De Leestrommel


A-E F-I J K-O P Q-T U-Z

Mina Kruseman: Paria's (Eerste Deel)
Dordrecht: Revers, 1900

 

VIERENDERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE VERRASSING.

 

Toen de Notaris dien morgen aan het ontbijt kwam. en zijn vrouw niet vond wreef hij zich tevreden in de handen en sprak hij vergenoegd in zich zelven:
"Toch een kranig wvijf, die Lize! Die receptie's krijgt ze er wel weer door!... De menschen mogen haar graag en ze doen voor haar wat ze voor geen ander doen zouden."
"Ketjil, waar is Mevrouw?" vroeg hij een jongen die voorbij liep.

 

[282:]

 

"Mevrouw is gaan wandelen."
"Met Saïna?"
"Neen Meneer, alleen."
"Heb je gezien waarheen?"
"Rechts om, de laan op."
"Goed."
Na het ontbijt ging de Notaris baden, een beetje rondslenteren, rooken, zich aankleeden en toen reed hij naar zijn kantoor.
Een oogenblik had het hem bevreemd dat Lize zoo lang uitbleef. doch spoedig had hij zich zelf gerust gesteld met de gedachte: "Hoe langer zij praat, hoe meer zij gedaan krijgt.".
Toen hij 's middags thuis kwam en nog zijn vrouw niet vond vroeg hij weer aan Ketjil:
"Weet je ook waar Mevrouw is?" Maar deze keer kon Ketjil geen bevredigend antwoord geven, hij had Mevrouw niet gezien.
"En waar is Saïna?"
"Zij zit voor de deur van Mevrouw's kamer te wachten op Mevrouw."
"En weet zij ook niet waar Mevrouw is?"
"Koerang priksa, Toewan."
"Saïna! Kom hier.'"
"Meneer?"
"Waar is Mevrouw?"
"Koerang priksa, Toewan."
"Waar kom jij dan van daan?"
"Ik kom uit de stad."
"En wat heb je dáár gedaan?"
"Ik heb Njonja de Pitte helpen naaien."
"En wat had Njonja de Witte te naaien?"
"Klamboes, Toewan."
"Loop naar de pomp!"
"Saïa Toewan."
"Nu? Waar wacht je op? ga heen."
"Saïa Toewan."
En Saïna ging weer op haar hurken zitten, voor van Lize's kamer.

 

[283:]

 

Toen riep de Rank zijn lijf jongen en vroeg hèm naar Mevrouw.
Maar zijn lijf jongen had Mevrouw niet gezien, den geheelen dag niet gezien.
"En gisteren? Wat heeft Mevrouw gister avond gedaan?"
"Geschreven."
"Geschreven? . .. En aan wie?"
"Koerang priksa."
"En wie heeft haar brief weggebracht?"
"Mevrouw heeft hem verzegeld met rood lak en toen…"
"Welnu spreek."
"In de kast gesloten."
"Hoe weeT jij dat?"
"Ik heb het gezien, door de jalouziën... Mevrouw had een groote lamp op de toilettafel gezet... Meneer had gezegd dat ik Mevrouw bespieden moest.."
"Goed, goed... Maar dat allés verklaart me niet waar Mevrouw is."
"Misschien. .. vertrokken."
"Vertrokken! ! !"
"Misschien."
"Je bent gek,kerel!"
"Misschien," herhaalde de jongen bedaard.
"Roep den koetsier."
"Wat verlangt Meneer?"
"Mevrouw?"
De koetsier antwoordde niet.
"Waar heb jij Mevrouw heen gebracht?"
"Nergens Meneer, ik heb Mevrouw niet gezien."
"En hoe heb je dan gras voor je paarden gekocht?"
"Ik heb het niet betaald, Meneer."
"En padie? en dedak?"
"Ze hebben geen padie en geen dedak gehad. Meneer."
"Wat heb je gisteravond gedaan?"
"Geslapen, Meneer."
"Ga heen."

