X.
Het was aandoenlijk
te zien, hoe na dit voorval de vriendschap tusschen het boschmeisje
en Simone d'Armentiéres toenam, zoodat Raoul na zijn terugkomst
uit Parijs eene groote verbetering in haar bespeurde.
Zij bracht nu alle dagen eenige uren in het park door, waar zij in vrijheid
ronddartelde, ondanks de steeds toenemende koude soms in den vijver
sprong, in de boomen klom, de tamme en wilde dieren vervolgde, zonder
echter ooit meer pogingen te doen tot ontvluchting.
Maar Simone moest er steeds bij zijn, telkens kwam zij terug om te zien
of haar vriendin zich ook in haar nabijheid bevond, of zij haar in al
haar bewegingen volgde.
Een woord van afkeuring of een gebaar van teleurstelling waren haar
voldoende om iets te laten.
"Onbegrijpelijk dat je zoo'n invloed op dit kind hebt verkregen,"
zeide Raoul eens tot Simone, terwijl zij in het park rondwandelden.
Het was een winderige Novemberdag, en reeds tamelijk koel. Simone had
een bonten kraag om en ook het boschmeisje droeg een kleed geheel
[72:]
van witte schapenwol,
dat zij met bijzonder veel genoegen scheen aangetrokken te hebben.
Zij liep vrooljk rond, van den eenen hoek van den tuin naar de anderen,
soms pluke zij een late roos of een trosje hulstbessen en bracht ze
aan Simone, die haar met een vriendelijk lachje of een tikje op de wang
beloonde.
Naar Raoul keek zij nauweljks, maar eensklaps, toen hij haar iets zeide,
zag zij hem strak aan, voor een paar seconden, liet toen een rauwen
gil hooren en vloog weg.
"Zij is bang voor u," zeide Simone, "zij heeft u herkend
als degene, die haar gevangen heeft."
"En zij begrijpt nog net, dat het voor haar bestwil was."
"Ik gelof, dat zij er nog niet van overtuigd is, dat het binnen
bij ons in de verwarmde en verlichte kamers beter is dan in het koude,
kale woud."
"En daarom voelt zij nog wrok tegen mij?"
"Misschien! Maar waar zou zij nu zijn?"
"Wil u misschien links zoeken, mjneer de Soigny, dan zal ik rechts
zien, waar zij gebleven is."
"De duisternis begint reeds te vallen, het zal moeilijk zijn haar
te vinden."
Simone verbleekte.
"Als zij uit zichzelf niet bij ons terugkeert, zal het onmogelijk
zijn haar terug te vinden."
"Hoe roept u haar?"
"Ma soeur, ma chérie en dan almaar altjd dor Simone."
"Simone!" riep Raoul luid.
[73:]
"In 's hemels
naam," smeekte het jonge meisje, "roept u zoo weinig mogelijk.
U is het, die haar angstig heeft gemaakt."
"'t Spijt me zeer!"
"Ja, mij ook, in de laatste dagen heb ik niet de minste moeite
met haar gehad. Zij begon mij reeds geheele volzinnen na te spreken.
Ik gaf haar bloemen en zij noemde die zonder moeite na, en zoo begint
zij reeds een aardige reeks van woorden te kennen."
"Ge zijt een goede leermeesteres, Simone!"
"Ach! Hadden wij haar nu maar terug. Het zou vreeselijk zijn te
denken, dat wij haar moesten verliezen, juist nu wij zoo op den goeden
weg zijn om haar meer menschelijk te maken."
"En dat ik daar de oorzaak van moest zijn."
"O, ik kan het niet helpen! Hoe konden wij denken dat zij u zou
herkennen en bang voor u worden."
"Bang of boos?"
"Misschien allebeide. Maar het voornaamste is, dat wij haar terugvinden.
Wij moeten geen tijd verliezen. Gaat u dien kant uit en laten wij elkander,
ontmoeten bij den grooten vijver."
"Zal ik niet een paar bedienden roepen om ons in het zoeken te
helpen?"
"Neen, voorloopig niet! Het zal beter zijn, dat wij het onder elkaar
beproeven, haar te vinden, dat zal haar minder schuw maken."
"Simone, je denkt om alles!"
"Behalve aan haar vriendelijke gevoelens jegens u," schertste
zij.
[74:]
Nu begaven zij
zich op weg om het gevluchte meisje te zoeken.
Simone riep, zong, maakte trillers die door het geheele park weerklonken.
