TWEEDE
HOOFDSTUK.
EEN MAAND LATER
Mevrouw van Loon
staat in de binnengalerij tusschen haar man en den Adsistent-Resident
Hak, ze is weer zoo trotsch als een pauw in haar japon van zwart satijn
met groote briljante steenen in haar ooren, aan haar vingers, in het
haar, op de borst, om de armen, ze schittert van het hoofd tot het ceinture
en ofschoon ze klein is, ziet ze op de heeren neer, als een afgodsbeeld
op het gepeupel.
Mijnheer van Loon is een man van middelbaren leeftijd, lang, mager,
uitgedrdogd; eenigszins gebogen, en afgetrokken, alsof z'n gedachten
op z'n kantoor waren gebleven.
De Adsistent-Resident is een knap man, veertig jaar oud, groot, vrij
gezet, met zorg gekleed, zeer ingenomen met zich zelf, bewust van zijn
eigen voornaamheid en overtuigd van het beproefd "mijn willen is
kunnen." De javanen erkennen zijn meerderheid en kruipen voor den
Toewan Bezar, dien zij bewonderen. Hij is charmant tegen Mevrouw van
Loon en behandelt Meneer zoo als hij een klerk of een commies zou behandeld
hebben; met condescendence.
[18:]
Mijnheer van Loon
zegt niets. Hij is gerokt en trekt zijn handschoenen aan, die veel te
lang en te wijd zijn, en hem om de handen zwabberen, zooals zijn rok
hem om de lendenen slingert.
Daar gaat de deur van Netje's kamer open en verschijnt de jonge bruid.
Zij is in 't wit satijn gekleed, met een langen tulle sluijer die haar
nazweeft en oranjebloessems in het haar en op den borst. - Zij loopt
als een mécanieke pop recht op haar bruigom af en blijft vóór
hem staan zonder een woord te zeggen.
"Mijn Poppetje!" roept de Adsistent-Resident, en hij opent
de lange armen als twee deuren van een gevangenis, bestemd om zich voor
altijd te sluiten om het slachtoffer dat er in verdwijnen zal.
Maar Netje duikt terug onder den greep en stapt vooruit, door de binnengalerij
en de voorgalerij, den stoep af in het rijtuig, Dáár zit
ze in haar mooi toilet, met den rug naar het geopend portier, stijf
naar buiten te kijken in den tuin.
Mama en de Adsistent-Resident volgen, fluisterend, in een zeer geanimeerd
gesprek. Papa komt achteraan en zegt niets.
Vóór het portier blijft Mama staap en wenkt ze haar man.
"Jij in tweede wagen met hèm. Ik met Netje."
"Maar kind..." vroeg Meneer
"Soedah!" brak Mama zijn phrase af en zij stapte in het koetsje
en reed met Netje weg.
De heeren volgden in het tweede rijtuig.
Netje bleef het portier uit staren en zei niets. Mama schikte de plooien
van haar sluier, de oranjebloessems, de lange sleep van wit satijn en
vergat niet haar eigen armbanden ook om-te-draaien, met de groote steenen
naar boven, slangenoogen van robijnen en staarten van diamanten...
"Nu jij mooie- bruid... Pantes!" zei ze eindelijk.
Netje zag om, haar zwarte oogen schoten vuur, ze zagen bijna even rood
als de robijnen van de gouden slangen van Mama.
"Ik wil niet trouwen met dien gladakker! Ik spug op hem!"
"Jij moet."
[19:]
"Wacht maar."
"En dan?"
"Ik zal hem ratjoen [gif.] geven, en dan soedah! Abis perkara."
[uit is 't.]
"Tjilakka!" gilde de moeder. "Slecht kind! Ondankbaar!
Gemeen!"
"Niet."
"Ja, slecht!"
"Niet."
"Hij Toewan Besar, goed mensch, bagoes en pantes." [mooi en
deftig]
"Gladakker," fluisterde Netje binnen 's monds.
"Permilie besar." [goede afkomst]
"Bangsat! [schurk] Ik wil niet trouwen, hij wil toch... Ik bentjic
[haten, iemand niet kunnen luchten of zien] met hem, bientjie! bentjie!
bentjie!"
"Soedah!" antwoordde de moeder zachter. "Jij mijn kind,
ik geef jou en jij stil. - In de stadhuis, in kerk jij stil. En dan
als Adsistent-Resident niet goed voor jou, jij kom bij Mama terug, eet
kwee-kwee, main kertoe en dans op de groote bal, en toeren met Mama
in wagen met vier paarden! En laat blijven jou man Hak, ja? Laat blijven
te A en jij te Samarang met jou kornuitjes pret maken, en mandie [baden]
te Tjandi, en bahmie eten in chineesche kamp, en waijang zien bij Regent,
ja? Ja? . . . "
Zij gaf Netje een zoen en het arme kind zei niets meer. Maar haar oogen
bleven gloeien en haar lippen zagen wit, haar handjes waren zoo koud
als steen en haar hartje klopte alsof het springen ging.
Intusschen rolde het rijtuig voort door die prachtige, lange kanarie-laan,
aan beide kanten omzoomd met de rijke villa's van de aristocratie van
Samarang, die van de stad naar de residents-woning leidt en bekend is
als "de Bodjongsche weg."
Hier woonde een vriendinnetje van Netje, dáár een kameraadje
van School, wat verder een meisje dat haar geloofsbelijdenis had afgelegd
gelijk met haar, nu drie dagen geleden... eindelijk reed zij de school
voorbij, De Mevrouw stond in de voorgalerij
[20:]
met eenige meisjes,
die haar groetten, gelukwenschen toeriepen, wuifden met haar zakdoeken...
