XXXII.
Eenige dagen waren
verloopen.
De paardrijders troep had Breevoort verlaten, oom Karel had den directeur
ruim schadeloos gesteld voor het verlies van zijn lievelingsclown, en
de kunstenmakers verzochten als laatste gunst, dat men hen op de hoogte
zou houden van hun ouden kameraad.
Helaas! het ging niets vooruit met Dolf; oom Jozef en oom Anton kwamen
over, maar hij herkende niemand, zelfs Angeline niet, en allertreurigst
was het hoe hij in zijn ijlhoofdigheid allerlei grappen en geestige
zetten deed hoor en, herinneringen aan zijn laatste beroep.
Zijn zusje paste hem voorbeeldig op; zij week niet van zijn ziekbed
en het bevel van oom Karel was noodig om haar ten minste 's nachts de
noodige rust te doen nemen.
Oom Karel dacht aan alles; hij had madame Bonnier geschreven om haar
het voorgevallene te doen weten, en zoo deed hij ook aan tante Frémiot.
Angeline wist hier niets van en wie schetst dus haar verbazing toen
zij eens de trap naar boven opgaande, plotseling tante Rudolphine en
nicht Lucie voor zich zag staan. Tante scheen oud geworden en Lucie
was nog bleeker dan vroeger.
"Angeline," zei tante met bevende stem, "hoe is 't er
mee?"
Het meisje gaf tante een kus en antwoordde snikkend:
"Nog altijd heel erg, tante!"
"Breng ons bij hem, spoedig, voor het te laat is."
Lucie daarentegen was opgetogen van vreugde, dat zij
[185:]
Angeline weêr
terugzag, en omhelsde haar recht hartelijk.
Bij Rudolf gekomen, begon tante te snikken; men kon het haar aanzien,
dat zij het niet gewoon was, want in andere omstandigheden zou het zonderlinge
gezicht, dat zij er bij trok, zeker wel den lachlust van beide meisjes
hebben opgewekt.
Oom Karel was zeer vriendelijk jegens tante en verklaarde haar, dat
de crisis moest afgewacht worden en het, zoo Dolf beter werd, een groot
geluk was dat hij nu weêr onder den invloed van zijn familie kon
komen.
Dien dag kwamen de andere ooms ook over en daar het geheele gezelschap
toch niet in de ziekenzaal kon blijven, bleven Lucie en de beide heeren
en soms ook Angeline of tante in een zaaltje op de beneden-verdieping.
De logementhouder was recht in zijn schik, dat hij zoovele logé's
kreeg, niettegensstaande het zeer onaangenaam was een stervende in zijn
huis te hebben; zijn vrouw was nog steeds vol verbazing, dat die clown
zulke deftige familie had.
Tegen den avond sloeg Dolf de oogen op en zag verwilderd rond.
Tante zat voor het raam te breien en Angelientje hield zijn hand in
de hare.
"Dolf," sprak zij, toen hij tot bewustzijn scheen te komen.
"Angelientje, ben je daar?" zeide hij mat.
Nu kwam ook tante naderbij en vroeg klagend:
"Jongenlief, ken je mij niet?"
"Tante," lispelde hij en stak zijn vermagerde hand uit.
"Hij komt bij, hij krijgt zijn verstand terug," zeide tante
verheugd.
Maar hij deed weer de oogen dicht en een oogenblik later vervolgde hij:
"Ik geloof dat ik erg, ziek ben. Tante, vergeef mij! U was zoo
goed... maar ik zoo onverstandig... ik ben genoeg gestraft."
Tante begon nog luider te snikken, maar Dolf lag weer
[186:]
bewegingloos en
eerst eenige minuten later scheen hij iets te zoeken.
"Wat is er, Dolf?" vroeg Angeline, zijn gloeiend voorhoofd
kussend.
"Blijf hier, Lineke, laat mij je hand voelen, dan is het mij of
papa en mama aan mijn bed zitten!"
