XIII.
Na dat vriendelijke
bezoek waren eenige jaren voorbijgegaan.
Helaas! zoo snel, dat slechts groote eentonigheid ze gekenmerkt kon
hebben; die eentonigheid was dan ook door niets onderbroken, door geen
brief, geen teeken van leven, dat haar aan de lieve afwezige herinnerde.
De laatste brief, dien zij naar Batavia gezonden had. was teruggekomen
met een "vertrokken zonder opgave van woonplaats" en kort
daarop was mevrouw Beauchamp verschenen met een paar Indische couranten
en had haar reeds dadelijk toegeroepen:
"Wist je er iets van, Rose, je zwager schijnt bankroet te zijn;
lees eens hier, 't staat er duidelijk: het huis Mac-Pherson heeft zijne
betalingen gestaakt en er is vendutie, dat wil zooveel zeggen als verkoop
op verzoek der crediteuren van de failliete firma, van den prachtigen,
zoo goed als nieuwen inboedel van Campbell. Kijk me toch eens aan, wat
een weelde! Een, twee, drie ameublementen, een salon-ameublement, drie
rijtuigen, vier span paarden; dus heeft hij ze daar weer bedrogen. Vader
en dochter schijnen met de Noorderzon vertrokken. 't Is me een. . ."
Zij bedwong zich uit vrees van haar vriendin te ontstemmen en daardoor
de kans te verliezen nadere bijzonderheden te hooren. Maar tante Rose
wist niets, letterlijk niets, ze kon niet anders doen dan voortaan nog
vuriger dan voorheen den Beschermer der Weezen te bidden voor haar arm
kind, dat met een dubbel eerloozen vader, wie weet in welk werelddeel,
rondzwierf.
En zoo ging de tijd om; de eenzame vrouw bad en werkte en
[205:]
wachtte eerst op
morgen, dan op de volgende week, de volgende maand, het volgende jaar
en nu had zij sinds lang alle hoop opgegeven, dit meende zij tenminste,
maar toch geen brievenbesteller kwam aan de deur, er werd op geen ongewonen
tijd gescheld of dadelijk dacht zij:
"Wie weet, misschien is zij het!"
Op dezen avond bleef zij gelukkig alleen; mevrouw Beauchamp overliep
haar niet meer; zij had een andere vriendin, met wie zij beter overweg
kon, heette het, die fijnere soupé's bekostigen kon dan juffrouw
Muller, meenden anderen.
Na haar eenvoudig boterhammetje gegeten en zich nog een kop thee ingeschonken
te hebben, begon zij met hare boeken, een snoeperijtje, dat zij zich
slechts hoogst zelden gunde, want wie heeft wat aan den tijd, dien ik
lezende doorbreng, vroeg zij zich zelf en spoedig was zij geheel en
al geboeid, vergat haar kopje thee uit te drinken en schrikte toen het
11 uur sloeg op de groote klok en tegelijk in de verte het schrille
fluitje klonk van den laatsten trein, die in de stad harer inwoning
aankwam.
Het klonk vandaag duidelijker dan anders; gewoonlijk hoorde zij het
fluitje niet, misschien omdat zij dan al lang de aardsche zorgen vergeten
had, misschien ook omdat de wind zelden de scherpe tonen naar de stad
joeg.
"Wie weet of zij daar niet mee komt," dacht tante Rosalie
en dronk haar kopje leeg. "Dwaasheid, maar ik blijf nog een half
uurtje op, dan zal ik toch wel weten of Silvia hem gekregen heeft."
Slechts weinige reizigers kwamen met den trein aan; het was geen reisseizoen
en de stad, waar de lange rei ledige wagons geregeld eIken nacht uitrustte,
geen druk bezochte badplaats.
Nu vooral, nu de storm over het stationsplein gierde en de regen kietterend
neerviel tegen de glasruiten en de doffe lantaarns, had reizen niets
uitlokkends.