Haar hart brak en ze barstte uit in snikken, zóó zenuwachtig,
zóó luid dat ze vóór het stadhuis de kracht
niet meer had het rijtuig uit-te-stappen. Haar moeder richtte haar op,
de Adsistent-Resident nam haar aan, sloot haar in z'n hrachtige armen
en droeg haar naar binnen als een kind. Wat was ze ook anders?
Haar vader vond dat spektakel onaangenaam.
"Dat gesnik altijd bij trouwpartijen" riep hij droogweg, "het
mag dan mode zijn, maar het is vervelend. Kom droog die tranen en ga
voort." Toen stapte hij vooruit.
Mama lei Netjes arm in dien van den Adsistent-Resident en zóó
gingen ze verder.
Netje herinnerde zich later van dien tocht niets anders, dan dat zij
een groot stuk papier of een boek gezien had, waarin zij haar naam had
moeten schrijven, heel anders dan gewoonlijk, niet Netje Loon, zooals
ze op school geleerd had, maar Anette,
Catherine, Madeleine van Loon, gedicteerd door Papa en voorgespeld zelfs
en dat de Adsistent-Resident geschreven had:
"Peter, Jacobus, Johannes Hak."
"Wat een naam! Waarom niet Matheus ook? Het was alsof ze weer een
cathechisatie-les kreeg. Ze was klaar geweest om te lachen, maar ze
durfde niet. Al die menschen om haar heen! Eindelijk kwamen ze aan de
Kerk. Diezelfde kerk waarin ze pas aangenomen was, en diezelfde Dominé
van de oude steenen en den gespijkerden hollander die goeie Dominé,
die altijd sprak over waarheid en oprechtheid, over de heiligheid van
het leven; over de groote God die alles zag en alles wist, voor wien's
alziend oog geen zondaar zich verbergen kon. .. geen, haar van uw hoofd
zal gekrenkt worden... Hij die alles ten beste leidt... Gods ,vil geschiedde
- hel en vagevuur ,- in zonde geboren - eeuwige verdoemenis deelachtig.
Wat ging er toch in haar om? - Droomde ze? Of werd ze gek? .. Ze begreep
niets meer. En Papa die geknord had, Papa. die anders nooit wat zei...
En Mama die huilde
En de Adsistent-Resident die bezig was een
Apostel te worden
[21:]
Daar verscheen
haar Dominé op den preekstoel. Zij stond Peter, Jacobus, Johannes
Hak, op een mooi tapijtje met groot fluweelen kussen vóór
haar en zóó dicht bij den Dominé dat ze zag dat
hij bleeker was dan anqers. Zijn stem was heel anders... en hij sprak
zóó hard zoo streng; van geweten van plicht, van medelijden
en steun, van verantwoording en nschap geven hiernamaals, "groote
verantwoordelijkheid, ja,
groote verantwoordelijkheid." Ze werd bang. "Het huwelijk
is een band, niet alleen voor dit leven, maar voor de eeuwigheid."
Ze had wel willen schreeuwen." En de kinderen die uit u geboren
worden . . ."
"Ze hoorde niets meer."
"Ik wil niet! Ik wil niet! Ik wil niet!" was al wat ze voelde
wat ze begrijpen kon, al wat er klopte en bonsde in haar verward bestaan.
Zij knielde en ze stond weer op, waarom dat wist ze zelf niet. En de
Adsistent-Resident had haar hand aangeraakt, gebrand met vuur...
De Dominé stond naast haar met tranen in de oogen. Alle dames
kusten haar alle heeren gaven haar de hand de menschen huilden om haar
heen, haar moeder snikte, haar vader ook; haar vader! mijn God! wat
een ongeluk!
De Adsistent-Resident greep haar hand, lei die in z'n arm en voerde
haar mee, de kerk uit.
Toen ze buiten kwam in het licht, toen ze de vrije lucht inademde en
de zon zag schitteren, veranderde alles, raakte zij als uit een benauwden
droom, en gevoelde ze zich frisch, gezond en sterk.
"Zeg. .. zeg.:." riep ze fluisterend, "Meneer, ooch luister
toch. . ."
"Wat is er Poppetje?"
"Ik wil niet trouwen!"
"Wat zegje?"
"Neen, Meneer-"
"Maar je bent getrouwd, m'n kind!"
"Soengoe mattie ik wil niet!"
[22:]
"Het is nu
te laat om terug te treden."
"Te... laat? . ."
"Ja, te laat."
"Maar ik heb je altijd gezegd dat ik je vrouw niet worden wou!"
"Maar je bent nu mijn vrouw."
"Gladakker!" riep ze luid.
"Kom gauw." En hij trok haar mee.
"Ik zal jou ratjoen geven!"
"Chut!"
Netje was buiten zich zelve van verontwaardiging ze wist niet meer wat
ze deed van woede. Daar viel haar oog op haar vader, die dood bedaard
stond te wachten op z'n rijtuig, met haar moeder aan z'n arm.
"Ja, Allah!" riep zij uittartend en met één
ruk trok ze zich de tule sluier van het hoofd, rolde hem als een bal
in elkaar en wierp hem haar vader in het gezicht. "Voor wat een
vader?" gilde ze driftig, "voor wàt een moeder? Beter
wees te zijn!"
Hak greep haar, sloeg zijn krachtigen arm om haar middel en tilde haar
in het rijtuig dat weg reed.
Den geheelen Bodjongschen weg langs vonden de javanen dien dag oranjebloesems
in de voren van de wielen der rijtuigen en langs de dijkjes vladderden
smalle repen wit satijn die aan verbanden deden denken.
"Kaja apa?" vroegen ze elkaar verwonderd. En de Bruid verscheen
in het rose, aan het kostelijk déjeuner-dinatoire, waar de gasten
haar verwacht hadden in het wit satijn.