbonden.
Er- is een bank geplaatst in het midden van het groen
[308:]
en daarop zet mevrouw
Van Slooten. zich neder; langen tijd staat Hugo aan hare zijde, den
blik gewend naar de fonkerende sterren, zonder dat tusschen hen beiden
een woord wordt gewisseld.
Eindelijl, ontwaakt mevrouw Van Slooten uit haar gepeins.
"O, Hugo, ik zou niet wenschen al de raadselen der eeuwigheid,
al de geheimen van het leven na dit leven, voor mij te zien opengelegd,
maar ik zou willen weten, of de dooden bekend zijn met het lot van hen,
die hen eenma,"ll dierbaar waren, ik zou willen weten of Florence
aan ons denkt, ons ziet en hoort. . . ."
"Het is met dezen twijfel als met de meesten; hij doet ons pijn
en we doen ons zeIven geweld aan om te blijven gelooven; maar toch...
.!"
"Neen , neen Hugo... ik wil gelooven, ik wil mij vast overtuigd
houden, dat zij alles weet, alles ziet, alles hoort, nog voor en met
ons gevoelt; ik wil iederen twijfel, die daaraan mocht onstaan in mijn
hart, weren met alle kracht! O 't Is zoo zoet, Hugo, te gelooven, dat
ze van uit den hemel, heeft gezien, hoe we haar misten en betreurden,
hoe we haar terug wenschten aan onze zijde. ., 't is zoo zoet te denken,
dat ze u de vergiffenis heeft geschonken, die ge haar zoo dikwerf hebt
afgesmeekt, toen ge eindelijk overtuigd waart van haar volkomene onschuld!
- - -
"Is het geen gelukkige, geen heerlijke gedachte, Hugo, dat zij
wellicht God heeft gevraagd uw wanhoop te bedaren, mijn smart te matigen;
dat ze het wellicht heeft gehoord, hoe ik u verhaalde van haar onderwerping,
haar stille, lijdzame droefheid. .. dat ge uw God en uw geloof en uw
levensmoed hebt weergevonden, door den raad haar door u gegeven; kracht
te zoeken in het gebed; door de herinnering aan hare vroomheid, haar
kinderlijk geloof!
"Laat ons denken, Hugo, dat zij het weet, hoe ge haar hebt geëerd
na haren dood; hoe ge hare moeder hebt verzorgd met een liefde en teerheid,
gelijk aan de
[309:]
hare, hoe ge u
beijverd hebt om, zoover als u dat mogelijk, was, mij te vergoeden wat
ik verloor in haar. Laat ons gelooven, dat zij zich verheugd heeft,
daarin, dat ik u van ganscher harte vergeven heb al het leed, dat ge
mij onwetend hebt aangedaan, daarin, dat ge geleerd hebt den naam uwer
moeder uit te spreken met gevoelens van medelijden en vergevensgezindheid,
dien uwer vijanden zonder hadt of wrok; daarin, dat ge zoo ten volle
waardig zijt den naam te drarzen, dien zij wenschte, dat ik u geven
zoude, en waarmede ik u noem uit den grond van mijn hart: Mijn zoon!"
"O moeder, mijn lieve, lieve moeder!" - - -
't Is nog stiller geworden op het kerkhof; zelfs de dood en schijnen
te hebben opgehouden met fluisteren; zelfs het verwijderd gerucht der
menschenstemmen en het suizen van den wind zwijgt, maar nog steeds fonkelen
de sterren aan rlen blauwen trans en, als moeder en zoon elkaar omvat
houden in een lange stomme omarming, en zwijgend opzien naar het marmerbeeld,
komt de maan zachtkens te voorschijn van achter de donkere wolken en
een harer zilverstralen verlicht nu het engelengelaat, dat met heilige
vreugde bezield, schijnt neer te zien op de beiden, die Florence's laatsten
wensch hebben vervuld.