doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Anne Busken Huet-van der Tholl: Brieven aan Sophie Potgieter


Buitenzorg, 4 dec. 71

Beste Sophie,

Hoe welkom was mij uw brief waarin gij ons uw beider behouden thuiskomst uit Weenen meldet. Het idee dat gij u haastet, dat even gaauw te schrijven, nam voor een oogenblik het akelig gevoel van den vreeselijken afstand die ons zoo wreedaardig scheidt, geheel weg, en stelde er een ander zeer gezellig en verkwikkelijk voor in de plaats. Mijnheer P[otgieter] zelf schreef ook dat hij op de reis zoo herhaaldelijk aan ons had gedacht. Och ja; het is wel jammer dat wij voorloopig zoo ver vab elkander moeten leven; bij wie hebben wij ooit zoo hartelijk gelagchen als bij u. Ik denk er nog dikwijls aan.-

Met Januarij verlaten wij Buitenzorg weder voor Batavia; Huet vindt dat noodig omdat de nieuwe firma van Dorp aanvanklijk althans niet zoo goed voor de krant zorgt als de oude, en hij er dus voor een poos zelf weer het oog over wil laten gaan. Nu dan, in mijn droom schijn ik Batavia met Amsterdam verward te hebben; althans in mijn slaap maakte ik toebereidselen om naar Amsterdam te gaan; en daar ging het eensklaps als een licht voor mij op: Hemlel wat zal het prettig zijn om dan dagelijks eens op de Leliegracht aan te wippen. Toen ik ontwaakte was het mis, want al heeft Batavia ook veel goeds; een Leliegracht is zij niet rijk.-

Mijnheer P. schrijft dat hij met zooveel ijver voor Gideons bibliotheek zorgt. Dat wil ik wel gelooven. Wat zouden die twee het goed zamen kunnen vinden; wat zou Mijnheer P. een pleizier hebben in hem; en wat zou hij profiteren van Mijnheer P. - Gister nog zat hij bij mij te lezen in het "Rijksmuzeum" dat is zijn lievelingsstuk; ik weet niet hoe dikwijls hij het reeds herlezen heeft. "Moesje" zei hij "dat moest uitgegeven worden met droomen naar de schilderijen waarvan daarin gesproken wordt. Wat zou dat een mooi boek wezen." Hij heeft in de laatste weeken, gelukkig in zeer ligten graad, een aanval van kinkhoest gehad; en ik, ten gevolge van het luisteren naar hem en het te veel zoenen, geloof ik, heb ook geweldig gekucht; doch wij zijn nu beiden goed aan de betere hand, en hopen weldra weer geheel in orde te zijn. Ondanks alles ziet Gideon er goed uit; hij wordt groot; en van mij, beweert men, dat ik dik word te Buitenzorg; dat dit laatste van Huet zoo is, is boven alle verdenking verheven, wij zullen nu moeten zien hoe het te Batavia weer gaat, ofschoon wij ook daar eigenlijk nooit ziek geweest zijn, gelukkig.

Omstreeks dezen tijd, als zij eene goede reis heeft, zooals wij hartelijk hopen, zal mevr. Terville in Holland arriveren. In de eerste weken zult gij haar wel niet zien, die zal zij wel te Rotterdam en in den Haag doorbrengen waar zij hare kleinkinderen en een massa familie heeft zooals in de laatste plaats de heer van Sypesteyn het lid van de kamer en Jonker Willinck, kolonel hier bij de marine: een uitstekend, aangenaam man, met wien wij hier kennis gemaakt hebben, en die haar allen om strijd te logeren gevraagd hebben. Doch later heeft zij vast plan om naar Amsterdam te gaan, en ook u te bezoeken. Ik verzeker u, Sophie, dat gij in haar de beminnelijkste en achtingwaardigste vrouw uit Neerlands Indië zult leeren kennen, die ook als zoodanig in de geheele kolonie te boek staat. En toch, als een beeld der smart is zij hier, helaas, van daan gegaan. Acht dagen lang ben ik er half ziek van geweest, nadat ik afscheid van haar genomen had. Hier gekomen vóór 20 jaar met een voortreffelijk man en twee beeldschoone meisjes van 15 en 16 jaar, die hier beiden zeer goed getrouwd waren en beiden gestorven zijn en een massa weesjes nalatende, gaat zij moederziel alleen en - niet rijk, weer heen. Zij hebben hier vreeselijk veel tegenspoeden gehad en vooral zij hebben hier zo enorm veel weggegeven, dat zij nu niet veel meer dan haar pensioen van f 2000 overheeft; zoodat zij zeer zuinig zal moeten zijn, zij die van kind af aan gewoon geweest is op grooten voet te leven.-

Toevallig schreeft gij mij de laatste maal nog even over mijne trouwe Keetje. Nu heb ik reeds herhaaldelijk gedacht dat het zoo goed zou zijn als Keetje bij mevr. Terville ging dienen. Reeds heb ik daarover met deze hier gesproken. Doe gij dat bij gelegenheid ook eens met Keetjel zeg haar dat zij zeker van mevr. Terville nog meer zal gaan houden dan van mij, en dat deze eene ware moeder voor haar wezen zou, zooas ik zeker weet, dat zij als eene dochter voor mevr. Terville zorgen zou. Vóór over een jaar of drie kom ik toch waarschijnlijk niet terug, en dan kunnen wij verder zien. Het eenige is, een heel groot loon kan mevr. T. misschien niet heben; doch op andere wijzen zouzij dat duizendvoudig vergoeden, want zij is onvermoeid en vindingrijk, zooals ik bijna nooit iemand anders zag. Ik houd anders niet van mij in zulke zaken te mengen; doch hier geloof ik dat ik 2 menschen een gelukkig leven bezorgen zou. Wilt gij hiertoe het uwe bijbrengen, dan doet gij, geloof ik, eene goede daad.-

Het is nu reeds weer december; en gij zit te midden van de bloeijende krokussen en ducjes van Tol., en de Hyachinthen en tulpen zijn reeds in knop. Wat kon het ook in de nwinter gezellig bij u zijn.
Adieu; met onze beste groeten, ook aan onzen trouwen mijnheer P.

Uwe hartelijke liefhebbende

Anne


inhoud | vorige pagina | volgende pagina