XX.
In een groot deftig
huis op de Heerengracht in Amsterdam zaten twee oude menschen, een heer
en dame - aan wie men het duidelijk zien kon dat het aardsche leed hun
niet was gespaard gebleven.
De zaal was hoog en ruim en de vensterramen gaven uitzicht op de gracht,
die omzoomd was door boomen, waarop nu het eerste lenteloof reeds als
een zacht groen dons prijkte.
Binnen brandde echter nog een groot haardvuur, waarbij de bejaarde bewoners
van dit huis zich trachten te verwarmen, maar toch scheen het vooral
de vrouw moeielijk te vallen, want telkens rilde zij, hoewel haar polsen
in dikke moffen staken en een kraag van bont over haar eenvoudig maar
rijk kleed van zwart zijden damast viel.
[152:]
"Ge zult niet
warm worden, Brechje, vóórdat de zon onze grachten blakert,"
zeide haar man met een poging tot schertsen.
"Zal ik dat beleven, Cornelis?" vroeg zij terug met een droevig
lachje, "mijn hart is zoo koud, daarom kan ik niet warm worden."
"Lieve vrouw, het helpt niets zoo te klagen en u te verzetten tegen
het onvermijdelijke. Het is immers Gods wil, die ons dit kruis oplegde
en wij moeten het dragen."
Zij boog nederig het hoofd.
"Ik weet het Cornelis, maar toch..."
"Vroeger, kort nadat de slag ons trof, waart gij veel moediger,
gij steundet mij toen
"
"Ja 't is waar! Toen was ik sterker, toen meende ik dat het mogelijk
zou zijn een leven te leiden zonder liefde, onder - warmte."
"En nu?"
"'t Is of met het klimmen der jaren, ik onze eenzaamheid steeds
meer en meer voel. 't Wordt zoo oud en eenzaam rondom ons."
Zij rilde; hij deed een paar houtblokken op het vuur en vroeg toen op
smartvollen toon:
"Ben ik er dan niet meer, Sijbrecht?"
"Ja, Goddank! gij zijt er nog en wij schuiven steeds dichter bij
elkander, maar ach! wanneer ook gij heengaat, wat moet er dan van mij
oude vrouw worden?"
"Wij zullen als Philemon en Baucis samen sterven, daar het niet
meer gebruikelijk is om de
[153:]
menschen in boomen
te veranderen," plaagde hij, maar zij glimlachte niet eens.
"Och, Cornelis, als ons nu maar één enkel kind of
een kleinkind ware overgebleven..."
Hij zweeg en rakelde nadenkend het vuur op.
"Een enkel kind om voor ons te zorgen, om ons te betreuren als
wij gestorven zullen zijn."
"Het mocht niet zijn, Brechtje!"
"Zes kinderen, die hier eens speelden en lachten, die het hier
vroolijk maakten en de een na de andere ging heen..."
Hi zuchtte diep, maar antwoordde niet.
"De eene weggedragen naar het kerkhof, de anderen op hun bestemming..."
"Maar allen zijn zij gestorven..."
"Onze Arie het verste van ons."
"Juist toen wij hoopten hem terug te zien,met vrouw en kind!"
Nu zwegen beiden in hun droeve herinneringen verdiept; de vrouw snikte
zacht.
"O die zee, die zee!" steunde zij, "alle vier heeft zij
verzwolgen!"
"Maar toen bleven ons nog twee kinderen Adriana en Klaas, wij hadden
nog troost."
"En die zijn nu ook weg - alles weg - alles! en ons huis is leeg
en onze ouderdom verlaten."
"De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen," fluisterde
de grijsaard, "dit leven verloor alle waarde voor ons, daarginds
wachten ons al onze lievelingen... "
[154:]
En vroom vouwde
het oude vrouwtje de handen en sloeg de oogen ten hemel.
"Met kalmte kan ik denken aan onze kinderen," vervolgde zij,
"wien wij de oogen toedrukten, maar als ik aan Arie terug denk
en aan zijn vrouw en kind, dan is het mij of ik meer lijd dan door den
dood van alle anderen te zamen!"
"Vrouw, zet u die naargeestige tobberijen uit het hoofd. Arie was
een flinke jongen, een brave man, het zou een geluk voor hem en ook
voor ons zijn geweest hem terug te zien. Ook dat werd ons niet vergund."
"Toch - O Cornelis ! Gij moet mij niet bespotten, niet zeggen dat
het de ouderdom is die mij dwaasheden, kinderachtigheden doet uitspreken
- ik kan er niets aan doen, 't is een gedachte die mij dag en nacht
vervolgt... "
"Nu wat dan..."
