[276:]
DRiEENDERTIGSTE HOOFDSTUK.
HET VERTREK.
Om drie uur kwam
Lize thuis. Zij vond de Rank in druk gesprek met z'n lijf jongen.
"De koffer van Mevrouw..." waren de eerste woorden die zij
opving en ze begreep dadelijk dat hij op zoo'n ongewoon uur z'n kantoor
verlaten had omdat hij vermoedde dat er iets broeide thuis.
"Waar kom jij van daan?" vroeg hij vrij vriendelijk.
"k ben naar de stad geweest om mijn koffer te laten répareeren."
"Zoo?.. En waarom dat?.. als ik je vragen mag?"
"Ik wilde kleinigheden zenden aan Boessoek."
"Zoo. .. En waar ben je nog meer geweest?"
"Bij Mevrouw de Witte."
"Sterft die nooit?"
Lize keerde hem den rug toe en sloot zich op in haar kamer.
De Notaris vervolgde zijn gesprek met z'n jongen.
"Dus de meid is meegegaan, zeg je?"
"Ja, Meneer."
"En nu. . . .waar is ze nu.
"Koerang priksa."
"Ga vragen aan den koetsier."
De jongen ging en kwam terug met de boodschap dat de meid in de stad
gebleven was.
"Bij wie?"
"In 't commensalenhuis."
"Dan is 't niets."
En de Notaris ging een dutje doen.
[277:]
Intusschen haalde
Lize al haar japonnen uit om te zien welke zij op reis zou kunnen aandoen,
en welke zij er over heen zou kunnen doen om de onderste bij jufvrouw
Hanna achter te laten en met de bovenste alleen weer thuis te komen.
"Dat is beter, dan met een boenkoes uit te rijden!" dacht
zij bij zich zelve en toen zij gevonden had wat ze zocht, ging ze baden
en zich kleeden en vertrok ze weer naar de stad.
De Notaris sliep nog.
Toen zij, tegen zes uur weer thuis kwam, vond ze de Rank in de achtergalerij
zitten met z'n thee.
Hij lachte half toen hij haar zag en vroeg: "Leeft ze nog?"
"Zeker, leeft ze."
"Heb je Saïna aan haar cadeau gegeven?"
"Neen, Saïnà moet haar helpen naaien."
"En komt ze dan terug?"
"Ja, morgen."
"Vreeselijke vriendschap!"
Lize antwoordde niet.
"Wie is hier gisteravond geweest?"
"De Ingénieur Krieger."
"Wie is dat?"
"Weet ik het!"
"Hoe kom je aan dien man?"
"Hoe kom jij aan hem?"
"Ik ken hem niet."
"Nu, dan behoort hij tot de invités uit de tweede hand."
"Dat kan zijn. Toe, Lize, schenk me nog eens in?"
Hij werd lief. Lize, gaf hem z'n kopje.
"Heb je wat te doen?"
"Neen, niets."
"Kom dan een beetje bij me zitten praten."
Lize ging zitten.
"Heb je me iets te zeggen?" vroeg ze.
"Bepaald te zeggen, neen. .. Ik wou je vragen hoe je het zou vinden
als we eens vast receptie hielden?.. Om de veertien dagen, bijvoorbeeld
ell er dan een groote vuif van maak
[278:]
ten? Muziek en dansen,
een partijtje voor de kaartspelers, soupé, koud of warm, zoo
als je wilt?"
"Heel goed," antwoordde Lize, "wanneer wou je beginnen?"
"Ja, we moeten het bekend maken, natuurlijk, en dan zoo eenige
invitaties onder de hand. Je moet er maar eens over spreken met den
een en ander. .. Zoo los weg... jij kunt dat zoo aardig doen... sans
avoir l'air d'y toucher."
"'s Morgens om zes uur bijvoorbeeld!" riep Lize lachend.
"Als ik in sarong en kabaia op mijn slofjes het hek uit wandel
en de een of andere buurvrouw in haar tuin zie!"
"Ja, juist! Of als je de vrouw van den Resident of van dep Kolonel
eens in een toko ontmoet... ga er maar binnen als je het rijtuig vóór
ziet staan... Enfin, dit laat ik geheel aan jou over, jij hebt meer
slag van die dingen dan ik... Je bal wordt overal geroemd, er is maar
één roep over. "Magnifiek!" . . . Je kunt van
avond al beginnen als je wilt."
"Neen, ik ben moe. Ik ben al twee keer naar de stad geweest! Ik
ga van avond vroeg naar bed. Morgen ochtend. . ."
"Ja, dat idée is niet kwaad, een Kaïn-kabaia praatje
is geheel sans conséquence en dan kan je den indruk zien. ..
Ze moeten het aardig vinden... Ze mogen er vooral geen bluf in
zien, hoor?.. Want dan komen ze niet; en dan sla ik een mal figuur!"
"Ik ook!" verbeterde Lize.
De Notaris lachte.
"Het moet goed zijn, hoor?"
"Natuurlijk! van alles volop."
"We hebben den 16den van daag?"
"Ja. Waarom vraag je dat?"
"A\ls je geld noodig mocht hebben?"
"O neen, ik heb nog geld genoeg."
"Moet je geen nieuw toilet hebben?"
"Voor een receptie? Neen."
"Maar ik wil dat je mooi zult wezen!"
"Dat weet ik."
"Ik heb wat voor je meegebracht."
[279:]
"Wat voor me
meegebracht?"
"Ja, om uit te kiezen."
En de Notaris haalde drie écrins uit zijn kamer, welke hij geopend
voor Lize op tafel zetten.