Toen scheen hij weer in zijn gewone bewusteloosheid te vervallen en
het was zeer stil in de kamer, waarin men niets anders hoorde, dan van
tijd tot tijd tante's zuchten.
"Arme Angeline!" zeide ze, "ben je niet moe?"
Zoo vriendelijk had zij het meisje nog nooit aangesproken.
"Neen, tante; och, als hij maar beter wordt."
"Hij wordt niet beter en 't is mijn schuld," snikte tante.
De ooms, behalve oom Karel, die aan het schrijven was, begrepen dat
zij niet veel aan de zaak doen konden en sloegen Lucie voor, een wandeling
met hen te maken.
Het scheen dat zij zich, niettegenstaande 't treurige doel van hun verblijf
te Breevoort, toch zeer goed konden amuseeren, ten minste Lucie's oogen
stonden niets treurig toen zij 's avonds naar den toestand van den zieke
kwam vragen.
De nacht werd in groote spanning doorgebracht en de dokter bleef verscheidene
uren aan het bed van den zieke; tante ging ook niet slapen, ofschoon
zij weinig helpen kon en haar belangstelling bijna in niets anders zich
uitte dan in tranen en zuchten. Eindelijk tegen den morgen ging de geneesheer
heen.
"Als hij er bovenop komt," sprak hij tegen oom Karel, "dan
hebben wij het voornamelijk aan zijn kleine oppasseres te danken. Er
zit stof in haar om een volmaakte ziekenverpleegster te worden."
Toen het dag was, kwam de dokter terug en onderzocht nauwkeurig den
toestand van Dolf. Angeline, doodsbleek, uitgeput van vermoeienis en
verdriet, zag hem angstig aan.
"God zal je beloonen, lief kind," sprak de dokter, "en
[187:]
je broer doen genezen.
Er is meer hoop dan gisteren."
"Hoort u, tante?" vroeg zij als herlevend.
Voor éénig antwoord sloot tante haar in de armen.
"Je bent een dapper, flink meisje, Angeline," sprak zij, "ik
heb je altijd verkeerd beoordeeld."
"Gelooft u nu ook, tante, dat ik geen oorzaak ben van zijn vlucht?"
"Daarvan was ik sinds lang overtuigd."
Angeline zweeg voortaan over dit onderwerp en deed dan ook niet de vraag,
die haar op de lippen zweefde:
"Als u er van overtuigd was, waarom het mij niet gezegd?"
Oom Karel moest ook de goede tijding hooren, maar hij antwoordde er
nog niet veel op en raadde Angeline aan zich niet te vrpeg te verheugen,
want dan zou het verdriet en de teleurstelling des te grooter wezen.
Den volgenden nacht bood Lucie zich aan om te waken en oom Karel wist
het door te drijven, dat Angeline en tante gingen slapen, want zij hadden
rust hoog noodig.
Lucie kweet zich goed van haar plicht, die trouwens niet zeer moeilijk
was, want de zieke sliep gerust en zij kon dus menig uurtje ongestoord
slapen, maar Angeline kwam dikwijls op haar teenen binnen en als zij
er zich van overtuigd had, dat Dolf niet erger was, kon zij weer gerust
wat indommelen.
Met de beterschap ging het goed vooruit, ofschoon het vrij lang duurde
vóór Dolf zoover was, dat hij naar Koningsbosch vervoerd
kon worden.
Oom Karel bood tante Frémiot en Lucie op hartelijke wijze gastvrijheid
in zijne woning aan en het was een blijde dag voor allen toen zij het
logement konden verlaten om naar h u i s terug te keeren.
Nicht Mina wachtte hen gastvrij op en de zieke werd in een groote kamer
gelegd naast de eetzaal, die ook op den tuin uitkwam; tante kreeg ook
een heel mooi vertrek, maar Lucie moest, zich behelpen met Angeline
op één kamer, hetgeen zij volstrekt geen behelpen vond;
integen
[188:]
deel, het scheen
dat zij zich zeer goed schikken kon in het buitenleven.