Raoul, trouw aan haar raad, maakte geen geluiden, maar hij doorliep
alle paden, zocht achter de struiken, hoog in de boomen en ver in het
verschiet. Eensklaps ontdekte hij iets wits, schemerend tusschen een
groepje nog niet geheel ontbladerde boomen. In zijn vreugde vergat hij
Simone's aanbeveling en liet een luiden juichkreet hooren - een angstige
gil beantwoordde dien en nu zag hij de witte gedaante zich snel verwijderen
en in een hoogen boom klimmen. Hij vond het 't beste, naar Simone terug
te keeren en begaf zich naar den grooten vijver, waar het jonge meisje
juist was aangekomen op het hooren van Raoul's triomfkreet.
"Waar is zij? Heeft u haar gevonden!" vroeg zij blijde.
"Helaas," antwoordde Raoul, "ik vrees dat ik haar gevonden
heb alleen om haar weer te verliezen. Ik zag haar in de verte loopen
en was toen zoo onvoorzichtig dien schreeuw te slaken."
"Dan heeft u haar verschrikt. Hoe jammer! En waar is zij nu?"
"Het laatst zag ik haar in een hoogen boom klimmen."
"Dien u mij nog kan aanwijzen?"
"Ik hoop het ten minste. Maar het wordt zoo donker, zullen wij
geen hulp er bij halen?"
"Laten wij eerst zien, of zij daar nog is."
[75:]
Zij begaven zich
zoo vlug zij konden naar de plaats, waar Raoul haar het laatst gezien
had.
Simone begon haar te roepen en te vleien, maar geen antwoord kwam, in
den boom zag men ook niets wits meer schemeren.
Blijkbaar was zij op haar gewone manier van boom tot boom geklommen
en had zoo over den muur het park verlaten.
"O nu is zij weg, voor goed!" snikte Simone, bitter bedroefd,
"wie had dat kunnen denken!"
"Maar wij moeten de hoop niet opgeven," troostte Raoul, "ik
zal Antoine den jager laten roepen en een paar van onze bedienden."
"Het zal niets meer geven. Het is reeds bijna geheel donker en
bovendien steekt de storm zoo heftig op."
"Wij zullen fakkels opsteken!"
"Om haar nog meer te verschrikken? Neen, er is nu niets aan te
doen. Wij moeten haar aan haar lot overlaten tot morgen en dan zullen
wij verder zien."
"Wat wilt gij dan nu beginnen?"
"Eenvoudig naar huis toe gaan. Het begint te regenen. Arm kind!
Wat zal het haar bitter tegenvallen in dit barre weer buiten te moeten
zijn."
"Het is haar vrije verkiezing."
"Weet het arme schepsel dan reeds wat goed voor haar is? Wat zal
zij het koud hebben."
"Maar zij is aan de strengheid van het weer gewoon en voelt ze
niet als wij!"
"Nu zal zij de koude dubbel voelen, nu zij gewoon is aan licht
en warmte."
[76:]
"Wat belet
haar terug te keeren?"
"Och! Zij zal niet vrijwillig terugkomen in de gevangenschap!"
En Simone begon zacht te snikken.
"Het is gedaan! Wij zien haar nooit meer terug," zuchtte zij
diep bedroefd.
Raoul was vervuld van spijt over het wegloopen van het boschmeisje,
maar nog meer verdriet deed het hem, het leed van Simone te zien en
te weten, dat hij in zekeren zin er de schuld van droeg.
Hij trachtte haar zooveel mogelijk moed in te spreken en een hoop te
geven, die hij echter zelf niet koesterde.
"Als wij haar terug willen hebben, zal het zijn door een nieuwe
drijfjacht," dacht hij. "Zij keerde met vreugde naar haar
oude gewoonten terug, en zal er niet aan denken uit vrijen wil weer
naar haar cipiers te gaan."
Hij zag echter ook in, dat men op het oogenblik niets beters kon doen
dan naar het kasteel terug te keeren en de gravin hun treurig wedervaren
mede te deelen.
Diane d'Armentières kwam hen reeds in de helder verlichte voorhal
tegemoet.
"En het meisje?" vroeg zij ongerust.
Simone verhaalde haar het voorgevallene en de gravin, hoe ook verdrietig
door de vlucht van het arme kind, gaf hun gelijk, dat zij het zoeken
maar gestaakt hadden, daar er voorloopig toch geen kans was op het vinden
der vluchtelinge.
Met een bezwaard hart kwamen zij in de woon
[77:]
zaal terug, waar
de graaf d'Armentières, die hen toch reeds dikwijls had geplaagd
met hun pogingen om het boschmeisje te beschaven, nu ook het verhaal
te hooren kreeg van haar schrik voor Raoul en daarop gevolgde ontsnapping.