 

[284:]

 

"Koetsier!"
"Meneer?"
"Roep Kokkie."
"Meneer roept me?"
"Ja, wanneer heb jij Mevrouw het laatst gezien?"
"Gisteravond, Meneer."
"En wie heeft je dan passargeld gegeven?"
"Niemand, Meneer."
"Hoe heb je mij dan te eten kunnen geven?"
"Ik heb op krediet gekocht."
"Hier heb je tien gulden, betaal alles, het gras ook, ik wil geen schulden hebben."
"Dank, Meneer."
De Notaris hield zich alsof hij de courant las, hij dronk z'n thee, rookte een paar cigaren, ging baden, kleedde zich en toen hij mooi was, reed hij naar de stad met de Sydneyers van Lize, en zijn lijf jongen op den bok. Zijn eerste bezoek was voor Rijnsma, die hem zeggen liet dat hij hem niet ontvangen kon.
Toen vroeg hij naar Jufvrouw Hanna, die hem lachend te gemoet kwam.
Hij had wel dadelijk willen roepen:
"Mijn vrouw?!"
Maar de Jufvouw voorkwam hem, dooor te vragen naar Lize.
"Zeer goed. .. dank u... ze maakt het zeer goed... en u?"
"Dank u. U komt zeker uit naar van Lize om te hooren hoe het met Mevrouw de Witte gaat? Och, dat gaat niet goed.. . . We zullen haar niet lang meer in ons midden houden. Arme, Moeder! Ze heeft zoo veel wat haar aan 't leven hecht, maar ze heeft ook zoo veel wat haar in den dood vooraf is gegaan."
"Ja, dat is zoo...!" mompelde de Notaris, zonder zelf recht te weten wat hij zei.
"Lize is altijd zoo goed voor haar geweest!" hernam de Jufvrouw. "Als zij kan, moet ze haar weer eens spoedig komen opzoeken, zij is vroolijk en gezond, zulke menschen brengen zonneschijn in een ziekekamer, en doen meer goed dan alle mogelijke medicijnen doen kunnen."

 

[285:]

 

"Ja, dat is zoo," herhaalde de Notaris, terwijl hij aan iets anders dacht. Hij begreep dat hij hier niet behoefde te vragen naar zijn vrouw, of de Jufvrouw wist alles en wilde hem niets zeggen, of zij wist niets en dan kon ze hem niets zeggen. Hij gevoelde zich gek tegenover de vrouw op wie hij altijd geschimpt had, en hij wou dat i weer thuis zat, in zijn achtergalerij met zijn courant en zijn cigaar... Mèt Lize of zonder Lize, dit was zelfs voor het oogenblik van minder belang.
Hij wilde opstaan en heen gaan... maar hij was er pas. . . hij zocht naar een gesprek... maar hij vond geen onderwerp.
De Jufvrouw liet dranken komen en de Notaris nam een bittertje. Hij bewonderde de karafjes, die heel gewoon waren, en het présenteer-blaadje van grof chineesch lakwerk... De Jufvrouw lachte zonder te antwoorden, en weer voelde hij zich gek.
Hij zocht en zocht, maar vond niets meer in zijn brein; toen stond hij op en vertrok hij weer in het groote rijtuig van Lize, dat i nog nooit zoo lekker had gevonden.
Toen hij thnis kwam volgde zijn lijf jongen hem op de hielen, tot in zijn kamer.
"Wel?" vroeg de Notaris, "wat weet jij?"
"Niets Meneer.
"Is Mevrouw dáár niet geweest? Heeft niemand haar gezien?"
"Neen Meneer.
"En is de Jufvrouw niet uit geweest?"
"Neen Meneer."
"En SaÏna?"
"SaÏna heeft geslapen 'bij de lijfmeid van de Jufvrouw, in de bijgebouwen."
"En daarna?"
"Om zes uur is ze opgestaan en om zeven uur was ze hier."
"En is dat al wat je weet?"
"Ja. Meneer. Maar gisteren…"
"Zanik toch niet! Gisteren is Mevrouw er twee maal geweest, dit weet ik... Maar gisterenis vandaag niet! Ik wil weten wat er van daag gebeurd is,.. Van morgen heel vroeg is Mevrouw

