VIII.
Zij liet zich op den grond glijden en barstte in hartverscheurend snikken los, maar die aanval van
[55:]
droefheid duurde
niet lang en werd opgevolgd door een bui van woestheid. Zij trok zich
de kleeren van het lijf, rukte de koralen van haar hals, zoodat het
snoer brak en zij over den grond verstrooid, kletterend wegrolden en
begon toen in haar korte haren te warrelen als miste zij nu pas haar
hoofdtooi; zij begon weer akelig te krijschen, zoodat de gravin ongerust
den geneesheer opzocht om hem verslag te doen van hetgeen er met het
kind gebeurd was.
"Ik dacht dat wij het reeds gewonnen hadden," zuchtte Diane,
"en nu begint zij waarlijk weer opnieuw zich te weren."
De dokter glimlachte.
"U moet er niet te licht over denken, mevrouw! De taak, die u op
zich genomen heeft, is zwaarder dan u denkt!"
"Dat heb ik ook gevreesd, maar nu ben ik er overtuigd van."
"Dit kind is op 't oogenblik nog meer dier dan mensch en geen huisdier
zelfs, zij moet geheel getemd worden, en daar zij bij het dierlijke
instinkt een menschelijk verstand bezit, dat nog geheel onontwikkeld
is, heeft u dubbel werk."
"En hoe moet ik het aanleggen?"
"U is op den goeden weg, gravin! Met geweld krijgt u niets gedaan.
Ik bewonder den moed van u en uw dienstmeisje. Uw man en uw broer hebben
het gevaar niet ingezien, anders zouden zij u niet alleen hebben gelaten
met dit schepsel, dat zelfs geen wolven vreest."
[56:]
"Ik verzeker
u dat ik niets bang was."
"Misschien was dit uw redding."
"U spreekt er over alsof wij ons in doodsgevaar hebben bevonden."
"Het scheelde niet veel, mevrouw! Het kind is sterk en behendig;
dat zij u geen kwaad heeft gedaan, kwam zeker uit het bewustzijn hoe
vaag ook, dat u haar goed wilde doen."
"Dan raadde zij 't, arm kind!"
"Alleen goedheid, groote goedheid kan haar overwinnen en - temmen."
"Ja, dat begrijpt zij zeer goed, anders zou zij mij toch niet zoo
gedwee de haren hebben laten afknippen."
"Ik denk dat het haar een verlichting was ze te missen, zij zullen
haar reeds lang lastig zijn geweest, en daarvoor was ze u dankbaar.
Wat eet zij?"
"Niets dan vruchten!"
"Ik vrees dat zij het niet lang zal uithouden in die kamer opgesloten,
met geen ander diëet, dan vruchten."
"Wat vreest u dan?"
"'t Meisje is gewoon aan het leven in de open lucht, aan veel en
krachtige beweging, aan het eten van rauw vleesch en het drinken van
warm bloed."
"Foei, dokter!"
"Ja mevrouw! 't Is toch zoo! Het kan niet anders of zulk een plotselinge
verandering in levenswijze moet verderfelijk op haar gestel werken."
"Wat moeten wij dan doen? U weet, wij zijn tot alles bereid - wat
strekken kan tot het geestelijk en
[57:]
lichamelijk welzijn
van ons pleegkind - zoo als ik haar gaarne noem."
"Zij zal kwijnen in haar gevangenis, zwak worden en wegteren -
als zij niet wat meer vrijheid geniet."
"Maar die vrijheid zal zij gebruiken om weer te ontvluchten en
tot haar vroegeren staat terug te keeren."
"Ik zeg eenige vrijheid - u kan zelf er de mate van bepalen, uw
park is groot en door hooge muren ingesloten - laat haar daarin ronddolen
en zorg dat uw bedienden hier en daar verscholen op al haar bewegingen
letten."
"Als u denkt dat haar dit nuttig is."
"Onontbeerlijk, mevrouw!"
"Dan zal ik wachten tot de gasten het kasteel verlaten hebben -
nu zou het slechts een mooi amusement voor hen zijn al haar doen en,
laten in het park te bespieden."
"Dit laat ik geheel aan u over, mevrouw!"
Mevrouw d'Armentières ging nu met haar broeder, in wien zij veel
meer dan in haar dan een pleegvader voor het jonge meisje zag, over
den raad van den dokter spreken.
"Ik had hetzelfde gevreesd," antwoordde hij, "de overgang
is te groot - maar juist zooals je zegt, wij kunnen haar niet vrij laten
zoolang er zoovele vreemden op het kasteel zijn."
"Ik wilde dat zij vertrokken waren!" riep de gravin uit de
volheid van haar hart. "Vroeger vond ik het zoo heerlijk, veel
menschen om mij heen te zien, maar nu zijn zij mij lastig geworden."
[58:]
"Omdat er
iets anders is, dat je meer boeit en aantrekt - de opvoeding van het
boschmeisje."
"Ja, zij trekt mij zoo aan in haar geheimzinnigheid en onwetendheid
van alles, wat voor kinderen niets nieuws meer is."
"Welnu, ik zal het sein geven tot opbreken en 't eerst vertrekken."
"O neen Raoul! Jij moet blijven en mij helpen en Simone!"
"Mijn plicht roept mij naar Versailles, waar ik mij aan den koning
moet gaan voorstellen vóór dat ik vertrek."
"Wat, wil je weer naar zee gaan?"
"Zeker zusterlief! Dat is immers mijn loopbaan, ik kan hier niet
aan wal blijven en mijn leven doorbrengen in niets doen."
"Maar dat is niet noodig. Je hebt nu lang en dapper genoeg ons
land gediend, nu wordt het tijd je op ons kasteel dat zoo lang verlaten
heeft gestaan na den dood onzer ouders, te vestigen en je te wijden
aan de belangen van onze onderhoorigen en dat is ook een goed werk!"
Hij zag haar glimlachend aan.
"Dus geheel alleen mij in Soigny gaan begraven, zoo'n oude zeerot?"
"O alleen, wie spreekt er van alleen? Je zult gemakkelijk iemand
vinden, die je gezelschap wil houden en je helpen zal in je nieuwen
werkkring."
"En wie is die iemand?"
Diane haalde lachend haar schouders op en antwoordde schalks:
[59:]
"Als het zoover
is, kom dan bij mij om raad, maar ga niet te spoedig weer dienst nemen.
Wat hebt ge er aan je door die akelige Engelschen te laten doodschieten!"
Juist kwam Simone nader; zij zag er liever uit dan ooit en vroeg haar
tante hoe het nu met het boschmeisje ging.
"Zou zij nog geen behoefte hebben aan een speelkameraad, een vriendin?"
vroeg zij.
"Pas maar op!" schertste Raoul, "dat zij u niet behandelt
als haar vroegere speelkameraden, de hazen en konijnen."
"Neen," antwoordde de gravin ernstiger, "ik geloof niet
dat het oogenblik daartoe gekomen is. Wij moeten het vertrek van onze
logé's afwachten en haar dan vrijheid geven. Ik ben nieuwsgierig
hoe zij daarvan zal gebruik maken."
"Ja, ik ook! Arm kind! Wat moet zij toch lijden in haar gevangenschap!"