II.
Fernand en zijn
moeder kwamen met den laatsten trein in de stad terug, Niemand ontving
hen dan Bruno en Emilie; de eerste was een kwartier te voren reeds zoo
zenuwachtig, dat hij elk oogenblik zijn brilletje van de oogen nam en
met zijn bonten zakdoek zorgvuldig de glazen afveegde, tot groote verveling
van Emilie, die echter, toen mevrouw en haar zoon op 't perron stapten,
het tot haar plicht rekende met haar zakdoekje langs neus en oogen te
wrijven.
"Daar zijn we weer," riep Fernand vroolijk en drukte beider
handen. Zijn mama kuste Emilie en begroette Bruno zeer hartelijk.
"Zijn we niet lang uit geweest? Dat had u niet gedacht, mijnheer
Bruno! Wat is u dik geworden, Emilie!"
"Dat kan ik wel van u zeggen, mevrouw, wat ziet u er goed uit."
"Ik heb een goed leven gehad, niet waar, Fernand?"
"Leeuwenburgh zal ons erg afvallen, gelooft u niet, mama! Kom,
mijnheer Bruno, u kan die valiezen niet dragen, laat dat mijn jonge
en krachtige armen over."
Toen ze weer in de helder verlichte zaal van Leeuwenburgh voor een keurig
soupéetje zaten, glimlachte mevrouw tevreden en zeide tot Fernand:
"Oost, west, t'huis best!"
[43:]
"Ja,"
antwoordde hij, "ik geloof 't ook!"
"Maar, mevrouw," begon Emilie, "waar is u toch zoo al
geweest? Niemand in de heele stad ging, geloof ik, ooit zoo ver."
"Dat is zeker! Wat zult ge ontwikkeld zijn, Fernand!" sprak
Bruno en zag zijn oud-leerling bewonderend aan.
"En ik dan," lachte mevrouw, "ik ben een savante, een
blauwkous geworden, vooral in Griekenland, waar ik zoo'n klassieken
tint heb opgedaan. 't Is goed, Emilie, dat we in Frankrijk wat gemoderniseerd
zijn, anders hadt ge mij teruggezien als een Hypatia."
"We hebben genoten, en dubbel door elkanders gezelschap,"
verzekerde Fernand.
"Maar we hebben onzen tijd niet verloren, dat zult ge eens zien
mijnheer Bruno, wat er zoo al onderweg is klaar gekomen."
Fernand was een flinke man geworden. Zijn gelaat was fijn besneden en
zoo zijn houding minder mannelijk ware geweest, had men het licht te
regelmatig gevonden voor een man, vooral daar hij slechts hoogst zeldzaam,
niettegenstaande zijn sterke gezondheid, kleur had; maar zijn oogen
waren te levendig, te geestig ondeugend dikwijls om hem dan ook maar
eenigszins
het voorkomen te geven van een sentimenteelen dweper.
Hij droeg lorgnet noch monocle, en kleedde zich, hoe onberispelijk ook,
niet overdreven keurig; eerst op reis was hij begonnen baard en knevel
à la Henri IV te laten groeien, waardoor hij er ouder uitzag,
dan anders wel het geval zou zijn.
Mevrouw was natuurlijk niet meer de jonge, elegante weduwe van twaalf
jaar geleden, hoewel de tweede eigenschap haar nog geheel bijgebleven
was; de eerste werd weersproken door een soort van zilveren waas, die
over haar donkere lokken uitgespreid lag, en door eenige trekken om
oogen en mond, die op den eenen dag duidelijker dan op den anderen te
bespeuren waren. Hun verhouding was door de jaren, welke zij alleen
in den vreemde hadden doorgebracht, nog inniger geworden. Mevrouw leunde
op haar zoon en kon zich de aangename overtuiging schenken, dat hoewel
uiterlijk door hem gesteund, zij innerlijk nog steeds zijn leidsvrouw
was.
Den volgenden morgen ging Fernand naar de stad, maakte eenige bezoeken
en naar huis keerend, zag hij de onveranderde woning der Van Noordens
staan; het verlangen bekroop hem eens den ingebeelden, verwaanden kapitein
terug te zien, zijn sloof van een vrouw en dat domme kuiken van een
Nora.