Twee of drie heeren met hoog opgeslagen jaskragen stapten uit; snel
werden de lichten in het stationsgebouw uitgedoofd, de beambten haastten
zich naar huis te gaan, de stationschef gaf in de haast nog eenige bevelen
en een conducteur sloeg de portieren van de stilstaande wagons toe.
Daar beklom hij de trede van een derde klas-wagen, zag door de eenige
beslagen ruit naar binnen en toen dat niet lukte opende hij het portier
en riep een der wachters, die een lantaarn droeg; beiden onderzochten
de coupé.
In een hoek zat een zwarte gedaante in elkander gedoken, en ze zagen
duidelijk dat het een vrouwengestalte was.
"Slaapt u, juffrouw?" vroeg de conducteur, "we zijn aangekomen."
"Zoo," antwoordde een zwak stemmet,je, "waar moet ik
hier blijven? 't Is al zoo laat."
"Ja, dat weet ik niet, maar hier in geen geval."
"Ik kan nergens meer in de stad terecht. Laat me hier tot morgen
ochtend. Ik bid er u om.
[206:]
"Ik kan er
niets aan doen, ik zal er den chef eens over spreken."
Maar de chef was een barsch mensch, erg uit zijn humeur over allerlei
dingen, maar vooral over de groote onrechtvaardigheid zijner supérieuren,
die hem het laatste deden opblijven van al zijne collega's der nabijgelegen
stations, zonder dat zijn salaris er meer om was. De nachttrein, zooals
hij dezen noemde, was zijn grootste plaag.
"Wat, wil je daar slapen, vrijster? Maar verd. . . . wil je wel
eens maken, dat je er uit komt. Gauw, of ik schop je weg! Wat verbeeld
jij je, dat ik hier een logement houd?" bulderde hij.
Reeds bij de eerste woorden was de gedaante opgestaan en een plat valiesje
ter hand nemend, dat naast haar lag, verliet zij de coupé. Zij
zag er armoedig uit, haar zwart kleedje hing slap langs
haar fijne taille, en niettegenstaande het nog in lang geen zomer was,
droeg zij niets meer dan een dunne cape; de hoed scheen in oude dagen
met rouwbloemen versierd te zijn en een donkere voile, die over haar
gelaat afhing.
"Kent u den weg?" vroeg de conducteur medelijdend.
"Jawel, ik dank u," antwoordde zij schier onhoorbaar.
"Waar moet u wezen?"
"Ik weet het niet," hernam ze met hartverscheurende kalmte,
en zonder andere vragen af te wachten, ging zij snel naar de uitgangsdeur
en verdween in den stormachtigen nacht.
't was akelig eenzaam in de straten: het regende. bij buien en de wind
huIlde als een troep hongerige wolven; de uithangborden krasten op hunne
scharnieren.
De zwarte vrouw ging zonder den blik links of rechts te werpen voort,
straat in, straat uit, als iemand, die met den plattegrond der stad
volkomen bekend was.
Eindelijk stond ze stil voor een huisje, in welks eerste verdieping
nog licht brandde, een bijzonderheid, die slechts weinige woningen kenmerkte.
"Nog licht? Dan is zij misschien verhuisd, misschien reeds. . .
. Ach mijn God! Wie kan dat weten, maar ik zal het beproeven."
En met bevende hand trok zij aan de schel, welk geluid tante Rose nogmaals
uit hare lectuur op deed schrikken.
"Nu nog gebeld! Dan is zij het of neen, het zal toch geen belletje
trekken zijn, daarvoor was het geluid te bescheiden."
En zij ging naar beneden, deed secuur de ketting eerst op de deur en
vroeg door de opening:
" Wie daar?"
"0 tante, is u het dan toch? Ik ben 't, uw Clementine."
En nu werd de deur heel geopend en de arme weeze stond niet meer verlaten
en alleen; zij had een tehuis en een moederhart weergevonden.