 

[286:]

 

uit gegaan, te voet, in Kaïn-kabaïa, op sloffen... naar de buren dus, en nu?.. Waar is ze nu?"
"Bij de buren is Mevrouw niet geweest."
"Dat weet ik. Ik heb het laten vragen, niemand heeft haar gezien. .. Maar zij moet toch ergens wezen?"
"Misschien vertrokken," giste de jongen weer.
"Vertrokken?.. Maar waarheen dan toch?"
"Misschien naar Samarang of naar Salatiga dààr ergens moet haar oude Boessoek wonen."
"Och, je bent gek, kerel!"
"Misschien. . ."
"Mijn vrouw is nog al een persoontje om met een oud wijf in den Kampong te gaan wonen!"
"Misschien."
"Ga heen."
De jongen verdween en de Notaris nam een lamp van tafel en ging naar Lize's kamer.
Dààr was alles als altijd; haar goudleeren schoentjes stonden onder het bed, verscheiden japonnen hingen aan den kapstok, eenige sarongs lagen in hun mandje; op de toilettafel stonden alle ornamentjes, bedak doozen, potjes, flaconnetjes met parfum, eau de Cologne... er miste niets.
Hij zette de lamp op tafel en riep Saïna.
"Kijk jij eens goed rond."
De meid werd bang.
"Waat verlangt Meneer?"
"Kijk goed rond... Wat mist hier?"
Saïna vreesde van diefstal beschuldigd te worden en riep snel:
"Niets, Meneer."
"Heeft Mevrouw niets meegenomen?"
Zij haalde ruimer adem:
"Misschien uit de kast, Meneer."
"Waar is de sleutel?"
"Dien heeft Mevrouw."
"Haal alle sleutels die je vinden kunt."

 

[287:]

 

Alle sleutels werden gepast, eindelijk was er één die rond draaide en de kast ging open.
Vóóraan stond het écrin van den vorigen avond. Twee planken waren geheel leeg, twee anderen vertoonden een verwarring, die aan dieven deed denken en de onderste plank was bezaaid met papiertjes en leege doosjes. In de laden was niets meer.
De Notaris wierp zich op het écrin alsof dàt hem alle raadsels op-moest lossen, en inderdaad het verklaarde hem iets; Lize had zijn geschenk versmaad, want de bijouteriën waren er in, met haar trouwring en in de deksel had zij een papiertje geplakt, waarop zij met heele mooie lettertjes geschreven had:


Voor Mevrouw De Haan
van
Lize den Toom.

De Notaris stond stom: Saïna sloop de deur uit.
Maar hij had geen tijd om lang aan het écrin te denken, daar zijn lijf jongen, die hem buiten z'n weten gevolgd was, de hand naar de kast uitstrekte en heel onderdanig fluisterde:
"Hier is den brief Meneer, welken ik Mevrouw gisteravond heb zien schrijven."
"Wat doe jij hier? Schurk!... Verdwijn, zeg ik je! Ik wil alleen zijn!"
De jongen schoof weg, maar een zegepralend lachje deed zijn bijna gesnorde lip naar boven krullen en een blik vol diepe verachting was zijn eenig antwoord aan z'n meester.
De Notaris deed de deur op slot en opende den brief, welke aan hem gericht was:
"De Rank.
"Ik heb je getrouwd voor me zelve en voor jou, in
"een oogenblik van wanhoop. Niet uit liefde, maar toch in de overtuiging van mijn leven te zullen verbeteren en het joue te kunnen veraangenamen.
"Ik hield van een ander, dit wist je, maar die andere
"was verloren voor mé... . ... Aan de bekentenis die je me eenige dagen geleden gedaan hebt, geloof ik niet... jullie