Hij lachte er echter hartelijk om.
"Ziet ge nu wel!" zeide hij, "wat al uw zoogenaamde weldaden
weinig bekoorlijks hebben voor dat wilde kind? Zij vindt een winternacht
in de bosschen tusschen storm en wind verkieslijker dan een warm bed
en een lichte kamer."
"De vrijheid schijnt een groote aantrekkelijkheid te hebben,"
gaf Raoul toe, "ik begrijp haar onbeperkte vrijheidszucht, want
hoe dikwijls voelde ik mij, vooral in Parijs tusschen de muren en onder
de menschen beklemd en verlangde ik terug naar de zee, de onbegrensde,
onmetelijke zee."
"En zooals het boschmeisje nu terugkeerde naar het woud, waar zij
zooveel ontbeerde, wil je ook weer de zee zoeken," zeide gravin
Diane op haar beurt half schreiend. "Och Simone, wij zijn wel ongelukkig
dat wij het dien zwervers hier niet aangenaam genoeg kunnen maken om
hun de vrijheid te vergoeden."
"Nu huilen zij samen!" lachte de graaf. "Kom Diane en
jij ook, Simone! Laat zoo gauw den moed niet zakken, wie weet of dat
wilde kind en deze dappere zeeman, als zij hun geliefde vrijheid opnieuw
hebben genoten, niet met heimwee terug denken aan hun gevangenschap,
die wij hun waarlijk aangenaam en licht genoeg doen zijn."
[78:]
"Als zij dat
bemerken is het wellicht te laat," zuchtte de gravin.
Men zette zich aan het avondmaal; het was warm en gezellig in het niet
zeer groote vertrek. In den haard brandde een flink houtvuur en van
den zolder hing een groote koperen kroon af met verscheidene brandende
waskaarsen.
Simone huiverde en keek angstig naar de goed gesloten ramen, telkens
als een woedende stormvlaag tegen den dikken muur beukte.
Het was echt noodweer; de storm woedde hevig door het kale park, de
boomen zwiepten als klagend en kermend dooreen, de weerhanen knarsten
en de regen viel in plassen neer.
"Arme kleine!" zuchtte Simone, "waar zal zij zich beschutten
tegen zulk eene woeste uitbarsting der elementen?"
"Het is 't beste middel haar die lieve vrijheid ten volle te doen
genieten en waardeeren," zeide de graaf.
"Als zij zich dan maar herinnert, dat zij hier een warm nestje
heeft en menschen, die haar met verlangen wachten," zuchtte gravin
Diane, even ongerust en gejaagd als haar nichtje.
"Nu, mijn goede broer Raoul zal ook niet met genoegen terugdenken
aan zijn woeste nachten aan boord," plaagde de graaf.
"Het waren mijn heerlijkste nachten," verzekerde Raoul, "die
strijd tegen weer en wind wekte mij altijd op. Er was slechts een ding,
dat ik daarboven verkoos - en dat was de strijd tegen die verwenschte
Engelschen."
[79:]
Simone zag hem
medelijdend aan, en tegelijk bewonderend.
"Ja, lieve Simone," sprak de gravin, "zoo zijn de mannen
nu, zij zoeken het gevaar en denken niet aan de arme vrouwen, die thuis
moeten blijven en niets kunnen doen dan aan hen denken en bidden, dat
God hen in alle gevaren beschermt!"
"Ik begin mij nu voor te stellen, wat je voelt, lieve zuster, mij
in zulke gevaren te weten, als ik bedenk, hoe het mij verdriet doet
dat het arme boschmeisje daar buiten in dezen verschrikkelijken nacht
aan weer en wind is blootgesteld!"
"Wie weet hoe blijde en gelukkig zij is," meende de graaf,
"en hoe zij zich verheugt eindelijk voor goed ontsnapt te zijn."
Een stormvlaag, heviger dan de vorige, beukte tegen het kasteel en liet
het op zijn grondvesten daveren - men hoorde boomen kraken en door midden
breken als waren het dunne stengels. De regen joeg in verwoede aanvallen
door de lucht, hagelsteenen vielen kletterend tegen de ramen zelfs flitste
de bliksem nu en dan en drong door de goed gesloten blinden in het vertrek,
terwijl de donder hevig rommelde.
Mevrouw d'Armentières en Simone vouwden de handen en baden in
stilte.
Daar buiten was het een helsch geweld, men kon elkander binnen nauwelijks
meer verstaan.
"Arm kind!" klaagde de gravin.
"Hoor, hoor!" riep plotseling Simone.