Vóórdat Angeline echter naar Koningsbosch terugkeerde,
bracht zij een bezoek aan madame Bonnier.
Deze ontving haar recht vriendelijk en hartelijk.
"Mijn kind," zeide zij, "je hebt mij veel verdriet veroorzaakt
en met een enkel woord had je alles kunnen ophelderen."
"Ik mocht niet, mevrouw," antwoordde zij met neergeslagen
oogen, "ik had stilzwijgen en geheimhouding beloofd."
"Men moet geen lichtzinnige beloften afleggen en zoo men ze toch
afgelegd heeft, is men niet altijd verplicht ze te houden. Integendeel,
uw plicht ware het geweest mij of uw ooms in het vertrouwen te nemen
en alles te verhalen. De zaak was te gewichtig, dan dat je die alleen
mocht behandelen."
"Dat zie ik nu ook in, mevrouw!"
"Dat doet me genoegen, en ik hoop dat ge in het vervolg omzichtiger
zult zijn en niets meer zoo geheel alleen doen; alles is goed afgeloopen,
maar hoe licht kon de man, die u de boodschap van uw broeder kwam brengen,
een bedrieger geweest zijn."
"Daar heb ik niet eens aan gedacht."
"Des te erger. Je ziet dus in welk een reeks van lotgevallen, verwikkelingen
en onaangenaamheden een enkele geheimhouding je gestort heeft. Had je
mij dadelijk gezegd, dat je in den clown je broeder meende te herkennen,
dan zou ik je voogd gewaarschuwd hebben; die had dan zijn maatregelen
kunnen nemen om Rudolf uit dat gezelschap te kunnen verwijderen; hij
zou niet gevallen, niet ziek zijn geworden."
"Maar ik was er niet zeker van; ik had de ooms al willen schrijven,
doch toen ik hem sprak, vreesde hij niets zoo erg als openbaarheid en
overtuigde mij dat ik in zijn belang zwijgen moest."
"Lief kind, zooveel reden hadt je toch ook niet om een
[189:]
vergroot vertrouwen
te stellen in het oordeel en doorzicht van je broeder! Zie, wat heb
je er nu door gewonnen zijn raad gevolgd te hebben? Geheim is de zaak
niet gebleven, zij is nu publiek geworden, meer dan je allen lief is."
Angeline boog berouwhebbend het hoofd, maar oom Karel, die er bijzat,
nam het woord en zeide: "Dat merkt u zeer juist op, mevrouw, en
niemand ziet het meer in dan Angeline, maar zij handelde naar haar beste
weten en wat zij misdeed, heeft zij meer dan genoeg geboet, bij het
ziekbed van haar broeder."
"Ja, daar heb ik van gehoord, en nu, Angeline-lief, over veertien
dagen begint de school; zal je er dan reeds zijn?"
"Nog niet, mevrouw, zij moet Dolf's geheele herstel afwachten en
de dokter heeft dat op zes weken gesteld."
"Dat spijt me zeer, maar ik heb toch iets voor u. Kom even met
me mede, Angeline, en als mijnheer de Roze ons vergezelt, zal het mij
zeer aangenaam zijn."
En zij bracht het tweetal naar het kleine salon; daar lagen op een tafeltje
een hoop fraaie boeken en een witte krans.
"Je hebt de prijsuitdeeling niet bijgewoond," zeide mevrouw,
"maar je hebt toch nog steeds recht op hetgeen je toekomt; deze
prijzen en de witte kroon."
Angeline's oogen schitterden van vreugde; zij omhelsde hare meesteres
en fluisterde haar toe, dat zij veel berouw had over haar gebrek aan
vertrouwen en in het vervolg niets meer voor mevrouw Bonnier verzwijgen
zou.
Deze verklaring maakte de goede dame recht gelukkig, want zij wist dat
zij vaster op Angeline's beloften kon rekenen, dan op die van menig
volwassene.