Hij glimlachte half medelijdend, half aanmoedigend.
"Ik verbeeld mij maar, maar..."
"Wat verbeeldt ge u?"
"Dat - dat zij alle drie niet in de schipbreuk zijn omgekomen."
Hij schudde treurig het hoofd.
"Een dwaze gedachte, Sijbrecht! Het is reeds veertien jaren bijna
sedert de "Fortuin" op de Biscaische kusten verging - slechts
één matroos is ontsnapt, die ons het verhaal deed van
Arie's heldhaftig gedrag.."
"Dat hij zijn vrouwen kind op de reddingsboot bracht en zelf op
het wrak bleef."
[155:]
"Maar die
reddingsboot is ook vergaan en met haar onze schoondochter en haar kind."
"Zou het niet mogelijk zijn dat zij ergens beland is en dat Martha..."
"Vrouwlief! Kan er iets onwaarschijnlijkers zijn? In de golf van
Biscaye zijn geen onbewoonde eilanden; zoo de boot aan de Europeesche
kusten aangekomen ware, zouden de schipbreukelingen toch zeker op de
een of andere wijze naar hun eigen vaderland zijn teruggekeerd, of ten
minste eenig bericht hebben gezonden."
"Ja, maar toch..."
"Veertien jaren is een lange spanne tijds."
"O; 't is dwaas, ik geef het toe, maar wat is er dwazer dan een
eenzaam, bedroefd moederhart."
"Vrouwlief, zeg dan voor goed vaarwel aan die dwaze droombeelden.
Onze kinderen wachten ons aan gene zijde van het graf, laat ons de weinige
jaren, die ons overblijven niet nog somberder maken door nutteloos tobben
over datgene wat had kunnen zijn, maar het helaas niet is!"
En toen zich over haar heen buigende, drukte hij haar teeder de hand
en fluisterde vol aandoening:
"Doe het dan uit liefde voor mij. Zooals gij uw heele leven alles
deed, uit liefde voor mij!"
Zij trok hem tot zich en gaf hem een hartelijken kus en antwoordde diep
geroerd:
"Arme Cornelis! Ik ben zelfzuchtig, ik denk slechts aan mij zelf
en mijn verdriet, voortaan zal ik mijn best doen uw leven minder somber
te maken".
[156:]
"Zet u dan
die onmogelijke wenschen uit het hoofd. Het zijn droombeelden, niets
meer!"
De klepper viel zwaar op de voordeur en een paar minuten later kwam
een knecht, oud als zijn meesters, hun mededeelen dat de heer van Oudenaarde
hem een bezoek wenschte te brengen.
Een straal van blijde verrassing lichtte uit de oogen der beide oudjes.
"Hé, Philip van Oudenaarde is van zijn reis teruggekeerd.
Hij zij welkom!"
De bezoeker trad binnen en werd vriendelijk door den ouden heer en mevrouw
Voornwijck begroet, wien deze onverwachte stoornis in de eenzaamheid
zeer aangenaam scheen.
Na de gebruikelijke plichtplegingen, die toen ter tijd veel ingewikkelder
en omslachtiger waren dan thans, zette hij zich bij de oude luidjes
neer en antwoordde op hun belangstellende vragen over zijn groote reis
en de landen, die hij in de laatste maanden had bezocht.
Philip van Oudenaarde was in vroegere jaren verloofd geweest met Wendela,
de oudste dochter van den heer en mevrouw Voornwijck.
Zij was echter kort vóór het huwelijk bezweken aan dezelfde
vreemde ziekte, waaraan de andere kinderen waren gestorven en waarvoor
de tegenwoordige geleerde artsen misschien wel een naam en oorzaak hadden
kunnen vinden.
Hij had zich den dood zijner bruid zeer aangetrokken en had nog niet
kunnen besluiten een ander huwelijk aan te gaan; daar hij zeer vermogend
[157:]
was, bracht hij
zijn tijd door met groote reizen te maken en daardoor met vreemde landen
en volken bekend te raken.
Hij was nu in Italië, Spanje en Frankrijk geweest en verhaalde
vele merkwaardigheden, die hij daar had bewonderd en verschillende vreemde
avonturen door hem beleefd.
"Maar een van de zonderlingste dingen, die onder mijn aandacht
vielen," zeide hij, "was in Parijs, waar ik den beroemden
wereldreiziger monsieur de la Condamine bezocht."
"O ja, ik heb dien naam meer gehoord," viel de heer Voornwijck
in. "Hij is ook in Oost-Indië geweest."
"Ja, ik bewonderde zeer zijn verzameling van land- en volkenkundige
merkwaardigheden uit die streken, evenals die uit Zuid-Amerika, maar
wat ze voor mij onvergetelijk maakte, dat was een hoogst belangwekkende
proef, die ik daarmede zag nemen..."