Een oogenblik later en Clementine zat in den grooten stoel van tante;
de kachel was met nieuwe krachten voorzien, het water kookte, want ach!
't kind was zoo verkleumd. Zij zou nu zeker
[207:]
gaarne een glas
punch drinken, wat was zij toch nat! Zij moest dat dunne kleed uit-
en tante's warmen chamber-cloak aantrekken en weggewipt was de gelukkige
vrouw, want hoe 't ook zij, Clementine was terug, haar wachten werd
beloond!
Met een zucht van verlichting staarde het meisje rond en zeide tot hare
tante met een half treurigen, half blijden lach:
"Er is hier niets veranderd, 't is nog alles bij het oude; 't schijnt
dat ik niet weg ben geweest!"
"Arme meid! dat zul je me later vertellen, maar nu moet jij die
lekkere wollen morgenjas aantrekken: ik heb ze dezen winter laten maken
toen ik zoo verkouden was, maar nu is ze me te warm. Lieve kind, wat
ik blij ben je weerom te hebben!"
Snikkend wierp het meisje zich om den hals der oude vrijster.
"Lieve, lieve tante! Ik verlaat u niet meer, als u me tenminste
nog hebben wilt."
"God zij dank! Mijn gebed is verhoord; ja, we scheiden nooit meer,
neen nooit. Daar, ga nu bedaard zitten, het water kookt en ik zal je
een paar lekkere boterhammen maken of heb je liever gebakken aardappeltjes?
't Is dadelijk gedaan, kom?"
"Neen, dank u tante! Een stukje brood is mij genoeg, anders niets.
0 ik heb zoo'n honger, ik heb sedert van morgen nog niet gegeten."
"Maar kind, zeg je dat nu pas? En hoe komt dit dan?"
"Ik heb geen geld," zuchtte zij, "mijn laatste guldens
heb ik gebruikt om een kaartje derde klas te nemen van Amsterdam hierheen."
"Nu, eet dan maar gauw! Ha, het water kookt, ik zal de aardappelen
toch opbakken, er is niet veel overgeschoten vanmiddag. Anders brengt
de meid ze altijd naar een ziek vrouwtje in de buurt, maar vandaag heeft
zij het gelukkig niet gedaan."
Clementine at met den grootsten smaak en toen zij haar eersten honger
gestild had, toen eerst deed tante Rose een vraag:
"En je je vader, waar is hij?"
"Dood," en hare oogen vulden zich met tranen, "een maand
geleden is hij arm en ellendig te New-York in mijn armen gestorven;
dat is het einde geweest; bij heeft zwaar geboet. Tante, laten wij hem
niet oordeelen en zijn aandenken niet in hardheid gedenken. Hij heeft
zijn Rechter gevonden."
"Dat hij in vrede ruste," zeide tante diep bewogen en wischte
ook hare oogen af.
"lk heb u niet geschreven in al die jaren, maar ik kon u ook niets
goeds mededeelen; wij hebben gezworven in alle werelddeelen, de bitterste
armoede gekend en den grootsten rijkdom en alles is nu voorbij! Ik heb
hem niet willen verlaten, dat is mijn eenige troost, en ook zijn dood
heeft veel doen vergeten. Toen berouwde hem alles, en God zal hem genadig
zijn, genadiger dan de menschen, want Hij verwerpt geen gebroken en
berouwvol hart. Arme, arme vader! reeds sinds lang had hij me naar u
terug
[208:]
wllen zenden, doch
ik wilde niet, zijn rijkdom heb ik gedeeld, zijn armoede moest ik ook
verlichten."
"Je hebt goed gedaan," zuchtte tante Rose. "Eert vader
en moeder en het zal u welgaan op aarde!"
En meer werd er dien avond niet over het verledene gezegd; Clementine
voelde zich verwarmd en gekoesterd, en eindelijk bracht Tante haar naar
het kamertje, dat er nog even uitzag als op dien avond jaren geleden,
toen door één brief haar leven geheel veranderen ging.