Zoo weinig vleiend betitelde hij hen in zijn geest, terwijl hij aanbelde.
En kleine, onoogelijke meid deed hem open en daar het salon nog altijd
op de meubels wachtte, liet zij mijnheer dadelijk in de huiskamer, waar
het alles behalve ordelijk uitzag.
Nora stond voor de tafel en sneed brood voor de kinderen, zoo wat in
dezelfde houding als de Charlotte uit Werther op
[44:]
Kaulbach's schilderij,
maar de poëzie, die over dat kunsttafereel ligt uitgespreid, ontbrak
hier geheel.
Nora liep op pantoffels en had een kort huisjaponnetje aan van gestreepte
blauwe en zwarte wollen stof, dat ze reeds een winter had gedragen en
waarin zij veel kleiner scheen dan in een andere kleeding; haar dik
en werkelijk mooi haar hing in een netje en was van voren gladgestreken;
de kinderen kropen op het tapijt, of speelden met stukken gebroken speelgoed
op canapé en stoelen.
"Fernand... Mijnheer Van Leeuwenburgh," riep Nora verschrikt.
"Zullen we dus mijnheeren en juffrouwen? U heeft het maar te zeggen,
juffrouw Van Noorden."
Zij glimlachte, stak hem de hand toe en zeide eenvoudig:
"Welkom thuis, Fernand!"
"Je zijt niet gegroeid, Nora, ik dacht eerst dat het je zusje was,
waar is die?"
"Bij mama in de keuken."
"En hoe gaat het je ouders?"
In afwachting dat mevrouw voor kwam liep het gesprek over allerlei onverschillige
dingen en toen deze binnentrad werd het nog niets interessanter.
Na een kwartiertje stond Fernand dan ook op en nam afscheid.
Juist toen hij over het bruggetje stapte, naderde de kapitein uit de
stad; hij merkte tot zijn groot misnoegen, dat Fernand zijn familie
in négligé had overvallen; de afstand was te groot dan
dat zij elkander nog konden ontmoeten.
Zeer teleurgesteld trad hij in de huiskamer en beet Nora toe:
"Zag jij er zoo uit toen mijnheer Van. Leeuwenburgh binnenkwam?"
"Natuurlijk, pa!"
"Liet de meid hem dan maar dadelijk in de huiskamer?"
"Ja, waar anders?"
"Dat moet verholpen worden. 't Gaat zoo niet langer; de kinderen
worden groot en het past niet dat een jongmensch een meisje in zoo'n
toilet ziet. Ik begrijp ook niet dat je thuis altijd gekleed bent als
een asschepoester. Zie nu zoo'n mevrouw Van Leeuwenburgh aan; wanneer
of je haar ook overvalt, altijd is ze elegant en netjes, maar jij en
mama, die zijn 's morgens met geen tang aan te raken."
"Dat kan je ons niet verwijten, Van Noorden," sprak mevrouw
bedaard, "we zijn niet rijk genoeg om thuis zulk een toilet te
maken als Fernand's mama en zoo we dat deden, zou je nog meer te vitten
hebben op de rekeningen, maar onzindelijk zijn we geen van beiden."
Hij zweeg of liever bromde het een en ander in zijn baard, at met het
knorrigste gelaat der wereld zijn boterham op, stond daarna met een
zeer gewichtige houding van tafel op, ging de
[45:]
kamer heen en weer,
streek zich langs voorhoofd, neus en baard, opende tien keer zijn mond
om dadelijk weer in gepeins te vervallen en sprak eindelijk hoog ernstig:
"Vrouw, ik heb er eens over nagedacht, want jij schijnt het maar
niet te willen begrijpen. Onze Nora wordt of liever is reeds zoo goed
als volwassen, en dus moet zij zich beter kleeden. Ik sta er op dat
zij dezen winter een blauwe japon krijgt, even keurig opgemaakt als
die van de freule en ik..." hier slaakte de zelfopofferende huisvader
een zware zucht, "ik zal het dan maar doen zonder nieuwe overjas."