"O, neen!" waren Lize's eerste woorden, maar ze bedacht zich
en zei toen lachend:
"Deze parure vind ik de mooiste; smarachten en brillianten maken
elkander mooi bij lamplicht."
"Niet waar? Dus is mijn keus goed geweest! Geef me nu maar een
zoen voor de moeite!" En de Notaris omhelsde zijn vrouw ten oogenschouwe
van de dienstboden, die nu Meneer en Mevrouw voor langen tijd verzoend
wvaanden.
Dien avond, aan tafel, was Lize heel vroolijk en lachte de Rank, als
in de eerste huwelijksdagen. Na het eten ging hij weer naar de stad,
zoo als hij elken avond deed, en liet Lize de lampen uitdraaien en het
huis sluiten, terwijl zij zich naar haar kamer begaf, wvaarvan zij de
deur zorgvuldig dicht sloot.
Om elf uur zat ze nog te schrijven. Een brief aan de Rank, niet lang,
maar goed overdacht. Zij had elke zin pas neergeschreven, nadat ze zorgvuldig
berekend had hoe de Notaris die op zou vatten en uit zou leggen en wat
hij dan doen zou, vooral.
Den volgenden morgen, om vijf uur, stapte zij in Kain-Kabaia op slofjes
het hek uit en eenige oogenblikken later zat zij met Rijnsma in den
huurwagen, die haar naar het commensalenhuis bracht. Jufvrouw Hanna
wachtte haar met Non in de pianokamer, waar het ontbijt gereed stond.
"Kom je gauw verkleed en, kind, waren Jufvrouw Hanna's eerste woorden
en, terwijl Non en de Jufvrouw haar hielpen, vertelde Lize de geschiedenis
van het écrin en van haar vlucht.
Wij hebben intusschen voor je koffertjes gezorgd. De twee groote zijn
gisteren verzonden naar boord, hier heb je het kleintje met het hoog
noodige voor de reis, om bij je te houden in de hut en dan heb je hier
nog een kistje, wat Rijnsma voor je gekocht heeft, om je schatten van
Tante in te bergen. En een handkoffertje, waarin je niets van waarde
moet doen, daar
[280:]
iedereen zoo'n
koffertje kan open maken, of het mee kan nemen. In dit kokertje zijn
vijf duizend gulden aan gouden tientjes.
Non heeft een sterk linnen zakje voor je gemaakt waar je het geld in
kunt doen en zegt dat je dat om je hals moet binden, onder je japon,
dan kan niemand het je afnemen. In dezen portefeuille heeft meneer Rijnsma
een wissel op de Nederlandschen bank gedaan, groot twee en dertig duizend
gulden, waarbij ook het geld is dat hij gisteren voor de verkochtte
bijouteriën gekregen heeft.
"Maar Nederlandsche..."
"In welk land je je ook bevinden zult, kan de Nederlandsçhe
Consul je aan geld helpen met dien wissel. Bewaar hem goed hoor... draag
hem ook maar bij je... en vertrouwd niemand op reis... Je bent hier
in Indië niet gewend aan dieven, maar Europa wemelt er van. Denk
dat je geheele toekomst mogelijk van dat stukje- papier afhangt, je
kunt natuurlijk altijd op den duplicaat-wissel rekenen, maar intusschen
zou je in zoo'n groote geldverlegenheid kunnen komen, dat je geen raad
zou weten."
"En waar kupnen we je schrijven?"
"Schrijven?.. Te Napels. Ik zal schrijven, maar van waar?
. . . Ja dat weet ik zelf niet. . ."
"Met welke mail vertrek je?"
"Ik weet het niet... De fransche of de engelsche, natuurlijk, want
op een hollandsche boot zou ik me niet veilig gevoelen. .. Wat kan de
Rank me eigenlijk doen?
"Dat weet ik niet... hij kan je op laten vatten en naar zijn huis
terug voeren, misschien."
"Maar als hij me niet vinden kan?"
"Ik denk niets."
"Welnu, dan blijf ik reizen!"
"Zie zoo, ik ben klaar. Nu Meneer Rijnsma geroepen om te ontbijten
en dan gauw weg."
Zij ging zelve Meneer Rijnsma halen en kwam hand in hand met hem terug.
'
"Ja, zeker zal ik u altijd dankbaar blijven voor hetgeen u
[281:]
voor mij gedaan
heeft. M'n vader of m'n broer had beter niet voor me kunnen zorgen.
Ik hoop dat u gelukkig zal wezen, u verdient.. "
Groote tranen schitterden in haar koortsachtige oogen en zeiden voor
haar, wat ze niet in woorden kon brengen. Toen dronken allen een kop
koffie en stond Lize op om te vertrekken.
Het ontbijt bleef onaangeroerd. Meneer Rijnsma herinnerde haar dat hij
haar passage-biljet genomen had op den naam van Mevouw Asman en Lize
stopte het passage-biljet met de reçu van haar eerste koffers
in haar portemonnaie om alles bij de hand te hebben en aan boord zoo
gauw mogelijk naar haar hut te kunnen gaan, daar zij vreesde iemand
te zullen ontmoeten die haar kende.
Rijnsma wilde mee gaan naar den Oedjong om haar te helpen, maar Lize
smeekte hem om zich niet onnoodig bloot te stellen en vertrok alleen.
Het afscheid van haar vrienden, van Non vooral was hartverscheurend;
en meer dood dan levend reed Lize voor het laatst haar geliefd Soerabaia
door, waar ze zoo veel lief en leed gekend had en zulke trouwe vrienden
achter liet.