ZEVENDE
HOOFDSTUK.
DERBAN.
Op het eerstvolgende
bal te Samarang verscheen Netje weer, allerkeurigst gekapt en gekleed
en danste ze weer vlug en vroolijk als een onbezorgd kind dat geen verleden
had.
Derban stond bij een pilaar en danste niet. Hij had haar, bij haar binnen
treden gegroet, maar was haar niet genaderd. Hij oogde haar na van het
eene einde der zaal naar het andere, volgde al hare bewegingen, bestudeerde
haar loopen, haar lachen, haar dansen, haar zwijgen... Hij begreep er
niets van. Voor hem was dat vrouwtje een kind, een irrespansabel
wezen, een speelbal in de hand van onwaardige créaturen, een
arm verdwaald schepsel, met een goed hart en een open karakter, dat
een beter lot verdiende dan haar tóebedeeld was geworden. Een
van de ofcieren van het vorige bal tikte hem op den schouder en vroeg
hem lachend:
"Wel, nog altijd in bewondering van Mevrouw Hak?"
"Nog altijd."
"Je weet toch waarom ze terug is?"
"Neen, ik weet niets."
[38:]
"Een tweede
poging..."
"En dood?"
"Neen, gered door den dokter die er gelukkig dadelijk bij is geweest.
"'t Is afschuwelijk!"
"Ja, dat is 't."
Netje zat met eenige jonge meisjes te praten en te schateren
van lachen om de verhalen van een gewezen schoolkameraadje, een kind
dat nog in de korte kleeren was omdat ze, ofschoon even oud als Netje,
maar niet groeien wou.
Derban lachte onwillekeurig mee, hun oogen ontmoetten elkaar en een
oogenblik later stond hij naast haar. Zij stelde hem voor aan de vriendinnetjes
als "Mijn cavalier van het vorige bal" en noemde de jonge
meisjes in één groep "M'n oude schoolkameraadjes,"
en toen vervolgde zij. in één adem "ga zitten Meneer,
zij kennen u al."
"Ja, die Netje! riep Anna, zij heeft ons vertelt dat u haar Jufvrouw noemde!"
"Alle menschen weten toch dat zij getrouwd is," vervolgde
Lotje.
"Ja, maar ik was pas uit Europa... ik kende niemand hier."
"En haar man?"
"Ook niet."
"Soedah!" riep Netje, maar het hielp niet, de vriendinnen
hadden Derban eenmaal en amitië genomen, zij vonden zoo'n
echte totok even amusant als. hij haar vond, en dus het geplaag ging
voort.
"Oud haar man!" riep er een.
"Maar deftig," verbeterde een ander.
"En rijk!"
"En Netje wou hem niet hebben."
"Maar zij moet... Haar mama..."
"Soedah toch," riep Netje weer.
"Waarvoor soedah? Alle menschen weten dat jij bruidsjapon gescheurd
hebt en oranjebloesems om zijn ooren gegooid."
De meisjes stikten.
[39:]
ontbreekt
[40:]
"Heeft u nooit
aan echtscheiding gedacht?"
"Ja wel, maar hij wil niet."
"Dat zou toch beter wezen, voor hem ook, na al wat er gebeurd is!"
"Hij wil niet. En Mama wil ook niet. Neen, Meneer, hij moet dood.
Daar is niets anders op."
"Maar hij wil niet dood!"
"O, hij moet!"
"M aar u zal hem nu toch niet weer vergiftigen?"
"Misschien niet, misschien wel. Wie weet..."
"Maar dat is afschuwelijk! Dat is een moord, Mevrouw! Een vreeselijke
misdaad! Daar kan u voor op het schavot komen!"
"Wat kan ik anders doen?"
"Echtscheiding aanvragen!"
"Maar hij wil niet!... Toen hij bijna dood was heb ik hem tegengif
gegeven en mijn vrijbrief laten teekenen. Maar eenmaal beter,
hij zegt: "geldt niet mijn handteekening" Wat! Voor huwelijk ik teeken op zijn papier en mijn handteekening geldt!