"Een proef zegt ge?"
"Het was in het kabinet van dezen even geleerden als beminnelijken
Franschman, waarbij vertegenwoordigers waren van den hoogsten adel en
ook van de wetenschappelijke wereld, die allen waren opgekomen om een
hoogst zeldzaam exemplaar van het menschdom te zien."
"Een monster?"
"Een schepsel met twee hoofden en vier handen?"
Van Oudenaarde schudde lachend het hoofd.
O neen, een mooi, lief. kind van omstreeks
[158:]
vijftien à
zestien jaar, maar - een wilde, een boschmeisje!"
"Een boschmeisje, wat bedoelt u daarmede?"
"Het is een lange, haast óngeloofelijke geschiedenis, die
niemand voor waar zou aannemen, als zij ons niet gewaarborgd werd door
zeer vertrouwbare, achtenswaardige personen."
"Ge maakt ons nieuwsgierig, Philip!"
"Vertel het ons uitvoerig. Ge weet, oude menschen zijn als kinderen
tuk op sprookjes."
"Het is toch geen sprookje, al klinkt het ook zeer sprookjesachtig."
"Het doet er niet toe. Vertel maar, toe!"
"Nu dan! Het gebeurde in het bosch der Ardennen, diep in het woud,
waar het kasteel van den graaf d'Armentieres ligt. De landlieden vertelden
allerlei zonderlinge dingen, waaraan niemand geloof hechtte; van een
wild meisje dat over de rotsen klauterde, in de boomen klom, konijnen
en hazen in hun vlucht ving en zich met hun vleesch voedde en nog meer
wonderbare, ongelooflijke zaken."
"Nu Philip, als dat geen sprookje is," plaagde mevrouw Voornwijck,
die evenals haar man aan de lippen van den verteller hing en haar verdriet
voor een poos vergat.
"Ik verzeker u mevrouw! dat ik u woordelijk alles vertel wat in
de "Mercure de France" heeft gestaan en wat zoowel de heer
de la Condamine als de graaf d'Armentieres en zijn zwager de markies
de Soignies mij op hun woord van eer als de zuivere waarheid hebben
verhaald!"
[159:]
"Wel, deftige,
adellijke namen zijn dit genoeg,waarvan wij in ons burgerlandje geen
begrip hebben."
"Ik zal u nog meer ongeloofelijks vertellen. Dit meisje was in
beestenvellen gekleed en zij durfde zelfs wolven aan; zij sloeg hen
met een knuppel dood, rukte hun de tong uit den muil en dronk hun bloed."
"Schei uit, schei uit!" riep mevrouw Voornwijck rillend uit
en maakte met haar handen een afwerende beweging.
"Neen, ga voort Philip! Het geval boezemt mij veel, ja zeer veel
belang in."
"Nu eens had de boschwachter haar sporen in het bosch gevonden,
dan weer was het de molenaar die haar had zien baden in de molenbeek,
eindelijk waren het de bewoners van het kasteel zelf, die haar in de
boomen van het. park zagen en haar ruwe, schrille kreten hoorden uitstooten
en ook wel met melodieuze trillers de vogels van het woud nazingen."
"Groote hemel! Is dat werkelijk gebeurd?"
"Ik verzeker het u, mevrouw!"
"Dat arme kind, wat een menschonwaardig bestaan moest zij leiden!"
"Ja mevrouw, dat dacht de familie d'Armentieres ook en nu wilde
zij haar ten koste van alles daaraan ontrukken. Er werd een drijfjacht
gelast, men omsingelde het bosch, waarin men zeker wist, dat zich het
kind bevond en dreef haar zoo in het nauw, dat zij eindelijk - de bijzonderheden
zijn
[160:]
mij niet zoo nauwkeurig
bekend - in de handen van haar vervolgers viel."
"Die haar toch met voorkomendheid en goedheid hebben behandeld,
hoop ik?"
"Als hun kind, mevrouw! De gravin en een nichtje van haar namen
de zware taak op zich het boschmeisje te temmen en te beschaven en toen
ik haar dien avond bij den heer de la Condamine zag, was het geen wild
schepsel meer, maar een allerliefste jonge dame."
"En wat deed zij bij dien geleerde?"
"Deze heer heeft van zijn reizen een menigte merkwaardigheden uit
vreemde landen medegebracht. Zoo zijn er ook o.a. vele fraaie zaken
uit den Oost-Indischen Archipel en vooral van de Moluksche eilanden."