 

[288:]

 

"hebt elkander nooit gekend... en hij zou jou nooit geloofd
"hebben, hij verachtte je, want je réputatie was ellendig...
"Pa alleen, Pa die zich met niemand bemoeide, wist niets
"van je, en ik?.. Ik dacht toen dat de reden waarom je
"mij de voorkeur gegeven hadt boven zoo vele andere
"meisjes die je krijgen kon, nog minder egoïstisch was "dan de
"mijne, en ik waardeerde je onbaatzuchtige genegenheid. .Ik
"heb zelfs een oogenblik van je gehouden, het was den
"avond toen je me het schandelijkst bedrogen hebt, den
"avond vóór Pa's vertrek, toen je hem het geld van mijn
"arme Moeder hebt terug geven... dat zelfde geld wat ik
"later in het laadje van je secretaire heb gevonden... het
"geld waarmee ik je bals en je recepties moest betalen! "O ik vloek je!
"Je wist dat ik je haatte, je verachtte, en daarom heb
"ik je voorgesteld te divorceeren, ook dat voorstel heb je
"weer met een laagheid beantwoord... ik heb het papiertje
"hier vóór me liggen, waarop je geschreven hebt:
Je echtgenoot voor de wereld,
de Ran
k.
"Voor de wereld alleen! Ja, dit is waar, want feitelijk
"zijn wij reeds sedert lang gedivorceerd! Voor de wereld.
"echter heb ik geen plan nog langer een leugen vol-te-
"houden, die me in mijn eigen oogen vernedert. Daarom
"vertrek ik. Ik weet dat jou wereld mij verachten zal. . .
"maar die verachting verkies ik verre boven de jouwe. Ik kan niet langer leven in de smeerige atmosfeer die jij fatsoen noemt, je verpeste schijnheiligheid zou me aansteken op het laatst en je altijd triomfeerende deftigheid zou eindigen met me mee-te-sleepen. Dat wil ik niet, daar ben ik te goed
"voor. Daarom verlaat ik je. Ik hoop voor jou, zoo wel als
voor mij, dat we elkaar nooit weer zullen zien. Mocht het
"anders wezen, tracht dan niet mij het leven moeielijk te
"maken en tracht vooral niet me te dwingen, (met je wet
"in de hand misschien) weer in jou huis terug te komen), want:
[289:]
"nooit wil ik meer onder één dak wonen met den ellendeling die me zijn Njai tot lijfmeid wilde geven.
"Jij hebt natuurlijk even goed als ik geweten, dat het
"vergif van den Hadji, niet door Sem voor jou gekocht
"is maar voor mij.
"Ja, dat hèb je geweten.
"Alse later wel mocpt willen divorçeeren voor je
çarrière misschien!.. . dan kun je altijd op mijn toestemg
"rekenen. Jij die in je vrquw niets anders ziet dan het
"voornaamste meubel van je huis zult het waarschijnlijk
"noodig achten, mij zoo spoedig moge!ijk te remplaceeren,
"hetgeen je niet moeielijk zal zijn. Geneer je dan niet. Ik
"verklaar hierbij dat je volkomen vrij bent te handelen naar
"goedvinden. Ik heb het eerst divprce gevraagden stem dus
"natuurlijk toe in den divoroce dien jij kunt vragen. Mocht
"je plan hebben te blijven weigeren, om me te plagen of me
"te verhinderen een ander huwelijk te sluiten, laat me je
"dan ook deze laatste illusie nog even ontnemen: Ik heb
"jou dood verklaard en mèt jou alle mogelijke huwelijks-
"wetten, die ik zoo barok vind, dat ik er mij nooit weer
"aan zal onderwerpen, - Ik verlang niets dan mijn vrijheid
"die heb ik hernomen, en die zal ik weten te handhaven
"tot m'n dood, mèt of tegen je wil, dit is me om het even;
"Als er één ding op aarde bestaat wat elk mensch als zijn
"rechtmatig eigendom kan beschouwen, dan is het z'n eigen
"lichaam. . .