Voor echtscheiding hij teekent op mijn papier en zijn handteekening geldt niet! Net gek die Hak!
Ik zeg: "jij schurk!"
En hij antwoordt "zoo is de wet."
"Jij" gek en jou wet gek, allebei schurk." En dan ik
sla met mijn hand op de tafel en ik kijk hem recht in zijn valsche oogen,
en ik zeg met harde stem, dat al de jongens en meiden en oppas kunnen
hooren: "Ik zweer jou, dat ik jou dood zal maken, want ik wil niet
langer mét jou! Daar!"
En dan hij loopt weg en roept "chut! chut!" net de poes en
gaat slapen zonder eten."
"Dat kan ik me begrijpen!"
"Voor wat toch geen lepas [Vrij laten, los laten] aan een vrouw
te willen geven, als je beeft?... Hij zoo bang als een vlieg, Meneer...
ik kijk hem aan hij beeft... ik spreek, hij loopt... Net wat, zoo'n
man?"
[41:]
"Maar u moet
scheien, Mevrouw, dat kan zoo niet voortduren. Ik ben advocaat, wil
u mij uw zaak in handen geven, dan zal ik m'n best doen..."
"Ja, ja, ja! - Kan u dat? Toe, help me, ja? Dan mag hij blijven
leven, zoo lang hij wil... En gelukkig zijn. . . en trouwen met een
ander meisje! Ja, Allah! wat zou dat aardig wezen! Ja, Meneer, help
me! Advokaat' kan vechten met "de wet". Netje kan niet,
Netje weet niet,... arme inlandsche kinderen, altijd versukkeld, Meneer...
en trouwen zonder willen... en geslagen worden, en mishandeld, en in
den steek gelaten, en de man weg met de kinderen, naar Vaderland,
zoo als ze dat noemen. . . alles verdwijnt in Vaderland! En dan arme
vrouw alleen op Java, zonder man, zonder kinderen, zonder geld, en dan
wat?... Als nog moeder gelukkig! maar als moeder dood, tjilakka! Meneer.
Mijn vriendin Louise, rijk meisje toen vroeger. Nu is zij voor huishoudster
bij den Resident, net baboe, zonder niets meer, haar man naar
Vaderland met haar kinderen en haar geld, voor opvoeding! hij zegt...
en dan alles weg! Kassian Louise!"
"Maar alle vrouwen worden toch niet zóó behandeld?"
"Neen! Mijn Mama kan niet zóó behandeld worden! Zij
is pintar, en mijne Papa heeft niets te zeggen in huis, alleen op kantoor.
Alle slaven zijn van mijn Mama, en wagens, en paarden, en huis, en alles,
alles Meneer! Mijn mama doet alles. Mijn Papa brengt geld en daarmee
uit." Mama laat hem niets doen en niets weten. "Raakt hem
niet" zij zegt en dan zij geeft feesten en hij moet ontvangen.
Zij laat haar Netje trouwen en hij gaat mee naar stadhuis, naar kerk,
naar overal, maar weet niet van onaangenaamheden, en nu met de ratjoen-perkare
net zóó, hij weet niet.:. ik zeg hem en hij gelooft niet
O
" gelooft Mama alleen, omdat Mama manis met hem,
net zoo manis als met Hak. O, mijn Mama is pintarl pintar skalie! Niet
van javaansche moeder, maar van chineesche familie, mijn Mama."
"Ga zoo voort Mevrouw, vertel me alles van u familie en van u zelve,
zeg me alle onaangenaamheden die ze u hebben aangedaan, alle mishandelingen..."
"Soedah, als al voorbij, dan soedah."
[42:]
"Mag ik morgen
bij u komen om u te spreken over uw echtscheiding?"
"Neen, niet bij Mama."
"Waar dan?"
"Bij mijne vriendin, die met de Groot getrouwd is, luitenant de
Groot te Pontjol - U weet wel mijn vriendin van het vorige bal? - Om
tien uur, morgen, ja?"
"Goed, Mevrouw, tot morgen."