"De Molukken," herhaalde mevrouw Voornwijck op droevigen toon,
"wat dit woord treurige herinneringen bij mij opwekt!"
"Ik begrijp u," zeide haar man, die deze smartelijke opwelling
zoo spoedig mogelijk wilde verwijderen, "men trachtte te beproeven
door het zien van deze voorwerpen oude indrukken in haar te verlevendigen."
"Juist mijnheer! Dat doel wilde men bereiken en daarom bracht men
het boschmeisje tusschen de paradijsvogets, de wajangpoppen, de vruchten
van was en de bloemen van veeren, de snuisterijen van kruidnagels."
"En wekten deze haar belangstelling op?"
"O ja, zij herkende ze en - het was alleraardigst
[161:]
haar daarbij gade
te slaan. Eerst scheen zij als met stomheid geslagen, toen bekeek zij
de voorwerpen van zeer nabij, stak er haar handjes naar uit en liet
toen een juichkreet hooren, haar gewone manier om haar vreugde uit te
drukken."
Mevrouw van Voornwijck luisterde met starende oogen en half geopende
lippen.
"Dus," zeide zij met hortende stem als kostte het haar moeite
haar gedachten in woorden uit te spreken, "dus zou het kind uit
de Molukken afkomstig zijn?"
"Ik geloof dat er geen twijfel aan bestaat. Zij noemde de vruchten
met hun eigen maleische namen - de notemuskaat sprak zij aan als "pala",
de kruidnagels als "tjenkeg"..."
"Ja, ja, zoo heeten zij!" sprak mevrouw Voornwijck met een
vuur, dat haar leeftijd niet meer eigen scheen te zijn en dat de heeren
verbaasde.
"Toen sprak ik haar in 't Maleisch toe en hoewel zij mij niet verstond,
kon ik aan alles zien, dat zij bekende klanken hoorde en moeite deed
om iets in die taal te zeggen."
"En lukte het haar?"
"Ja, eindelijk sprak zij, na haar hersens lang te hebben ingespannen
duidelijk verstaanbaar:
"Baboe Samila!"
Daar klonk een luide gil, verschrikt zagen de heeren Voornwijck en van
Oudenaarde naar de oude vrouw, die opgesprongen was en met fonkelende
oogen de handen naar den verhaler uitstrekte.
[162:]
"Baboe Samila,
heeft zij dat gezegd? Weet gij dat goed?"
"Die woorden klinken mij nog steeds in de ooren."
"En hoe zag zij er uit? Welke kleur heeft haar tint en haar oogen
en haar haren!"
"Zij heeft de blauwe oogen en het donkere haar van mijn onvergetelijke
Wendela!"
"Hoort ge dit Cornelis?" en zij wendde zich om tot haar man,
"hoort ge dat? Begrijpt ge het?"
"Lieve vrouw! Ik vrees dat ge u noodeloos opwindt en daarmede uw
gezondheid schaadt. Wat is uw bedoeling, wat vermoedt gij?"
"Vraagt ge dat nog? O ik voelde het reeds dadelijk, maar nu twijfel
ik er niet meer aan. Dat wilde kind, dat boschmeisje is -"
"Nu dan, wat verbeeldt ge u weer?"
"Ik verbeeld mij niets. - Zij is - de dochter van onzen armen,
verongelukten zoon".
"Van Arie? En zij zijn in de golven omgekomen."
"Maar God heeft haar gered, onze kleine Maria, om haar langs wonderbare
wegen weer in onze armen terug te voeren."
"Ach, vrouw! Welke zekerheid hebt ge? Het kan immers een toeval
zijn dat..."
"Zij den naam noemt van haar trouwe voedster, over wier zorg en
gehechtheid voor het kind Arie en zijn vrouw mij zoo dikwijls schreven,
dat zij de oogen en haren heeft van onze kinderen, dat zij uit de Molukken
afkomstig is ? - Neen, Cornelis,
[163:]
- ik moet haar
zien, ik moet onmiddellijk naar Parijs vertrekken..."
"Vrouw, zulk een reis op onzen leeftijd in dit seizoen".
"Wanneer gij er tegen op ziet of voor de kwade gevolgen vreest,
dan vertrek ik alleen of verzoek Philip van Oudenaarde mij te vergezellen."
"O mevrouw! U zal mij steeds bereid vinden."
"Ik laat u niet alleen gaan," sprak de heer van Voornwijck,
"maar ik blijf er bij: ik vind uw plan dwaas en vrees voor de bittere
ontgoocheling."
"Alles beter dan die onzekerheid! Wij moeten gaan en zoo spoedig
mogelijk. Ik zal Hendrik roepen om ons in de voorbereidingen tot den
grooten tocht te helpen."