XXX.
Angeline's toestand werd hoe langer hoe onhoudbaarder; madame Bonnier zag haar wantrouwend, angstig en misnoegd aan; de meesteressen spraken niet meer dan hoog noodig was en de meisjes, aan wie de
[174:]
hemel weet op welke
wijze het ter oore was gekomen wat zij eigenlijk gedaan had, waren ook
allen koel en terughoudend tegen het arme kind; vooral Emilie behandelde
haar met een verachting, die zij niet trachtte te verbergen.
"Ik wist wel dat zij het achter de mouw had," zeide ze dan,
"geen wonder ook! Haar vader wist dat hij failliet was en gaf nog
een groote partij op haar verjaardag."
"Schande! en als men nu denkt dat men aan zoo'n meisje zijn vertrouwen
heeft geschonken."
"Foei, Emilie," verschoonde een van Angeline's vriendinnen,
"laat de dood en toch rusten! Zij is toch onschuldig aan hetgeen
haar vader wellicht heeft misdaan!"
"Hoe kwam zij er toe een clown na te loopen? Ja ze heeft hem al
dadelijk haar aandacht gegeven!"
"Och, 't is een kinderachtige streek geweest, anders niet,"
verzekerde een ander, "zij wilde zeker zien hoe zoo'n grappenmaker
er van nabij uitzag, zonder al die kalk en roode verf, of hij een gewoon
mensch was of niet; Ik kan het mij best begrijpen, ik zou ook graag
die madame Nery eens dichter bij hebben willen zien en dien signor Alonzo
nog liever."
"Maar om hem na te loopen en aan te spreken en de hand te geven!"
"Nu ja, dat is een Oostersche vrijheid; daar is het misschien wel
gepast."
"Volstrekt niet," verklaarde Emilie met klem, "daar staan
jonge meisjes evenmin met zulk volk te praten als hier."
"Och, ik vind het flauwer zooveel beweging van te maken, maar 't
is Angeline's eigen schuld. Waarom behandelt zij die heele zaak zoo
geheimzinnig?"
"Waarom? Omdat zij zich schaamt; zij, de braafheid in eigen persoon
van zoo iets beschuldigd te worden. Ik ben benieuwd of zij de witte
krans nog krijgt."
"De witte krans," en Emilie's stem trilde van boosaardig genoegen,
"ik zal je wat anders zeggen. Gisteren
[175:]
hoorde ik mademoiselle
Athénàis en miss Betty tegen elkander fluisteren, maar
ik kon het toch hooren. Madame heeft Angeline's voogd gewaarschuwd en
zoo zij niet alles bekennen wil, wordt zij weggejaagd."
"Weggejaagd, Angeline! hoe is 't mogelijk?"
"Schaam je Emilie, je over haar ongeluk te verheugen; denk er toch
aan, hoe lief zij tegen je was, toen je hier vreemd en onbeholpen kwam."
"Bah, ik geef niets om haar liefheid; zij is een valsche slang."
Zoo druk hadden de pensionaires het met de arme Angeline, die in hare
boeken en handwerken een troost zocht voor haar verdriet.
Dag en nacht kwelde haar de gedachte:
"Wist ik maar waar Rudolf nu was: hij moet mij van mijne belofte
ontslaan. Als ik tenminste voor Mevrouw en oom Karel verantwoord ben,
dat is het voornaamste, want als ik van deze school wordt verwijderd
dan kan ik mijn studiën niet voortzetten, de ooms zullen mij wantrouwen
en ik zal nog ongelukkiger worden dan hij."
Maar er kwam geen brief van oom en zij had geen gelegenheid aan iemand
te vragen, waar de troep zich nu ophield.
De dag der prijsuitdeeling naderde en madame Bonnier schreef oom Karel
een tweeden brief, waarin zij hem alleen verzocht om een spoedig onderhoud
en verder naar haar eerste schrijven verwees.
Den morgen daarop, zat Angeline alleen in de pianokamer te studeeren,
nu en dan wischte zij een traan uit de oogen en liet de vingers op de
toetsen rusten, verzonken in gedachten, toen Roosje, de jongste meid,
die bijzonder veel van haar hield, binnen sloop; in de eene hand hield
zij den stoffer, in de andere een stofdoek en daar in de aangrenzende
kamer miss Betty met eenige élèves aan een groot borduurraam
zat, veinsde zij druk aan het afstoffen der meubels te zijn.
Zoo kwam zij ook aan de piano en fluisterde Angeline
[176:]
toe: "Sta
eens op en ga even in de gang, maar niet dadelijk."
En zij ging met haar werk voort, soms Angeline een wenk gevende, zonder
echter de aandacht van de anderen op te wekken.
Het meisje, verwonderd over Roosje's raad, speelde haar stuk ten einde
en ging de kamer uit, maar zij durfde niet in de gang blijven en wachtte
dus in de kleine kleedkamer, waar de mantels en hoeden der meisjes hingen,
Roosje's komst af.
Deze liet zich niet lang wachten en volgde haar met een zeer geheimzinnig
voorkomen.
