[23:]
DERDE HOOFDSTUK.
THUIS.
Een maand later
zat Netje in de achtergalcrij van de Adsistent-Resident's woning te
A. aan tafel naast haar echtgenoot.
De oppassers en de slaven wedijverden in het vlug ronddienen der gerechten
en de Adsistent-Resident scheen tevreden met zijn lot.
Netje was langer geworden, magerder en oud. Er was iets stroefs in haar
gelaat gekomen, iets kils, iets uittartends, dat alleen verdween wanneer
ze haar kleine hand op den kop liet liet rusten van een jachthond, die
aan tafel altijd naast haar zat, op een chineesch matje. Hak at en dronk
en riep gedurig om het een of ander gerecht. Zij zei niets en speelde
met haar eten zonder het te proeven -
"Eet je geen frikadel?" vroeg zij eindelijk, na lang geaarzeld
te hebben.
"Frikadel?... neen, die ajam pangang is zoo lekker en die sesatie
smaakt me zoo goed..."
"Maar de frikadel is nog lekkerder!"
"Zoo?" en hij at voort zonder van de frikadel te proeven.
Netje zag hem schuins aan, volgde al zijn bewegingen, werd al meer en
meer ongeduldig en vroeg eindelijk weer "waarom toch eet je vandaag
geen frikadel?"
"Frikadel? . . . ja:, strakjes mogelijk."
"Waarom strakjes? Hij is zoo lekker - ik heb hem zelf klaar gemaakt
- kijk deze daar..."
En ze schoof een balletje gehakt van den schotel op het bord van den
Adsistent-Resident.
Hij zag haar aan om "Dankje Poppetje" te zeggen, maar ontstelde
van de uitdrukking van haar koortsachtige oogen, en zei niets.
[24:]
Een oogenblik later
nam hij de frikadel tusschen duim en voorste vinger gaf hem aan Fidel,
die hem, in één hap, opslikte.
"Ja Allah!" gilde Netje. Zij sprong op, bleef naast hem staan,
verstijfd van schrik en zag hem aan met zoo veel afschuw en verachting
dat de Adsistent-Resident er van verbleekte.
"Welnu?" vroeg hij aarzelend.
"Wat heeft die hond misdaan? Arme, arme, arme Fidel!"
Zij vloog den tuin in gevolgd door Fidel, riep haar lijfmeid, en de.
kokkie en de naaister, vroeg Santen en Klapperwater, nog meer en nog
meer." "Haal kleine Klappà idjoe! roep den doekon,
en den ouden hadjié die waarzegger is.. en de grijze Nennek die
tooveren kan...
Den volgenden dag wachelde FideI vermagerd en verstijfd, met den dood
in de oogen naar het bureau van den Adsistent-Resident. Netje volgde
hem met een matje wilde hem laten liggen, nog meer Klappermelk geven.
Te vergeefs, hij bleef vóór de Kamer staan, leunde tegen
de deur, kreunde, krabde, trachtte zich op te richten, maar zonk als
een pak op de steenen.
"Doe open!" gilde Netje. "Fidel gaat dood; doe open!
doe open! open! open! open!"
Hak opende de deur en Fidel kroop naar binnen, lekte even de handen
van zijn meester en liet z'n kop op de stee en zinken met een vreemden
kreet. Hij was dood.
Daar stonden man en vrouw tegenover elkander, gescheiden door hun trouwen
hond.
De Adsistent-Resident sloeg z'n oogen neer, Netje sloeg de haren op.
Die sombere zwarte oogen gloeiden, ze werden weer rood en groen en vonkelend
als op den dag van hun huwelijk en ze staken, ze staken, ze brandden
den Adsistent-Resident, die bang werd.
"Poltron!" schreeuwde de jonge vrouw, lafaard! harteloos schepsel!
Meer dan vier-en-twintig uren is hij ziek geweest en al dien tijd heb
jij je opgesloten in je kamer, zonder naar hem om te zien! En hij komt
hier sterven aan je voeten! Aan jou voeten, moordenaar! jij, die hem
vergiftigd hebt! God. God, Wat
[25:]
kan ik dien man
toch doen! Wat moet ik doen om m'n armen hond te wreeken!"
"Vergiftigd?... Je bekent het dus... jij hebt mij..."
"Jou! ja, natuurlijk! Jij hebt het immers verdiend!"
"Netje, je weet niet wat je zegt..."
"En ik had het je beloofd, den dag van ons huwelijk? O, jij hebt
veel te lang geleefd!"
"Zwijg toch!"
"Neen, ik wil niet zwijgenl"
"De dienstboden... de oppassers..."
"Weten het zoo goed als jij!"
"Maar dan zal ik verplicht zijn het aan te-geven
je over-te-leveren
aan de justitie..."
"Doe maar! Als jij moet blijven leven, maak mij dan dood! Dan zie
ik jou niet meer, en dan is alles soedah."
De Adsistent-Resident trad eenige passen in zijn kamer terug, schoof
Fidel naar buiten en sloot de deur.
Netje bleef als versuft staan. De kalmte van den Adsistent-Resident
was haar een raadsel. Voelde die man dan niets?:..
Ja, wel iets gevoelde hij, iets heel mins, heel laags, heel verachtelijks,
iets wat zij, arm, afhankelijk en weerloos overgeleverd kind, nog nooit
gevoeld had: angst. Die groote, krachtige, veelvermogende man was bang.
Netje gevoelde het. Een vreemde lach speelde om de witte lippen van
de jonge vrouwen terwijl zij zich bukte om Fidel op het matje te leggen
en hem mee-te-trekken naar de achtergalerij, sprak zij somber in zelve:
"Dood zàl i!... Van daag of morgen, wat doet dat...
Ja, Allah! hij is bang voor mij!"