MIJN LICHAAM IS MIJN

Lize den Toom

De Notaris gevoelde zich, alsof hij een slag op z'n hoofd gekregen had, en een duw in z'n rug, en een stomp op z'n maag... hij stikte! Was dát een brief van Lize? ... Zóó schaamteloos had i zich zijn vrouw niet voorgesteld!... Wat schreef ze toch?...

"Mijn lichaam is mijn!"

Neen, dat is het niet! Een getrouwde vrouw!... Het is God

 

[

[ 290:]

 

 

geklaagd! Z'n gedachten vlogen naar Mevrouw De Haan en daar kreeg i weer een slag op z'n hoofd.
"Maar die maakt geen schandaal!... Het is mijn naam die ze te grabbelen gooit!"...
Hij wilde den brief overlezen, maar de letters dansten hem voor de oogen, hij kon niet.
Zij was vertrokken, schreef ze immers... Vertrokken zonder geld?.. De bijouteriën van den vorigen avond had ze zelfs niet meegenomen... dan was ze vertrokken met iemand... met iemand die veel geld had..: Rijnsma!!!
Hij riep zijn lijfjongen en begon hem weer te ondervragen.
"Toewan Rijnsma?"
"Saïa tida kenal."
"Jij, hebt aan Mevrouw gezegd van Mevrouw de Haan."
"Tida Toewan, boleh mati!" [Neen Meneer, ik mag dood neervallen]
"Hoe weet ze dan..."
"Veel menschen weten."
"Meneer de Haan weet toch niet?"
"Brankali tauw djoega." [Misschien weet hij 't ook]
Dat moest hem een hoog idée van de moraliteit van den Heer de Haan geven. De Notaris was niet eens verwonderd en ging eenvoudig voort.
"Welke personen ontving Mevrouw het meest?"
"Mevrouw ging dikwijls uit."
"Waarheen?"
"Naar de stad, het commensalenhuis."
"Meneer Rijnsma!"
"Ik ken hem niet."
"En verder?"
"Anders niet. Toeren zonder uit-te-stappen."
"En welke heeren kwamen hier, als ik uit was?"
"Geen."
"En dien avond, je weet wel?"

 

[291:]

 

"Dit is den eenigen avond geweest."
"Dan is zij in het commensalenhuis."
"Misschien niet."
"En waar zou ze dan zijn?"
"Misschien vertrokken."
"Loop naar den duivel!"
"Ik denk dat Mevrouw bij Boessoek is."
"En waarom denk je dat?"
"Ik heb in het commensalenhuis gesproken met een oude meid van de Tante van Mevrouw, die dood is.."
"Wel!" riep de Notaris opspringende. "En heeft die je wat nieuws verteld?"
"Zij heeft Mevrouw gekend toen ze nog een kind was en ze zei…"
"Nu, wat zei ze?"
"Ze dacht dat Mevrouw naar Boessoek was..."
"En waarom juist naar Boessoek?"
"Omdat Mevrouw veel van Boessoek hield, die haar gewaarschuwd had voor de vruchten van de Njai."
"Genoeg, laat inspannen."
En de Notaris reed naar Mevrouw de Haan, met het écrin van Lize, den trouwring had hij in z'n portemonnaie gestoken.

Den volgenden dag wist geheel Soerabaia dat Lize verdwenen was, en de menschen amuseerden zIch ten koste van de Rank, of beklaagden hem, of wilden hem troosten, omdat zij medelijden met hem hadden.
Lize werd eenvoudigveracht.

 

Inhoudsopgave | Vorig hoofdstuk | Eerste hoofdstuk

     
Damescompartiment Online
naar de Leestrommel