"Is er iemand in de buurt?"
"Neen, niemand, Mlle Athénais en de anderen zijn in de refectoire
en madame op haar kamer."
"Nu, dat komt juist goed."
"Maar wat is er toch, Roos?"
"Ik kwam daar thuis van een boodschap en wilde de achterdeur ingaan,
toen ik achter me hoorde roepen: "Zeg 'reis, mamsel, hoor je hier
thuis ?" "Ja, zeg ik, maar wat gaat jou dat aan?" 't
Was een finke kerel met een zwaren baard en die heel vreemd sprak, Fransch,
Duitsch, Engelsch en Hollandsch door elkaar. Eerst kon ik hem niet verstaan,
maar eindelijk begreep ik dat hij wilde weten of hier een juffrouw Roos,
Roza, ik weet niet wat al meer, woonde."
"Dat ben ik," zei ik toen. "Zoo, dat treft goed! Ik heb
een brief voor je."
"En hij gaf me toen dit papier, maar ik zag aan het adres dat het
voor u was."
Angeline las op een grove, gele enveloppe met hanepooten de woorden
geschreven:
"Mamsel Angeline Roos, bij madame Bonnier."
Er was echter niets in en vragend zag het meisje Roosje aan.
"En wat verder, Roos?"
"Dat is niet voor mij, maar zeker voor een der
[177:]
juffers hier op
school." "Juist, ze moet pensionaire zijn."
"Als jij apporteert dan krijg je twee frank de moi."
"Ik moest er om lachen en hij riep me na in zijn koeterwaalsch,
wat weet ik niet, maar ik begreep er toch wel van, dat niemand anders
het mocht weten."
"Maar wat wil die man van mij?"
"Hij staat bij het poortje en wil u spreken. Ik weet er niets van."
Angeline begreep er misschien ook het rechte niet van, maar zij vermoedde
toch dat het iets moest zijn van Rudolfs kant of wellicht van de ooms.
Zij zette haar hoedje op en verzocht toen Roos met haar mee te gaan,
wat deze bereidwillig deed.
Zij gingen door de keuken en de met dicht klimop overdekte gang, die
op het achterpoortje uit kwam.
Voor de zon, die fel op het achterhuis scheen, waren alle valgordijnen
neergelaten en niemand kon de reeds bovendien door het dikke loof verborgene
meisjes bespieden.
Een smal voetpad, aan weêrszijden door kreupelhout begrensd, leidde
van het poortje, heuvelaf, naar een karreweg die van den eenen kant
naar de stad, van den anderen naar den landweg voerde.
Roos keek eens rond en hoestte en weldra verscheen de vreemdeling, in
wien Angeline onmiddellijk een der paardrijders herkende. Hij groette
beleefd, terwijl zij hem met kloppend hart aanstaarde niet wetende wat
hij zeggen zou.
"Mademoiselle Roze?"
"Oui monsieur."
En hij vroeg haar in vloeiend Fransch of zij de zuster was van Piëtro,
den clown?
Het geheim, zoo goed verborgen voor hare meesteressen en vriendinnen,
ontsnapte nu als van zelf aan hare bevende lippen en de andere ging
voort:
"Er is een ongeluk met uw broer gebeurd; hij is ziek en vraagt
naar u; hij heeft mij opgedragen u te verzoeken,
[178:]
bij hem te komen,
nu het nog tijd is."
"Nog tijd! O mijn God, moet dat dan ook nog gebeuren? Waar is hij?"
"In Breevoort, drie uur rijdens van hier. Het rijtuig wacht."
"Och Roos, je hoort het nu," zoo ging Angeline met doodsbleek
gelaat en diep geschokte stem tot de meid voort, zonder er aan te denken,
dat Roosje geen woord van 't in 't Fransch gevoerde gesprek had verstaan,
"mijn eenige broer ligt op sterven, ik moet hem zien. Zeg het aan
madame, als je wilt, maar ik ga heen."
"De juffrouw moet weten wat ze doet," antwoordde Roosje, "maar
ik zal me er buiten moeten houden. Madame beschuldigt mij reeds dikwijls
genoeg, dat ik het met de pensionaires houd en zoo zij dit weet, zal
zij mij stellig wegjagen. Ik houd me onnoozel."
Noch Roosje, noch Angeline dachten er aan dat er wellicht bedrog in
het spel was en de boodschap geheel uit de lucht gegrepen kon zijn.
Angeline was verteerd door onrust en dacht slechts aan één
ding: haar armen broer terug te zien.
Roosje verwijderde zich dus en Angeline volgde haar geleider langs het
voetpad naar den karreweg, waar een kleine tilbury met een vurig paard
bespannen wachtte.
Zij stapte in en vond daar een meisje van haar leeftijd, dat wel wat
opzichtig gekleed was, maar er toch zeer fatsoenlijk uitzag en nog vóór
zij geheel en al tot bezinning kwam, legde de paardrijder de zweep over
het paard en daar ging het in gestrekten draf de wereld in.